Tour de Chanson: La Bohème 


Al in mijn jeugd in de jaren ’80 stond ‘ie nummer 1 in Top 100 Aller Tijden van Veronica – de voorloper van de huidige Top 2000. Ik heb het over Bohemian Rhapsody. En het stuk staat nog altijd nummer 1. Je ontkomt er moeilijk aan als je nu leeft. Maar wat is dat precies, een ‘Bohemian Rhapsody’? 

De term ‘rhapsody’ komt uit de klassieke muziek en is een langer muziekstuk met variërende delen. ‘Bohemian’ verwijst naar wat ze in het Frans ‘bohémiens’ noemen. Een bohémien is een zwerver die buiten de geijkte paadjes loopt.  

Deze levenshouding werd in de 19de eeuw ontzettend populair in de grote stad. Het burgerlijke leven dat toen op zijn hoogtepunt stond werd door bohémiens faliekant afgewezen. In plaats daarvan nestelden ze zich liever aan de zelfkant van het bestaan. Ze leidden een zwervend bestaan, hadden maling aan maatschappelijke conventies en plichten. Anti-establishment. Teruggetrokken in hun parallelle wereld met zielsverwanten aan de onderkant van de samenleving. Vrijheid was het sleutelbegrip. 

Maar waar komt dat woord bohémien vandaan? De Fransen ontleenden het woord in het begin van de 19de eeuw aan de Roma. Deze bevolkingsgroep beweerde in de 15de eeuw uit Bohemen, het westelijke deel van Tsjechië, naar Frankrijk te zijn getrokken. Of dat historisch juist is, daarover lopen de meningen uiteen. Niettemin gebruikten de Fransen eeuwenlang de term bohémien als ze het over Roma hadden.  

Roma zijn altijd verstoten geweest uit de samenleving, waardoor ze verkozen om (nog altijd) buiten die conventionele maatschappij te staan. Een nomadisch bestaan. Als u in Parijs op straat wordt aangehouden om iets te tekenen op een A4-formulier op een kartonnen bord dan is de kans quasi 100% dat u wordt aangehouden door een Roma. Ze zijn nog altijd volop in het Parijse straatbeeld te vinden. (Althans, vóór de Covid-crisis. Ik heb gehoord dat velen zijn teruggekeerd naar hun land van oorsprong.) 

De term bohémien heeft ook een artistiek kantje - vooral in Montmartre. In de film Moulin Rouge uit 2001 met Nicole Kidman komt de bohémien terug. En als je de naam Moulin Rouge laat vallen is de schilder Henri Toulouse-Lautrec nooit ver weg. Ook een bohémien. Tijdgenoot Arthur Rimbaud schreef op zijn 16de het gedicht Ma Bohème waarin hij droomt van een grootstedelijk nomadisch bestaan. Een kunstenaar die van kroeg naar kroeg zwalkt onderwijl zich hevig tegoed doend aan de absint maakt het beeld compleet. De meesten zijn niet oud geworden. Vrij, maar niet geheel gespeend van (fysieke) ongemakken.  

Montmartre is dé pleisterplek voor de Parijse bohème, zoals de bohémien ook wel wordt genoemd. Het was Charles Aznavour die deze naam gaf aan een liedje dat hem wereldroem bracht. Het lied La Bohème uit 1965 gaat over een schilder die terugblikt op zijn jonge jaren als kunstenaar. Hij verging van de honger maar hij was gelukkig, want hij was vrij. Voor Aznavour was dit lied een adieu aan de laatste dagen van bohémien in Montmartre. Een vaarwel aan een ander tijdperk. 

Op het podium droeg Aznavour dit lied altijd voor met de witte zakdoek die hij op het laatst met kracht op de grond smeet. Zakdoek in het volle licht terwijl hij zelf de duisternis van de coulisse inliep. Ik kan het niet nalaten om op de valreep met u te delen dat ik het genoegen heb gehad om de laatste der klassieke chansonniers aan het werk te zien. Het was 28 december 2016. Palais des Sport aan de zuidrand van Parijs. Ook toen deed hij zijn act met de witte zakdoek. Aznavour was die avond 92 jaar oud - en 2 jaar van zijn dood vandaan. Een adieu aan de bohémien

 

Ooohhh Champs-Elysées, Ooohhh Champs-Elysées !! 


In mijn jeugd leek het alsof het lied Champs-Elysées nooit was ontstaan. Het was er gewoon. Het was er altijd al geweest. Zoals Satisfaction van de Stones, Sugar Sugar van The Archies, of Bij Ons In De Jordaan van Johnny Jordaan. 

Champs-Elysées lijkt zó universeel dat ik het moeilijk in de tijd kon plaatsen. Alsof het boven de tijd uitstijgt. De melodie is onweerstaanbaar sterk. Als we tijdens een tour de Champs-Elysées oplopen, beginnen mensen spontaan het lied te neuriën of te zingen. En voor de rest van de dag zit die melodielijn in je hoofd. 

Toch is ook dit lied ooit geboren. Champs-Élysées werd uitgebracht in mei 1969 en kreeg meteen vleugels. Het was een hit in heel Europa en zelfs achter het Ijzeren Gordijn vond het nummer weerklank. Al in hetzelfde jaar maakte een Sloveense (toen: Joegoslavische) zangeres een coverversie in haar eigen taal. 

De zanger die Champs-Élysées legendarisch maakte was de Fransman Joe Dassin. U kent hem misschien wel van de zwoele jaren ’70-hymne L’été Indien, het lied dat het broeierige sfeertje uit de Emmanuelle-cyclus met Sylvia Kristel zo geloofwaardig oproept. De veelzijdige, in New York geboren Dassin sprak ook Japans. Ter promotie van Frankrijk zong Dassin in het land van de rijzende zon Champs-Élysées in het Japans! 

Ook in Nederland werd Champs-Élysées een hit èn een klassieker. Dat bracht copywriter en tekstschrijver Herman Pieter de Boer op het idee om er een Nederlandse tekst op te maken. Pieter de Boer, die ook tekstueel verantwoordelijk is geweest voor Visite (Lenny Kuhr), Annabel (Hans de Booij, Boudewijn de Groot), Ik Heb Zo Waanzinnig Gedroomd en Op Een Onbewoond Eiland (Kinderen Voor Kinderen), vertelde ooit in het televisieprogramma Wintertijd het volgende verhaal: ‘Ik zat aan een boek te werken in Frankrijk. Soms zette ik de radio aan. Alsmaar kwam voorbij: Oooh Champs-Élysées, tum-da-ta-da-da… Ik dacht: wat een leuk deuntje! Toen kwam ik terug in Amsterdam en ik liep over het Waterlooplein en ik dacht: dat past precies! Oh Waterlooplein. Liedje afgemaakt. Opgenomen door Johnny (Kraaijkamp) en Rijk (de Gooijer). Intussen ging Lion Swaab, de producer, die ging op zoek naar de oorspronkelijke uitgever. Want die moet toestemming geven voor de nieuwe tekst. Toen bleek het geen Franse uitgever te zijn, maar een Engelse uitgever! Het Engelse nummer heette Waterloo Road. Geen wonder dat het zo goed paste op Waterlooplein! Dat was mijn eerste liedje. Grote hit. Daarna heb ik nog 700 liedjes geschreven.’ 

Zo origineel was Champs-Élysées dus niet. Voor de oorsprong steken we beter het Kanaal over en komen we in Londen Town terecht. In 1968 maakte de band Jason Crest Waterloo Road populair in Engeland. Het arrangement en het accent van de zanger doen denken aan de Kinks en de Small Faces. De tekst was van Mike Deighan. Pas een jaar later veranderde tekstdichter Pierre Delanoë het decor van het lied naar die andere wereldstad: het Parijs van de jaren ‘60. Dassin bezong de chique pracht van de mondaine laan. Het maakte niet uit of je er in de middag of middernacht bent: voor iedereen is er altijd wat wils op de beroemdste laan ter wereld: “À midi ou à minuit, il y a tout ce que vous voulez aux Champs-Élysées.” 

Edith Piaf (1915 – 1963)

Hoewel ze de eerste was die een wereldwijde ster werd, kwam ze niet uit de lucht vallen. Ze stond in een lange traditie van zangeressen die haar waren voorafgegaan. Die reeks begon aan het einde van de 19de eeuw, de tijd van het variété, van de Moulin Rouge, van Le Chat Noir waar de stem van charmezanger Aristide Bruant de mensen in vervoering bracht. Die eerste periode tussen 1900 en 1930 bracht zangeressen voort als Fréhel, Mistinguett, Florelle en Damia. Ze hadden (bijna) allemaal overeenkomstig dat ze uit (groot) Parijs kwamen, veelal uit de onderklasse. Hun levens waren bloemlezingen vol met drank en drugs en ontelbare romances. 

Edith Gassion was geen uitzondering in deze opsomming. En toch werd ze dat uiteindelijk wel.

Edith werd geboren tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Tenon ziekenhuis in het 20ste arrondissement. En niet, zoals de legende het voorschrijft op straat, bij mij om de hoek in Rue de Belleville. Haar moeder was kroegzangeres en acrobate en ontfermde zich weinig over de kleine Edith. Op haar vader stonden de loopgraven te wachten en dus bracht hij zijn dochter onder bij zijn moeder, die een bordeel uitbaatte. Eigenlijk werd Edith opgevoed door prostituées. Haar zwakheid, zoals ze het later zelf pleegde te zeggen, voor mannen kwam hieruit voort: ‘Ik dacht dat wanneer een jongen een meisje bij hem riep dat het meisje hem nooit weigerde.’ Inmiddels zong kleine Edith als een nachtegaal. Ze debuteerde voor publiek tijdens acrobatische vertoningen op straat. Ze was 9 jaar. 

Op 17-jarige leeftijd bracht ze een dochter ter wereld, Marcelle. De geschiedenis herhaalde zich. Marcelle kwam in hetzelfde ziekenhuis ter wereld als haar moeder. En net als haar moeder wist Edith geen raad met het kind. Ze ging liever de straat op om te zingen. Het kwam voor dat de baby voor uren alleen gelaten werd, omdat Edith elders was. Samen met Simone Berteaut, met wie ze tot aan haar dood onafscheidelijk zou blijven (en die haar biografe werd). Daarop nam de vader Marcelle onder zijn hoede. Als Edith haar dochter terug wilden hebben, moest ze haar maar komen halen. Maar Edith kwam niet. Hoewel ze haar dochter wel financieel verzorgde. Op 2-jarige leeftijd stierf Marcelle aan hersenvliesontsteking. Volgens geruchten zou Edith het geld voor de begrafenis bij elkaar hebben gescharreld door het bed te delen met een passerende man. 

De biografie van Edith Gassion vóór haar doorbraak was een doorsnee verhaal van het leven in de onderste sociale klassen van de Parijse jungle. Het was een leven vol ontberingen dat zich op straat afspeelde en waar het legale en het wetteloze onnavolgbaar met elkaar verstrengeld waren. Zoals Edith Gassion waren er honderden, zo niet duizenden aan de oostkant van de stad. Ediths leven is alleen uitvergroot zodat wij ons kunnen laven aan haar drama waaruit die hartverscheurende liedjes zijn ontstaan waaraan wij weer onze eigen pijn en verdriet kunnen spiegelen.

 

Enkele maanden na het overlijden van Marcelle werd Edith ontdekt. Nachtclubeigenaar Louis Leplée zag een toekomst in de zangeres. Ze kreeg een kans in zijn club bij de Champs-Élysées, waar chique en bohemiens door elkaar liepen. Hoewel ze amper 1 meter 47 was en vreselijk nerveus maakte ze indruk. Leplée schaafde aan haar performance en zorgde voor twee handelsmerken: de onafscheidelijke zwarte jurk en haar artiestennaam Piaf, dat een volkse uitdrukking was voor ‘kleine mus’. Ingegeven door haar postuur. Beide karakteristieken zou ze nooit meer opgeven.

Piaf ontgroeide al snel Belleville, overschreed de grenzen van Parijs, veroverde heel Frankrijk en trotseerde tot slot alle wereldzeeën. Ze werd de eerste vedette in Amerika die niet uit Hollywood kwam. Tien jaar vóór de Beatles. 

Ik sluit graag af met de woorden van Luc Santé: ‘Haar talent lag vooral in het “grenzeloze”: er was geen grens tussen haarzelf en het lied, en evenmin tussen haar en de luisteraar. (…) Niet alleen was ze een weergaloze vocaliste en de belichaming en het hoogtepunt van een hele traditie, ze was de punt van een prisma.’

 

Informatie deels ontleend aan: Luc Santé, Het Andere Parijs.

 De Marseillaise: de geboorte van een republikeins verzetslied 

Mensen buiten Frankrijk denken bij de eerste noten altijd dat de Beatles beginnen te zingen. De Fransen daarentegen heffen onmiddellijk hun eigen volkslied aan: de Marseillaise.  

Is de Marseillaise het bekendste volkslied ter wereld? Je zou het bijna denken. Het lied is een typisch republikeins lied: ontstaan in die patriottistische chaos van de Frans Revolutie. De componist heet Claude Joseph Rouget de Lisle, een kapitein van het Franse leger. Hij schreef het lied in Straatsburg, in de nacht van 25 op 26 april 1792. Het lied was ontstaan doordat er een oorlogsverklaring was uitgegaan om te strijden in de Oostenrijkse Nederlanden (het huidige België). Dat werd een faliekante mislukking. Maar het lied was geboren. Rouget de Lisle zong het voor het eerst voor de burgemeester van Straatsburg. De titel luidde toen nog Chant de guerre pour l'Armee du Rhin (oorlogslied voor het Rijnleger). Het chanson verspreidde zich als een olievlek over het land. Dat bleek toen de troepen uit Marseille luidkeels het lied zongen terwijl ze Parijs binnen marcheerden onderweg naar diezelfde oorlog. Vandaar de naamsverandering in La Marseillaise

Drie jaar later, op 14 juli 1795, werd de Marseillaise officieel uitgeroepen tot het volkslied van de Eerste Republiek. Maar eenmaal zichzelf tot keizer gekroond, zette Napoleon daar een streep door. Dat bleef zo doorgaan doorheen een groot deel van de 19de eeuw. Koningen volgden elkaar op en zelfs een tweede keizer, het neefje van Bonaparte. Die werd in 1870 na de beruchte Frans-Duitse oorlog afgezet door de oosterburen. 8 jaar later, we zitten dan in de Derde Republiek, werd de Marseillaise weer in ere hersteld. Sindsdien is het altijd het officiële volkslied gebleven. 

Het republikeinse karakter van het lied komt vooral in het tweede couplet naar voren waarin wordt gezongen: “Que veut cette horde d'esclaves/De traîtres, de rois conjurés? ... C'est nous qu'on ose méditer/De rendre à l'antique esclavage!” (Wat wil deze horde slaven, verraders en samenzwerende koningen?... Wij zijn het die men durft te overwegen om tot de oude slavernij terug te brengen) Met die ‘oude slavernij’ werden uiteraard de erbarmelijke omstandigheden van het volk onder het ancien regime bedoeld, met name de armoede onder de laatste 3 Lodewijks, XIV, XV en XVI. 

De kracht van het lied, de combinatie van tekst en melodie, heeft vele andere regimes geïnspireerd. Sterker nog, sommige landen hebben het lied geadopteerd. Of, met andere woorden: een coverversie van gemaakt. Een bekend voorbeeld is de Russische Revolutie van 1917. In de 5de strofe van de Marseillaise wordt verwezen naar de klassenstrijd, het ultieme uitgangspunt van de Russische opstand onder Lenin. Toen hij vanuit Finland  

per trein in 1917 aankwam in Sint-Petersburg werd niet de Internationale gespeeld, maar de Marseillaise. Dit Franse lied is ook een blauwe maandag volkslied van Rusland geweest! Een jaar later is uiteindelijk toch voor de Internationale gekozen.

Ook Belgische socialisten zongen graag de Marseillaise. Louis Paul Boon, een van de grootste Belgische schrijvers van de 20ste eeuw, schreef erover in zijn roman Pieter Daens. En de grap van de afgelopen jaren is die om Yves Leterme. Hij werd als premier van België nota bene op 21 juli, de Belgische feestdag, gevraagd de Brabançonne te zingen waarna hij spontaan de Marseillaise inzet. Dat heeft hij geweten!

Maar er waren meer die aan de haal gingen met de Marseillaise. Natuurlijk de Beatles gebruikten het - in All You Need Is Love (en dus onrechtstreeks ook Robert ten Brink 😉). Serge Gainsbourg ging nog een stap verder: hij maakte een reggaeversie! Samen met Sly en Robbie, de beste reggae-ritmesectie van de jaren ’70 en ‘80, nam hij in een studio in Kingston, Jamaica, Aux Armes Et Cætera op. Met Rita Marley, Bobs vrouw, in het achtergrondkoortje. Het resultaat was olie op het vuur: veel veteranen reageerden woest. Gainsbourg kreeg zelfs doodsbedreigingen. Toch trad hij op. Op 4 januari 1980 in Straatsburg, de stad waar Rouget de Lisle het origineel ooit schreef, gaf hij acte de presence. Gainsbourg wist heel goed waar hij het over had: “Ik ben een rebel die La Marseillaise zijn oorspronkelijke betekenis heeft teruggegeven!” Daarop hief hij zijn vuist op en begon de oorspronkelijke versie te zingen. De soldaten in het publiek die van plan waren Gainsbourg de strot om te draaien, konden niet anders dan in het gelid staan om hun volkslied trots mee te zingen. De reggaeplaat werd de best verkochte uit zijn carrière met meer dan een miljoen exemplaren. Van de opbrengsten kocht hij op 14 december 1981 het originele manuscript van de Marseillaise. 

En dan is er nog tot slot Casablanca (1942), de feel good-film over de Marokkaanse pleisterplek voor vluchtende verzetsmensen die door de nazi’s wordt bezet. Op één van de heroïsche momenten uit de klassieker met Humphrey Bogart wordt een Duitse mars overstemd door de Marseillaise. Dit fragment was plotseling enorm populair na de aanslagen in de Bataclan in 2015. Het was diep ontroerend om in die periode plotseling de saamhorigheid onder Parijzenaars te voelen. We hadden het nodig. Na die aanslag op onze vrijheid deed dit aloude verzetslied zijn vertrouwde werk zoals balsem op een bijtende wond. 

Gainsbourg (1928-1991)


Wat heb ik die mensen veracht in mijn jeugd! Mensen op feestjes die heel ongemakkelijk begonnen te ginnegappen en te grinniken als Je T’aime Moi Non Plus gedraaid werd. Niet wetend waar ze met zichzelf moesten blijven onder het gekreun van Jane Birkin.

Als kind vond ik de melodie al prachtig, in dezelfde trant als de Mediterraanse smartlap Do You Love Me van Sharif Dean. Maar Je T’aime Moi Non Plus is uit een ander vaatje getapt. Die melodie is zó vurig en zó romig. De sfeer, de productie, het lied ademt vrijheid uit. De Franse vrijheid van de jaren zeventig. Weerklinkend in liedjes als Une Belle Histoire van Michel Fugain en Été Indien van Joe Dassin. Die gouden jaren dus.

Pas twee decennia later kwam ik erachter wat voor ongelofelijk kracht Serge Gainsbourg had en was. Ik werd op slag, nadat ik een dubbele compilatie-cd had gekocht, fan van hem en verliefd op vele van zijn chansons. La Chanson de Prévert, La Javanaise, Initials B.B., Melody Nelson, Elisa, Marilou Sous La Neige, Sorry Angel, Aux Enfants De La Chance… en natuurlijk veel en heel vaak 69 Année Erotique. De lijst is eindeloos! Zijn liedjes getuigen van kwaliteit. Vanaf zijn begin in de jaren ‘50 tot aan zijn laatste productie voor Vanessa Paradis in 1990, een jaar voor zijn dood.

En daar wil ik zijn, bij zijn dood. Want er zijn verschillende sporen van zijn dood in Parijs. Natuurlijk is er zijn graf. Daar ligt hij samen met zijn ouders in. Dat komt overigens vaker voor in Frankrijk. Niet op het beroemde Père Lachaise, maar op Cimetière Montparnasse. Zijn tombe is vaak bedekt met beertjes, bloemen, sigarettenpeuken en metrokaartjes.

Metrokaartjes, zult u zeggen? De echte fan weet natuurlijk waarom. Zijn doorbraak in 1958 heet Le Poinçonneur des Lilas. Het chanson gaat over een kaartjesknipper op de tramlijn tussen Parijs en Lilas, aan de oostkant van de metropool, die zijn leven zo zinloos acht dat hij uiteindelijk een gaatje in zijn eigen schedel schiet. Dat was Gainsbourgs eerste succes. De toon was gezet. (Voor de liefhebbers: aan de rand van Lilas, aan het einde van Rue de Belleville, aan de buitenkant van de Périphérique, vinden we sinds enkele jaren Jardin Serge Gainsbourg.)

Aan een andere rand, die van Saint-Germain-des-Prés, meer bepaald in Rue de Verneuille vinden we het huis waar Gainsbourg tussen 1971 en 1991 woonde. Gelukkige, maar ook minder gelukkige momenten kende hij daar met Jane en de kinderen. Serge was een liefdevolle, verlegen, onzekere minnaar en vader. Jane wilde haar kinderen structuur geven in het leven. Serge maalde er niet om om om vier uur ’s nachts al rokend en drinkend met zijn kleine kinderen op te blijven in zijn volledig zwarte interieur. Het fauteuil, de asbak, de tafel, de muren, letterlijk alles was zwart. Toen Serge in 1973 de eerste van zijn vijf hartinfarcten kreeg wilde hij niet naar buiten gebracht worden op de brancard onder de kleurloze ziekenhuisdeken, maar onder zijn eigen Hermès-deken. Zwart van kleur. 

Om een lang verhaal kort te houden: aan het einde van de jaren '70 vluchtte Jane het huis uit, omdat zij verstoord werd in een normale opvoeding voor de kinderen. Ze bleef wel voor Serge zorgen. In de laatste maanden van zijn leven warmde ze zijn diepvriesmaaltijden op. Op 2 maart 1991 stierf hij in dit lage en lege huis. 

En daar versteent de geschiedenis van het huis. 

Als u wilt leid ik u langs de woning. Op nummer 5 is het uit duizenden te herkennen: de gevel is een grote muurschildering van graffiti met Serges beeltenis en andere referenties aan zijn oeuvre. Ik vertelde u daarnet over de geschiedenis die er versteend is. Dat zit zo: de deuren zijn nog altijd 'hermetisch' gesloten. Binnenin is het in exact dezelfde staat als in maart 1991. Niets is veranderd. Dochter Charlotte Gainsbourg, in Frankrijk net als haar charmante moeder nog altijd een graag geziene gast in de media - allebei opvallend evenwichtige vrouwen - laat de poorten gesloten. Meer dan eens is ze gevraagd of het huis geen museum kan worden. Tot op heden is het er niet van gekomen. Als we voor de deur staan blijft het een groot mysterie. Ook voor menig gast tijdens mijn privétours. 

De dag dat het gebouw openbaar zal worden gesteld komt iedere dag een dagje dichterbij. En toch is diezelfde dag weer eens uitgesteld tot begin 2022. Wordt vervolgd…

Dalida (1933 - 1987) 

 Dalida. Ze lijkt vergeten door jongere generaties. Ooit was ze een discoprinses. De vrouwelijke tegenhanger van de al even legendarische Claude “Cloclo” François. Beiden zijn op een morbide manier aan hun einde gekomen. 

Cloclo draaide een lampje vast terwijl hij in een volle badkuip stond. Dat was niet zijn beste idee, wel zijn laatste. 

In de jaren '70 maakte Dalida ook naam in Nederland en België. En wat was ze mooi als je archiefbeelden van haar ziet. En wulps als ze begon te dansen. Bij Toppop nota bene! Want daar is ze ook te gast geweest. Paroles… Paroles… met acteur Alain Delon was een hit. Gigi L’amoroso Gigi l’amour was op een haar na nummer één. En Mart Smeets sloot zijn programma De Avondetappe altijd af met de stem van Dalida: “Buenas noches mi amor”. 

Haar schoonheid had Egyptische roots. Er liep ook Italiaans en Frans bloed door haar aderen. Soms valt over schoonheid niet te twisten. Hoewel de cynicus zal opmerken: ze was wel héél blond. Dalida werd Miss Egypte 1954. Daarop ging ze haar geluk beproeven in Parijs. Ze droomde van een carrière als actrice. Dat lukte. Maar ze ging pas echt als een komeet als zangeres. Ze was het product van het eerste echte marketingproces in het Franse chanson. Haar doorbraakhit Bambino werd flink gehypt op de radiozender Europe 1. Een nieuwe diva was gelanceerd. Dalida bleek een vaste waarde van internationale allure. Haar liedjes waren direct, volks en populair. Ze verkocht niet minder dan 170 miljoen platen! 

Door haar succes, charme en hartelijkheid was ze een magneet voor mannen. Maar het waren niet altijd even gelukkige combinaties. Door een macaber lot pleegden drie van haar mannen zelfmoord. Teleurgesteld bleef ze kinderloos. En rond haar 50ste werd ze geopereerd aan een oogafwijking die weinig verbetering in haar zicht bracht. Dat was in de nadagen van de discohype, toen ze nog Last Christmas van Wham! coverde. In het Frans! In die periode trok ze zich het liefste terug in haar grote huis. Gelegen in een kleine, doodlopende straat van kasseien, hoog in Montmartre. De luiken gesloten. 

Tijdens onze Montmartretour passeren we altijd het huis van Dalida. Tussen het atelier van Picasso en de laatst overgebleven molen van Montmartre, Moulin de la Galette. Ze woonde daar 25 jaar. Het was in dat huis dat ze in een voorjaarsnacht enkele pillen te veel innam. Weggeslikt met whiskey. 54 jaar na haar geboorte. Van kinds af aan was ze bang geweest voor het donker. Ze liet altijd een lichtje aan als ze ging slapen. Die avond ging het licht uit. 

Je weet nooit wat zich achter de gevels van huizen heeft afgespeeld. Het begeleidende briefje bevatte weinig woorden: ‘La vie m’est insupportable. Pardonnez-moi.’ Het was haar allemaal te veel geworden. 

 

Onder de publieke belangstelling van 40.000 mensen vond ze haar weg naar Cimetière Montmartre, om de hoek van waar ze woonde. Haar tombe is makkelijk te vinden. Geheel in stijl staat op de grafzerk een standbeeld van goud. 

Ook de mensen die nog nooit van Dalida hebben gehoord beleven hun momentje tijdens de Montmartretour. Want even voorbij Moulin de la Galette vinden we de zangeres op straat terug in de vorm van een buste. Op een van de meest fotogenieke plekken van heel Parijs. Ze kijkt uit op het groene Montmartre, de roze gevel van la maison rose en een glimp van de basiliek Sacre Coeur. De beeldhouwer moet enorm geïnspireerd zijn geweest door haar vrouwelijkheid. Het is zelfs een grapje geworden. Als je een van haar borsten aanraakt dan ben je verzekerd van de volwassen versie van “7 jaar geluk”. Er zijn mensen, zeker mannen, die meteen naar haar borsten grijpen. Er zijn er ook die over bacteriën beginnen.