Kunt u een geheimpje bewaren? 


Toen Oscar Wilde een homoseksuele relatie aanging met lord Douglas was zijn lot bezegeld. Hij ging de gevangenis in en zou nooit meer echt herstellen van die vrije val. Financieel raakte hij aan de grond en hij begon te kwakkelen met zijn gezondheid wat ervoor zorgde dat zijn inspiratie, welbespraaktheid en humor verdampten. Vandaar dat we hem eind 19de eeuw aantreffen in Parijs. Zijn laatste dagen bracht hij door in een hotel dat geen ster waard was.  

Het hotel droeg de naam Hôtel d’Alsace en was goedkoop. Het hotel bestaat nog altijd en heet nu even simpel als verwarrend L’Hôtel. Het hotel is dus inmiddels van naam veranderd, net als de tarieven, maar Oscars kamer kunt u nog altijd boeken. Voor 600 euro per nacht. De kamer baadt in exorbitante luxe, inclusief een privéterras. Het hotel telt inmiddels vijf sterren.  

Als 600 euro per nacht u te veel is, maar u voelt wel een speciale band met de Ierse schrijver dan wil ik wel een geheimpje met u delen. Want zonder rekening zult u de kamer niet van binnen te zien krijgen. Máár de sfeer kunt u er wel opsnuiven. Volgt u mij. U begeeft zich in de richting van Saint-Germain-des-Prés, een straat parallel met de Seine. Naast de Academie voor Schone Kunsten vindt u in een klein straatje een wonderlijk hotelletje. Binnen heerst er een overdaad aan schoonheid. Het personeel is vriendelijk op een Parijse manier: correct, ingehouden, comme il faut. Dan vraagt u aan de receptie in uw beste Frans of u een drankje mag nuttigen. U loopt door langs de lobby en de bar naar de serre. Die is prachtig verruimd met overal spiegels. Op tafel liggen oude boeken van de beroemde Ierse gast van weleer. Voor een gemiddeld Parijse prijs drinkt u hier een heerlijk kopje thee of een goed glas wijn. 


Als u binnen gaat, beperkt u dan het aantal personen tot drie à vier. Want anders gaat het personeel mij dat niet in dank afnemen. De plek hou ik graag ‘exclusief’. Eenmaal onderweg naar achteren vergeet u dan vooral niet naar boven te kijken: een gat in het plafond als een lange cilinder leidt per verdieping naar de verschillende kamers. Het diepe gat is bijna hypnotiserend. Als u daar toch staat, en u voelt de behoefte - na een lange wandeling, of preventief - van het toilet gebruik te maken, dan daalt u de trap af. Zelfs als u niets van toiletten moet hebben, doe het gerust. De kelder, geïnstalleerd als een minibibliotheek, zal u niet teleurstellen. 

Als Oscar Wilde had geweten dat meer dan honderd jaar na zijn dood dit hotel zo luxueus was geworden, had hij het er waarschijnlijk langer uitgehouden. Want toen hij er woonde, hielp zijn kamer niet bepaald aan zijn fysieke herstel. Integendeel. De decoratie daagde hem onverbiddelijk uit. “My wallpaper and I are fighting a duel to the death. One of us has got to go.” Wilde hield de eer aan zichzelf. Op 30 november 1900 stierf hij aan hersenvliesontsteking. Zijn nieuwe thuis werd het kerkhof van Père Lachaise. 

In het volle licht van Vincent Van Gogh

Op mijn laatste verjaardag viel ik pardoes terug in mijn jeugd. Dat gebeurde in Ateliers des Lumières. Er was een tentoonstelling van Vincent van Gogh. Een projectie van bewegende beelden overal om me heen, onder mijn voeten, hoog boven mijn hoofd. Overal was Vincent van Gogh. Waar ik keek en overal waar ik niet kon kijken. Maar het was niet Vincent die mij terugbracht naar mijn jeugd. Net als bij de Petit Madeleine van Proust zorgde het onverwachte voor die sensatie. Van de projecties wist ik immers dat die zouden komen. Ik had een jaar eerder Gustav Klimt gezien op dezelfde locatie. 

De schilderijen schoven over de muren. Vaak gegroepeerd per kleur. Het blauw van La Nuit étoilée (Starry Night). Het gouden geel van het korenveld. Het oranje geel van de zonnebloemen. Zoals bij Mozart melodie zich in je hart boort, zo geeft Van Gogh kleur aan je leven. Een appel waaraan je moet toegeven. Anders blijft spijt de rest van je leven zich aan je opdringen. Nina Simone zong in de zaal Don’t Let Me Be Misunderstood. Dit lijflied werd Vincents ondergang, ver voordat het nummer werd gecomponeerd. Het onbegrip en het gebrek aan erkenning doopten hem in de absint, sneden hem zijn oor af, schoten hem in de borst.

Het schuiven ging maar door, een galerie van portretten: dokter Gachet die hem tevergeefs van zijn zenuwziekte wilde genezen, de bardame Agostina Segatori, de familie die aardappels at. En ook de kerk van Auvers-sur-Oise: vervormd, blauw en dansend. Hoezeer ik ook mijn best doe, de mooiste woorden die ik kan bedenken doen geen recht aan alle kleuren die ik toen zag. Je verwacht er zoveel van, je kijkt er al maanden naar uit, dan kan het alleen maar tegenvallen. En dat gebeurt dan niet. Het is minstens even mooi als dat je stiekem hebt gehoopt. Leven zonder verwachtingen is in werkelijkheid zoveel moeilijker dan het lijkt in woorden. 

Het gebeurde eigenlijk al vroeg in de show, dat ik opeens een melodie hoorde die mij al volkomen in haar bedwang had toen ik vijftien jaar was. In die hete zomer in de jaren negentig, toen ik op mijn slaapkamer de wereld aan het ontdekken was. De klanken die zo goed bij Vincent pasten waren van Janis Joplin. Haar allermooiste: Kozmic Blues. Zoveel verdriet dat je de hele kosmos zou kunnen opvullen met je tranen. Dat zou een (tijdelijke) liefdesexplosie hebben opgeleverd: Janis Joplin en Vincent van Gogh! Alhoewel: waar hij heel serieus en fijngevoelig op de dingen inging, zou zij het allemaal weer schaterend hebben weggelachen. Misschien niet zo’n goede combinatie bij nader inzien.

Bij de intro schoot ik vol. Vier minuten lang heb ik als een kind staan huilen om de kleurenpracht in mijn ogen en oren. Wat een alchemie, wat een moment, wat een herkenning. Janis, Vincent en ik. Ik toen ik vijftien was, ik die nog amper mijn reis was begonnen. Op zoek naar mezelf, op zoek naar iets. De grote afstand tussen toen en ik nu, gestrand in Parijs. Ik begreep Vincent niet ineens beter, evenmin Janis of mijzelf. Het overkwam me gewoon. Ik voelde wat intenser deze dag.

Enkele weken later zat ik in de RER, de interregionale trein die Parijs verbindt met Île de France. Ik was op weg naar Auvers-sur-Oise. Ik zag de oorspronkelijke kerk: veel rechter, niet blauw en ook niet dansend. Naast het kerkje waar een uitvaart bezig was, lagen, omringd door een lage muur, de dorpsgenoten die alleen nog in de harten van nabestaanden voortleven. Of zelfs dat niet meer, omdat ze er al te lang liggen. Afgelegen tussen de onwetende akkers van Noord-Frankrijk, daar naast elkaar, liggen de twee broers, Vincent en Theo. Uit Zundert, Brabant, tien kilometer van waar ik ooit ben geboren. Toen het allemaal nog moest gebeuren. Ze liggen in graven van een eenvoud die genoeg is. Omgeven door een rust die Vincent in zijn leven nooit heeft gevonden.

 

 

In 2020 is in Atelier des Lumières een volgende projectie te zien, een combinatie van Monet, Renoir en Chagall.

Hemingway in Parijs

Een van de sfeervolste pleintjes van Parijs is Place de la Contrescarpe, aan de rand van Quartier Latin. Zowel in de uitbundige zomerzon als onder een plafond van feeërieke lichtjes in de winter. Als ik daar ben, en dat overkomt me vrijwel wekelijks, kan ik de neiging om de bocht om te gaan naar rue Cardinal Lemoine niet onderdrukken. Dan stop ik altijd bij nummer 74 en kijk omhoog. Daar hangt een van de meest troostrijke plakkaten van een stad die behangen is met plakkaten over voormalige bewoners. Ik lees een citaat uit A Moveable Feast van Ernest Hemingway, de Amerikaanse schrijver die hier in 1921 en 1922 woonde met zijn eerste vrouw: ‘Tel était le Paris de notre jeunesse au temps où nous étions très pauvres et très heureux.’ Het ontroert me elke keer weer.

De Hemingways woonden in Parijs aan de goede kant van de Seine als je van cultuur en het goede leven hield; het leven zonder zorgen en een feest dat bijna tien jaar zou duren. Tot aan de verwoestende crisis van de jaren dertig. Op de straten van Montparnasse op de tonen van de jazzmuziek werd gedanst tot in het holst van de nacht. Les années folles. De bohemiens nestelden zich in de restaurants, zoals le Dôme en la Rotonde, zonder eruit gezet te worden. Ook al veroorzaakten ze regelmatig vechtpartijtjes. La Coupole en le Select noemden zichzelf “Bar Americain”. In drie jaar tijd rees het aantal expats van de andere kant van de oceaan van zes duizend in 1921 tot dertig duizend in 1924! Een ander etablissement, la Closerie des Lilas, was de vaste stek van Ernest om even bij te tanken. De praatgrage schrijver was al snel populair bij het personeel.


Een andere plek waar hij kind aan huis was, was in Saint-Germain, bij Sylvia Beach. Zij opende het boekenwinkeltje Shakespeare and Company dat toen nog in Odéon was gevestigd en niet, zoals nu, tegenover de Notre Dame. In die tijd, toen Hemingway nog zeer arm was kocht hij geen boeken bij Beach, hij ‘leende’ ze van haar. Die armoede was tien jaar later verdwenen als sneeuw voor de zon. Hemingways eigen pennenvruchten begonnen te verkopen, het geld begon binnen te stromen. De schrijver reisde de hele wereld over. Hij woonde aan het onderste puntje van Florida, Key West, en ook aan de overkant, op Cuba. Hij leefde zich uit bij diepzeevissen en op safari, en beleefde als journalist avonturen in de Spaanse burgeroorlog. Zolang het maar een adrenalinestoot gaf. Hij probeerde het leven aan te houden zoals hij die beleefd had tijdens de Eerste Wereldoorlog. Echt be-leefd; of liever: dóór-leefd. Het was alles of niets. En het werd héél veel voor hem: vele bestsellers, vele avonturen, veel geld, vier huwelijken, vele depressies en veel, heel veel alcohol. Zijn laatste vrouw Mary klaagde over zijn alcoholwalm. Daarom vroeg Ernest aan de barman van het Ritz Hotel om een cocktail te maken waardoor de alcoholgeur geneutraliseerd zou worden. De man mengde tomatensap met wodka en dat werkte als een tovermiddel. Het geklaag was voorbij en de Bloody Mary cocktail was geboren. Genoemd naar zijn vrouw. Volgens de legende althans.


Na de Tweede Wereldoorlog begonnen depressies steeds meer zijn dagen te domineren. Een van de laatste werken die Hemingway tussen de depressies in schreef was de kleine memoires A Moveable Feast (‘een verplaatsbaar feest’, vertaald als: Dag en nacht feest). Hij beschreef zijn leven in Parijs van zijn jonge jaren nu hij meer en meer in de schaduw leefde van zijn naderende dood. Op de ochtend van een julidag in 1961 koos hij niet voor zijn schrijfmachine, maar laadde hij zijn favoriete dubbelloops jachtgeweer met twee kogels. Hij liep naar boven in de hal van zijn kapitale villa, nam de loop in zijn mond en haalde de trekker over. Kort daarvoor, in A Moveable Feast, had hij nog geschreven: ‘Ik weet niet hoe het er nu is, maar dit was het Parijs van onze jeugd toen we heel arm en heel gelukkig waren.’ 


Informatie deels ontleend aan: Ernest Hemingway, A Moveable Feast.