Pont Neuf weer ingepakt
Vorige week wilde ik met enkele gasten Pont Neuf oversteken. Van Rive gauche, de linkeroever, naar de andere kant van de Seine. Maar de oudste brug van Parijs was halverwege geblokkeerd. Wat krijgen we nou?! Wat was er gebeurd?
Vanaf 6 juni is één helft van de legendarische burg overtrokken door een opgeblazen ijsgrot. 120 meter lang, 20 meter breed en 18 meter hoog. La Caverne du Pont-Neuf is 3 weken lang 24/24 gratis te bezoeken.
Wie heeft dat op zijn geweten? JR. Nee, voor de ouderen onder mijn lezers, dat is niet de schurk met de Texaanse gleufhoed uit Dallas. De Parijse kunstenaar JR zou je kunnen kennen van zijn fotocollages van stoere jongeren uit de banlieues die hij ophing in de betere wijken van Parijs. Provocatief? Misschien. Maar zeker met zeggingskracht. Zo kwam hij met zijn fotoconstructies ook op vrouwenrechten, en schetste hij een heel eigen beeld van de vijandschap tussen Israëliërs en Palestijnen. Ook heeft hij eerder Opéra Garnier bewerkt; en in 2019 bij het 30-jarige feest van de Piramide van het Louvre ook dit glazen gebouw.
En nu is JR toe aan een volgend huzarenstukje: de kunstenaar transformeert de oudste brug van Parijs tot een immense visuele grot. De installatie simuleert een prehistorische rotsformatie, begroeid met vegetatie, die doet denken aan de steengroeven waar de stad haar steen vandaan haalde. Het opblaasbare geheel bestaat uit 80 canvaspanelen. Om het werk een sonische dimensie te geven werkt JR samen met voormalig Daft Punk-lid Thomas Bangalter.
Met zijn verbluffende constructie brengt JR een ode aan de kunstenaar Christo en zijn vrouw Jeanne-Claude die ruim jaar 40 jaar geleden de oudste brug van Parijs inpakten. In het collectief geheugen stond Christo beroemd als de man die gebouwen inpakte. Naast de Pont Neuf (in 1985) nam hij ook de Berlijnse Rijksdag (1995) onder handen, de Arc de Triomphe (2021, al op papier gereed in 1962!), en een kunstproject in het Central Park in New York. Zelf sprak Christo liever van landschapskunstwerken. Het resultaat van deze tijd en geld slurpende inpaksessies was puur esthetisch bedoeld. Hij wilde mensen stimuleren om de omgeving “met andere ogen” te bekijken.
In mijn jeugd sprak Christo al tot de verbeelding. We zijn nu enkele generaties later en wat JR doet is niet precies hetzelfde als zijn voorganger. Nee, de 21ste-eeuwse kunstenaar geeft er een eigen twist aan met een opgeblazen structuur bestaande uit zwart, witte en verschillende grijstinten. De inspiratie haalt JR uit de brug zelf. De oudste overgang over de Seine is niet alleen een brug van de rechter- naar de linkeroever, maar ook een overgang van het verleden naar onze tijd. Door de brug een opblaasbare overkapping te geven leg je nog meer de nadruk op de monumentaliteit van de brug.
Wij, Parijzenaars die de Pont Neuf kunnen dromen, maar ook andere bezoekers zien de omgeving even totaal anders. Het is Parijs toch weer gelukt: de dame blijft ons verbazen!
PS: Tot 28 juni nog te bezichtigen! Kom gewoon even langs in Parijs. De stad is zó dichtbij en doordeweeks in juni lang niet zo druk.
Louvre, het zorgenkindje van Parijs
Wat is er met het Louvre aan de hand? Ooit, lang geleden het solide fort van de Middeleeuwse stad Parijs. Daarna het trotse kunstpaleis van de koningen. Intussen al sinds 1793 een toonaangevend museum. Het is niet nodig om te speculeren of hier de klad in gaat komen. Maar het valt niet te ontkennen dat het Louvre onder spanning staat. De laatste tijd lijkt het grootste museum ter wereld de 7 spreekwoordelijke plagen te ondergaan.
Al een tijdje staat het museum onder druk. Als je bijvoorbeeld de zaal van Mona Lisa ingaat, dan zie je op een bordje het verzoek om hoffelijk om te gaan met het personeel. Dat is veelzeggend. Hoe schofferend kunnen gasten zijn in deze openbare ruimte? De gevolgen lieten zich al raden. Stakingen. Natuurlijk weet heel Europa dat Fransen gevoelig zijn om het werk snel neer te leggen en voor hun rechten op te komen. De druk op het Louvre personeel begint ze te veel te worden. Dat gebeurde al incidenteel in de zomer van 2025. Onaangekondigd op een maandagochtend bleef het museum gesloten. Er was geen medelijden met of begrip voor de bezoekers van de andere kant van de wereld die met hun ticket in de hand aan de glazen piramide stonden te wachten. Het instituut bleef een hele maandag gesloten.
Die sluiting herhaalde zich langduriger in december 2025. Bijna een hele week bleef het Louvre dicht. Weliswaar de week vóór de kerstvakantie, niet in de immens drukke periode daarna. Ze moeten nog een stok achter de deur houden mocht het water het personeel werkelijk aan de lippen staan.
Werkverlichting voor de medewerkers beheerst de agenda van het Louvre. Maar ook moet het paleis nodig opgeknapt worden. Het Louvre verkeert in slechte staat. Om dat probleem op te lossen is geld nodig, veel geld. In 2023 was de inkomstprijs 17 euro. Met de Olympische Spelen in het vizier rees de prijs naar 22 euro. Tijdelijke verhoging, werd beloofd. Dat bleek een illusie. De prijs is nog altijd 22 euro en sinds nieuwjaar is de prijs voor mensen buiten de EU ineens met 10 euro gestegen. Is dat een reactie op de tariefverhogingen van de Amerikaanse president? Toeristen uit zijn land vormen een groot deel van de jaarlijkse bezoekers. Hoe dan ook is 32 euro bijna een verdubbeling van de prijs 3 jaar daarvoor. Het Louvre, een nationale trots, is topprioriteit. Kennelijk schiet overheidssteun tekort. Geld wordt overal gezocht.
Daar komt overheen dat in februari 2026 een grootschalige fraude is ontdekt. Chinese organisatoren wisten met al gebruikte tickets het museum opnieuw binnen te komen. Als gids kijk ik daar van op. Er wordt streng gecontroleerd. Jongeren wordt bijvoorbeeld hun ID gevraagd om te checken of ze echt aansprak maken op de jongerenkorting. Toch wisten deze frauderende gidsen zo vaak de ingangspoortjes te passeren dat ze er 10 miljoen euro mee wisten op te strijken. Het geld werd belegd in onroerend goed in onder andere Dubai. Controleurs uit het Louvre zijn betrapt. Personeel werd omgekocht om een oogje dicht te knijpen.
En dan is er nog een ander heikel punt dat nodig op de agenda moet staan: de beveiliging. Dat is op 19 oktober 2025 pijnlijk duidelijk geworden voor het oog van de hele wereld. Enkele van de protserige juwelen werden op die zondagochtend gestolen. Als ik mensen meenam door de schoonheid van het Louvre kon ik dit vertrek onmogelijk links laten. De zaal van Lodewijk XIV – Salle d’Apollon - is prachtige versierd. In het midden van de ruimte achter glas prijkten enkele kronen, tiara’s en andere juwelen van de koninklijke familie. Hoeveel foto’s zijn hier wel niet van gemaakt. Een groot deel daarvan is weg, gestolen. Het beveiligingssysteem liet te wensen over. De juwelen zijn amper teruggevonden. Verdachten zijn gearresteerd, maar de opdrachtgevers die elders in de wereld zijn, lijken de dans te ontspringen.
Naar aanleiding van deze inbraak was de directeur, Laurence des Cars, bereid om af te treden. Zij werd teruggefloten. Typisch dat iemand, in een tijd waarin politici en bestuurders steeds minder verantwoordelijkheid lijken te dragen, zich vrijwillig terugtrekt en dat dat wordt geweigerd. 4 maanden later nam ze opnieuw ontslag. Deze keer, in februari 2026, heeft Macron het ontslag geaccepteerd en wordt ze ingezet als intermediair tussen verschillende andere grote musea.
De nieuwe directeur van het Louvre staat een serieuze taak te wachten: het gebouw beveiligen, renoveren, het personeel tevreden stellen en het museum klaarstomen voor de rest van de 21ste eeuw. Een van de grootste uitdagingen van het museum in de afgelopen 200 jaar. We volgen het met argusogen.
Lettres Persanes : een spiegeltje voor onszelf
Toen ik geschiedenis studeerde verdiepte ik me onder andere in de Verlichtingsdenker Charles de Montesquieu (1689-1755). Naast zijn invloed op de trias politica – de verdeling tussen wetgevende, uitvoerende en rechtelijke macht – leerde ik ook een ander boekje van hem kennen: Lettres Persanes (1721).
Deze roman bestond uit 161 brieven, de genoemde Perzische Brieven. Hoewel het fictief is, lijkt het net echt. De briefroman was een populair genre in de 18de eeuw. Denk bijvoorbeeld aan Goethes Die Leiden des Jungen Werthers. In die 161 brieven lezen we de wederwaardigheden van 2 Perzische mannen die kennis maken met ons continent. En dus ook met Frankrijk, een zeer zelfbewuste dus dominante staat in de toenmalige Europese lappendeken.
1 van de 2 Perzische hoofdrolspelers voelt zich verscheurd tussen de westerse maatschappij en zijn wortels. Hij aardt niet in het Parijs van de 18de eeuw. Zijn vriend daarentegen geeft de westerse samenleving meer krediet en voelt zich er beter thuis.
Wat mij in de schoolbanken het meest frappeerde was het effect van wat Montesquieu beoogde: hij wees naar het verschil tussen de Perzische cultuur en die van het westen. Maar wat doet de schrijver in deze roman nog meer? Op een bepaald moment draait hij de rollen om. Hij begint met zijn pen steeds meer de nadruk te leggen op de Parijzenaren van de 18de eeuw, hun eigenaardigheden en onhebbelijkheden. De vorm van een briefroman gaf de schrijver de gelegenheid om van standpunt te veranderen en verschillende omstandigheden te laten zien.
Montesquieu, als vooruitstrevend Verlichtingsgeest, geeft openlijk kritiek op de samenleving waaruit hij voortkomt. Dat dit niet geheel zonder risico was blijkt uit 2 zaken. Hij liet het boek publiceren in Amsterdam. Het Frankrijk onder de absolute monarch Lodewijk XV was hem te riskant. Bovendien durfde de schrijver zijn eigen naam niet onder de titel te zetten. Bang voor repercussies. Hij zei het boek uitsluitend vertaald te hebben.
De essentie was niet alleen om de menselijke gebruiken in Europa een spiegel voor te houden. Montesquieu wilde ons ook bewust maken dat wij niet het centrum van de wereld waren, maar dat wij ook leefden volgens conventies die heel vreemd konden overkomen bij andere culturen die niet per definitie minderwaardig waren. Dat was de rol van de 2 hoofdpersonages die uit exotische oorden kwamen. Die Perzen lijken aanvankelijk wel naïef, maar is onze manier van samenleving wel zo vanzelfsprekend? Het is de taak van de filosoof om hier vraagtekens bij te zetten.
De wijsgeer ging nog een stukje verder. In het boek stelt hij ook serieuze vraagtekens bij de gecentraliseerde macht van één monarch die in Versailles zat. Dit protserige paleis dat het toonbeeld was van de absolute macht. Ook de dominantie van de mannen (ten aanzien van vrouwen) wordt belicht in Lettres Persanes. De opsluiting van vrouwen in een harem wordt vergeleken met nonnen in een klooster, en celibataire priesters met eunuchen, gecastreerde mannen uit oostelijke culturen. Ook de overdreven hang naar uiterlijk vertoon en voorkomen worden aan de kaak gesteld. Vrouwen willen ten koste van alles er jong uit blijven zien. We hebben het over 300 jaar geleden! Botox was nog onbekend. Lettres Persanes is ook een spiegel voor ons leventje in de 21ste eeuw.
Daarover gesproken: ik denk ongeveer 20 jaar geleden zond de VPRO een documentaire uit over hoe nieuwe landgenoten of expads het ervaarden om om te gaan met de westerse gebruiken (met name die in Nederland). Dat was verfrissend en zo indrukwekkend dat ik een voorbeeld nog altijd (uit mijn hoofd) kan beschrijven. Een Nederlands spekende vrouw van verre herkomst kreeg via de school van haar kind een uitnodiging om bij een andere moeder iets te komen drinken. De deur stond immers ‘altijd’ open. Dat heeft de vrouw geweten. Nietsvermoedend belde zij rond een uur of zes aan. De deur ging open. Wat zei de Hollandse vrouw: “Nou, het komt nu niet zo goed uit, we zijn aan het eten.” Tot zover de Hollandse gastvrijheid – die kennelijk alleen van toepassing is als het uitkomt. Een spiegeltje uit een moderne Lettres Persanes.
David Bowie straat (bij 10 jaar overlijden)
David Bowie is 10 jaar dood. Op 8 januari zou hij 79 jaar zijn geworden. Sinds een jaar vind je hem ook terug op google maps. Een straat in het 13de arrondissement van Parijs, niet al te ver van Gare d’Austerlitz.
Deze plek is niet al te ver van de plek waar de Britse rockster zijn laatste concert gaf in de Franse hoofdstad. Dat was in oktober 2003. De straat is aangelegd als onderdeel van de ontwikkelingsoperatie Rive Gauche. De straatnaam werd in februari 2020 goedgekeurd door het stadhuis van Parijs. Bij wijze van uitzondering werd van de regel afgeweken dat iemand al 5 jaar dood moet zijn om een straat toegekend te krijgen.
Met spijt in mijn hart schrijf ik dat de Bowie-straat niet veel voorstelt. Kort, saai en ongeïnspireerd – het tegenovergestelde van de man zelf. Het is een straat ‘van bescheiden omvang ingeklemd tussen een modern gebouw en de gebouwen van de krant Le Monde,’ voegt het dagblad La Croix toe. En het zou ‘niet van veel belang zijn zonder de naam van het rockicoon om het te laten schitteren.’
Sommigen hadden ook hun bedenkingen bij een Bowie-straat in de stad Parijs. Dat is niet helemaal uit de lucht gegrepen. Bowie woonde in Berlijn, Los Angeles, New York… maar zijn band met Parijs was minder uitgesproken. Een andere vraag die rondzong was: Waarom zou Bowie een eigen straat krijgen terwijl iemand als Jim Morrison nog altijd wacht op een straat in de Franse hoofdstad? Hij woonde immers een half jaar in Parijs en is al meer dan een halve eeuw dood.
Volgens een andere krant Libération zou Bowie nogal zwakke banden hebben met Frankrijk. Dit wordt genuanceerd door een journalist die voor France Bleu schreef dat ‘David Bowie geen bijzondere band had met het 13e arrondissement, maar hij had sterke banden met Parijs.’
Dat is zeker niet te veel gezegd: hij kwam graag in Parijs. Parijs had ook de eer om de stad te zijn waar Bowie zijn vriendin, Iman, ten huwelijk vroeg. Op een boot in de Seine. Het was een huwelijk die zou voortduren tot aan zijn dood in 2016. En zelfs tot ver daarna. Onlangs heeft Iman gezegd dat ze zich nog altijd getrouwd voelt met haar man. Er gaat geen moment voorbij dat hij niet aanwezig is in haar gedachten. Bowie forever – en dat dus ook op de plattegrond van Parijs.
(Rue David Bowie bereik je met metrolijnen 5 en 10 achter station Gare d'Austerlitz.)
Gertrude Stein en Pablo Picasso: “the start of a beautiful friendship”
De jonge Pablo zat in zak en as. Kon er maar iets verandering brengen in zijn situatie. Die verlossende toverfee liet niet meer lang op zich wachten. Het werd geen aantrekkelijke dame. Integendeel, later noemde hij haar zijn enige vriendin. Deze benaming was een compliment, want platonisch bedoeld.
De naam van deze nieuwe vrouw in Picasso’s leven was Gertrude Stein. Zij was mannelijker dan vele van zijn mannelijke vrienden. Mannelijk qua stem en in haar manier van lopen. Ze was dik, kort en gedwongen. Haar markante gezicht vertoonde geprononceerde, regelmatige gelaatstrekken en intelligente ogen. Haar uiterlijk had iets Duits. Net als haar naam. Toch was Gertrude Stein overgekomen uit Baltimore, de Verenigde Staten. Samen met haar broer Leo. Ze was 29 jaar oud en ze zocht kunst. Geld en aspiraties nam ze als bagage mee. De kunstenaars in Montmartre liepen over van de kunst, maar hadden geen stuiver om aan hun kont te krabben. Een perfecte combinatie, zou je zo zeggen.
Zij werd Picasso’s fee in deze zware, uitzichtloze periode. Gertrude en Leo installeerden zich aan 27 rue de Fleurus, in de schaduw van Jardin du Luxembourg. Een van de mooiste locaties van heel Parijs. Hun appartement werd een zoete inval, een informeel trefpunt voor moderne kunstenaars. Ze inspireerden, zorgden voor nieuwe ontwikkelingen, oefenden een bevruchtende wisselwerking uit. Kunstenaar Modigliani kwam langs, net als zijn collega Matisse. Schrijver Ernest Hemingway kreeg (totdat ze gebrouilleerd raakten) scherpe feedback op zijn schrijfsels: “Begin maar overnieuw en blijf je concentreren!” Men zou later concluderen dat zijn typische, to-the-point-stijl mede vorm kreeg door de aanwijzingen van Stein. Zelf bleef ze tevergeefs op literaire waardering wachten. Haar bekendste dichtregel is: “Rose is a rose is a rose is a rose”. Ook ik heb er mijn hoofd over gebroken, maar het is me nooit gelukt de code te kraken. Is dat de pointe van deze hermetische poëzie? Haar bedoeling was om het kubisme te integreren in de poëzie. Hoe dan ook, de dichtregel is vaak besmuikt geweest.
Stein geloofde in Picasso’s kunst en begon zijn kunst te kopen. De Spanjaard woonde toen nog hoog op de heuvel, vlakbij zijn atelier Bateau Lavoir. Door haar verzamelwoede van zijn werken verloste Stein hem van de bedelstaf. In deze periode rond 1909 verhuisde hij naar de Boulevard Clichy, vlakbij Place Pigalle. Picasso’s tijd als berooid kunstenaar was voorbij!
Ik sluit graag af met een meesterlijke anekdote over hun relatie. Het gaat over het inmiddels beroemde Portret van Gertrude Stein. Gertrude had al meer dan 80 keer geposeerd voor Picasso maar de Spaanse meester kon er maar niet zijn vinger op leggen. Uiteindelijk schilderde hij op een middag het hele portret over. “Ik kan je niet meer zien als ik kijk,” zei hij tegen een verbijsterde Gertrude. Hij besefte dat hij met bestaande vormen geen uitdrukking kon geven aan het onuitgedrukte in hem. Uiteindelijk, toen zij weer eens helemaal van Saint Germain naar Montmartre was gekomen, voltooide Picasso het portret van Gertrude Stein in één enkele zitting. “Hij schilderde mijn hoofd zonder me eerst gezien te hebben en gaf me het schilderij en ik was en ben nog steeds tevreden met mijn portret; voor mij ben ik het en het is de enige afbeelding van me die altijd ik is, voor mij.” Gertrudes vaste vriendin Alice B. Toklas vertelde Picasso op een avond hoe mooi ze het portret vond. Hij antwoordde gevat: “Iedereen zegt dat het niet op haar lijkt, maar dat geeft niets, dat komt wel.” 😊
Deels ontleend aan: Arianna Stassinopoulos, Picasso. Vernieuwer en Vernietiger, en: Rob Kemps, Hemel op Aarde.
Annie Girardot
Ik kan me niet meer herinneren hoe ik het tegenkwam. Maar het beklijfde wel. Zoals het mij in mijn jeugd vrijwel iedere week overkwam - achteraf gezien. Dat was toen ik de wereld ontdekte, op mijn slaapkamer. En dat zonder internet!
Nu komt het nog slechts een enkele keer per jaar voor. Zoals die keer, enkele jaren geleden, op youtube. Was het toeval of lag er een aanleiding aan ten grondslag? Ik weet het niet meer. Maar op een bepaald moment kwam ik het fragment tegen. Uit een film. Misschien was het een algoritmische associatie met de film Un Homme et Une Femme. Hoe dan ook, ik kwam terecht bij een fragment uit de film Un Homme Qui Me Plaît. Een titel die ik erg mooi vind: “een man die me bevalt”. Heel sec en erg betekenisvol. Je komt immers weinig mensen tegen die je ‘bevallen’. Ook de lijdende vorm vind ik erg mooi in het Frans. Hoewel, het is misschien niet eens een lijdende vorm. Het is meer een omwisseling van onderwerp en lijdend voorwerp. Die hoor je in de Nederlandse taal amper; zeker minder dan in het Frans of in het Engels.
Maar daar bleef het niet bij. Ook de melodie onder het filmpje, van Francis Lai, was intens en elegant tegelijk.
En dan het acteren. Het verhaal, maar vooral het acteren. Er wordt wat af geacteerd in films en series en op het podium. En het acteren is vaak té zichtbaar. Zelden zie je ineens het echte leven verschijnen in een acteerprestatie. Hier was iets anders zichtbaar: alle registers die door een mensenlichaam kunnen snijden in een halve minuut: verlangen en nieuwsgierigheid, twijfel, ingehouden angst, ongeloof, verachting, een onsje relativering; intens verdriet bij een dieper besef, schaamte voor het zelfbedrog dat wordt weggelachen, moedeloosheid en tenslotte de eenzaamheid als trouwste metgezel. Opnieuw.
Toen ik het stilspel op de luchthaven onder die hemelse klanken had gezien, bleek ik naar Annie Girardot gekeken te hebben. Ik herkende haar vaag. En dan te bedenken dat ik haar in mijn studententijd de moeder had zien spelen in La Pianiste, de film waarin Isabelle Huppert als de dochter excelleerde. Met deze 2 actrices zijn we echt op niveau bezig! Maar dat even terzijde. Dit fragment van Un Homme Qui Me Plaît van 3 minuten koesterend, heb ik eigenlijk nooit de volledige film willen zien (waarin Jean Paul Belmondo verschijnt als “l’homme qui lui plaisait”).
De film dateerde uit 1969, de laatste jaren van de belofte die in de jaren nadien geleidelijk overging in de kater. Ook voor Girardot. Voorlopig zat ze in de jaren 70 nog op rozen. De Fransen gingen massaal naar de cinema om de ‘nieuwe Girardot’ te bekijken. Maar in de jaren ‘80 lag haar carrière in stukken op de grond. Ze was aan de heroïne geraakt, dronk te veel en verloor haar prachtige appartement aan Place des Vosges, één van meest charmante verborgenheden van Parijs.
Ik vond nog een ander fragment van haar, vele jaren later. In die periode hernam ze voorzichtig haar filmcarrière in een bijrol in Les Misérables. Geëerd met een César, de Franse Oscar, kwam in haar dankwoord op die ene avond in 1996 veel los aan emoties, zoals de zon soms door een spleet in een totaal overspannen wolkendek een kort moment vrij spel heeft. Een oprechte acteerprestatie. De César was eigenlijk een ode aan een unieke actrice die had geleefd voor de cinema en die was geleefd door diezelfde cinema. In een lijdende vorm.
Over Collège de France
Van jongs af aan ben ik gefascineerd door het fenomeen tijd. Het is iets dat we allemaal met ons meedragen. Zoals er altijd weer is - of het nu regent, een hittegolf of windstil is -, zo is er ook altijd tijd. En hoe langer we leven hoe meer tijd er achter ons ligt in plaats van voor ons. Die zandloper loopt door zolang ons hart blijft kloppen.
Klinkt dit misschien al lichtelijk filosofisch, er is een Franse wijsgeer geweest, Henri Bergson (1859-1941), die er nog veel dieper over nagedacht heeft dan wij allemaal. Vooral de ervaring van de tijd – la durée – was zijn oerconcept. Nu is Bergson vrijwel vergeten, maar toen hij leefde was hij één van de beroemdste filosofen van allemaal. Als hij college gaf puilde de aula uit. Er stonden studenten en andere toehoorders buiten aan de deur en aan de ramen mee te luisteren. Alsof hij een visionair was die verlossing bracht.
Waar gaf hij les als Parijse filosoof? Je zou zeggen: in de zalen van de Sorbonne universiteit. Niets is minder waar. Professor Bergson gaf college aan de andere kant van Rue Saint Jacques. In de Collège de France.
Ik citeer uit zijn biografie: Het Collège de France was in de 16de eeuw gesticht als tegenhanger van de toen al 300 jaar oude Sorbonne, die volgens het nieuwe Collège geen aansluiting meer had bij het renaissancistische elan dat zich door Europa verspreidde. Aan de Sorbonne werd uitsluitend in het Latijn lesgegeven volgens het middeleeuwse quadriviumsysteem, en studenten leerden op scholastische wijze disputeren, een methode van debatteren waarbij minimaal mocht worden afgeweken van tradities en bestaande leerstellingen. In 1530 stichtte koning François I, beschermheer van de vrije kunsten (hij was de man die de Mona Lisa kocht), op aanraden van humanistische vrienden het Collège Royal, dat later Collège de France ging heten. Het was een plek waar kennis vrijelijk, buiten de beperkende muren van de universiteit, gedeeld kon worden. Tot op de dag van vandaag reikt het Collège geen diploma’s uit en kent het geen toelatings- of inschrijvingseisen. De tientallen colleges in de natuur- en geesteswetenschappen die er elke week gegeven worden, zijn openbaar. De instelling is voor iedereen toegankelijk.
Bergsons grote droom was niet aan de Sorbonne les te geven. Dat instituut was eind 19de eeuw al hopeloos verouderd: De Sorbonne en het Collège de France werden slechts door een paar straten van elkaar gescheiden, maar de 2 onderwijsinstellingen hadden net zo goed op verschillende planeten kunnen staan. Aan de gerenommeerde Sorbonne had een deel van de studenten het gevoel dat de bron van kennis en ontdekking aan het opdrogen was. Waar ooit naar diepere betekenissen werd gezocht, kregen de studenten nu slechts exegetische verhandelingen voorgeschoteld. Sorbonne was in de ogen van tijdgenoten ouderwets geworden.
We zijn nu 100 jaar later, maar nog altijd kun je het gebouw binnenstappen aan Rue des Écoles om je te laten onderdompelen in welke wetenschap ook en daar een uur lang naar zitten luisteren. Ook jij bent welkom in het hartje van Quartier Latin.
Informatie ontleend aan: Emily Herring, Henry Bergson.
Sorbonne universiteit
Bologna was de eerste. In 1096. Snel daarna ontstonden de universiteiten van Oxford, Cambridge en Parijs. Dat was in de volle Middeleeuwen. De heilige Lodewijk IX was koning, de Notre Dame stond in de steigers, de relieken, gekocht van het noodlijdende Oost-Romeinse Rijk, konden worden ondergebracht in het splinternieuwe Saint Chapelle. Rond 1250 stichtte Robert Sorbonne de naar hem genoemde universiteit. Aanvankelijk werden lessen gehouden in de open lucht of in kerken. Ooit liep dat faliekant af; de studenten gedroegen zich als beesten en waren niet meer welkom. In de buurt werd volop Latijn gesproken in die eeuwen. Niet alleen in de collegebanken, maar ook op straat tussen studenten onderling en met professoren. Daaruit ontleende Quartier Latijn zijn naam. Kennelijk roddelden Parijzenaren uit andere buurten over “die daar in het Latijnse Kwartier”.
Hoe belangrijk de school was in de Middeleeuwen bleek uit de klassieke indeling van de stad. Parijs bestond uit 3 parten: Ville aan de rechteroever, Cité was het eilandje van de Notre Dame, en de linkeroever heette Université.
Het hoofdgebouw zoals we dat nu kennen dateert uit de 17de eeuw. De tijden waren veranderd, de machtige koningen uit de Bourbon-dynastie deden hun intrede. Het was onder koning Lodewijk XIII, dat dit gebouw werd opgetrokken. De macht van deze koning werd vooral verpersoonlijkt door zijn assistent, Eerste Minister en kardinaal Richelieu. De beruchte Richelieu, die vooral bekend is uit de Drie Musketiers, was puissant rijk, ultra-machtig, deelde de (politieke) lakens uit en liet in Parijs verschillende sporen achter. Gebouwen die hij initieerde en die er nog altijd staan zijn de St. Paul kerk in Marais (Jezuïeten zaten hier), Palais Royal en het gebouw van de Sorbonne, in het bijzonder de Ursula Kapel, tegenover het sfeervolle Place de la Sorbonne. Hij is kennelijk begraven onder deze kapel. Zijn diepste wens was om een staatsbegrafenis te krijgen. Maar zijn populariteit was omgekeerd evenredig met zijn macht. Die hommage kon hij dus op zijn buik schrijven.
Tegenwoordig is het hoofdgebouw buitengewoon moeilijk toegankelijk. Bij iedere ingang staan strenge bewakers je studentenkaart te controleren. Ik heb al 3 keer geprobeerd om er binnen te raken. Mijn studententijd ligt al een tijdje achter mij, dus het is me nooit gelukt. Enkele jaren geleden liep ik met 3 dames uit New Jersey door de straat: oma, moeder, en de dochter van rond de 20. Ik vroeg aan die laatste of ze iets voor mij wilde doen. Terwijl wij aan de overkant liepen, zou zij proberen om met haar Amerikaanse studentenkaart de cour op te komen. Ik zag de bewakers verbaasd kijken naar haar studenten-ID. Ze had geen enkele kans, ze werd vriendelijk verzocht om op straat te blijven. Waarom is dit beleid zo streng? Een jaar of 10 geleden is kennelijk een student aangevallen met een mes en sindsdien is de toegang strenger geworden.
In 2020 werd er ook een herdenking georganiseerd op het middelplein van het Sorbonne gebouw die op televisie werd uitgezonden. Dat was ter nagedachtenis van de leraar geschiedenis en geografie Samuel Paty die slachtoffer was geworden van een terroristische aanslag op school nadat hij een afbeelding van profeet Mohammed had laten zien en zo neutraal mogelijk erover had verteld zoals hij ook andere religies had behandeld. Aan de overkant van de Sorbonne is de charmante square sinds 2021 naar hem vernoemd. Een schrale troost voor iemand die de vrije waarden van de Franse Revolutie voorstond en nauwgezet zijn werk als docent op een middelbare school deed.
Tot slot aan de rand van deze tuin, aan de toepasselijk geheten Rue des Écoles, zit rustig en ontspannen de filosoof Montaigne te kijken op het Sorbonne gebouw. Hij is de uitvinder van het essay en gaf les aan de universiteit. Zijn hele beeld is donker van de oxydatie, op zijn schoen na. Die blinkt in het goud. Studenten hebben de avond voor een examen vaak ‘geen tijd’ om te studeren. Om toch de nodige portie geluk te hebben strelen ze met hun hand over zijn schoen, steken over en gaan het gebouw binnen om er het beste van te maken. Wie kent dat gevoel niet?
Ps: Afgelopen zomer, 2025, ben ik toch op het middelplein geweest. Ik stond op een zaterdagmiddag het bovenstaande verhaal te vertellen aan gasten en een bewaker kneep een oogje dicht en liet mij binnen. Voor 5 minuten. ‘Bij hoge uitzondering’, zeg ik er graag bij. 😊
Golden Earring in Parijs
Als Golden Earring fan was de zomer van 2025 een verdrietige. Mijn favoriete Earring, George Kooymans, is op 23 juli jl. overleden aan de gevolgen van ALS. Het deed me goed dat de diskjockeys op de radio de erkenning brachten dat Kooymans de motor en het creatieve brein van de Earring was. Hij schreef het overgrote deel van de muziek van de band - van Please Go in 1965 tot aan Say When, hun laatste single uit 2019.
Ik heb alle cd’s van en boeken over de band. Maar een uitgebreide, gedetailleerde biografie van begin tot einde ontbreekt. Dan ga ik het zelf synthetiseren op basis van al het materiaal dat voorhanden is, dacht ik 10 jaar geleden. Zo gezegd zo gedaan: 7 jaar later was ik 800 pagina’s verder. En daaruit citeer ik hieronder over de Earring in Parijs. Eerlijk is eerlijk, zo heel vaak heeft de band Frankrijk niet aangedaan. De Hagenezen hadden het vizier meer gericht op de Angelsaksische wereld.
De eerste keer dat de Earring Parijs aandeed was in 1966. We schrijven de dagen van de klassieker That Day. Hun eerste impresario Jacques Senf (die later theaterproducent werd): ‘We zijn bijvoorbeeld naar Stockholm gevlogen. We hadden er wel niks te zoeken, maar in de Teenbeat stond toch maar mooi dat de Earring naar Stockholm was geweest. En dat imponeerde natuurlijk. En naar Parijs op de Eiffeltoren. Ik heb de foto’s zelf gemaakt: “Golden Earrings in Parijs.” We hebben daar geen noot gespeeld, we zijn alleen ’s nachts dronken geworden in de nachtclub. Maar het hielp. Plotseling leek het of we internationaal aan de weg aan het timmeren waren.' Dat was dan te lezen in Muziek Express: ‘Dat ook het buitenland zich bewust is van hun kwaliteiten, blijkt uit de succesvolle tournees die zij met de regelmaat van een klok ondernemen. Zo zijn de Earrings graag geziene (en gehoorde) artiesten in Parijs, Brussel, Stockholm en Hamburg.’
Kennelijk liepen de Earrings niet alleen op de Eiffeltoren, want onlangs vond ik op Facebookpagina van de fanclub een foto uit 1966 - op de trappen van Montmartre. Genomen door Herman Kooymans, de broer van George. Op de Rue Drevet tussen de Rue de Trois-Frères en de Rue André Barsacq. De straten waar Van Gogh en Picasso woonden en werkten. En die ik als gids vrijwel wekelijks passeer.
Ook Golden Earring heeft, zoals vrijwel alle groten der aarde, opgetreden in het beroemde Parijse theater Olympia. Dat was op 23 november 1968. Just A Little Bit Of Peace In My Heart was toen een grote hit in Nederland. George Kooymans: ‘(…) toen hebben we in het Olympia gespeeld. Met de Equals en met die jonge jongetjes van Les Irrésistibles.’ OOR-journalist Pieter Franssen: ‘De eerste keer dat ze in Parijs optraden, als een van de zes groepen uit de Olympia, reed fotograaf Claude Vanheye mee. Met zes man in een personenauto, leven op hamburgers en slapen in een aggenebbisj hotel voor 45 gulden per nacht samen op een kamer met Jaap Eggermont.’ Muziek Expres deed verslag: ‘Momenteel hebben we in de Earrings een band van internationale klasse, die het reeds gepresteerd heeft om in het Olympia theater in Parijs meer succes te boeken dan dé Equals. Dat is geen flauwekul, maar de waarheid. Bassist Rinus Gerritsen vertelde ons (…): "Het publiek had er die avond duidelijk de balen van. Ze floten en joelden en terwijl we tussen de coulissen stonden, vroegen we ons huiverig af wat dit moest worden, want niemand kende ons tenslotte in Frankrijk. Maar na een paar nummers was het bekeken en stonden we zelf een beetje te kijken van het geweldige applaus dat we kregen".’
In 1972, toen de Earring intussen de populairste rockband van Nederland was geworden, toerden ze in het voorprogramma van The Who door Europa. Deze tournee bleek later de opmaat voor de doorbraak in Engeland en de Verenigde Staten met Radar Love. Na een maand lang 16 steden in 9 landen te hebben afgewerkt eindigde deze tour op 14 september. Gemiddeld speelden ze voor 10.000 mensen. Maar in Parijs was het andere koek. Tijdens het festival La fête de l’Humanité zagen maar liefst 400.000 mensen Golden Earring in hun hoogtijdagen.’
An Englishman in Paris
Natuurlijk was er de Oostenrijkse keizerin Elizabeth, die hij ook kleedde, maar Parijs had haar eigen Sissy: Eugenie. Eugenie was de echtgenote van Napoleon III en keizerin van Frankrijk. Totdat de Duitsers haar en haar man in september 1870 dwongen af te treden. Maar in de flamboyante 20 jaar daarvoor flaneerde zij op verschillende Wereldtentoonstellingen, in en rond het Tuileriepaleis, en op de bals en diners die denkbeeldig nog dagelijks zijn te aanschouwen in de exorbitante appartementen van het Louvre.
Eugenie verkleedde zich enkele malen per dag. Daar moet uren in hebben gezeten! Ze bezat 100’en verschillende ontwerpen voor allerlei soorten gelegenheden en momenten op een dag. Ze moest er niet aan denken om 2 keer in hetzelfde ontwerp te verschijnen tijdens officiële gelegenheden. Is er zoveel veranderd in al die jaren? Verschijnt Maxima ooit in een ontwerp dat ze al eerder gedragen heeft?
De favoriete couturier van Eugenie luisterde naar de naam Charles Frederick Worth. Samen met Otto Gustav Boberg verwierf hij in 1859 het alleenrecht om de Franse keizerin te kleden. Eugenie viel als een blok voor zijn creaties nadat zij door een vriendin bij Opigez & Gagelin gewezen was op een japon van zijn hand. Ze was verkocht.
Eugenie werd de eerste muze van Charles Frederick Worth. En ze gaf graag aan hem toe, ook als ze iets anders in gedachten had. Daarom noemde ze hem ook wel "de tiran van de mode". Vanaf toen was Worth’ kostje gekocht. Hij wist te infiltreren in het mondaine wereldje van de mode. Dat was een gigantische prestatie. Worth kwam van Engeland. Hij vestigde zich aan de Rue de la Paix, gelegen in het verlengde van het legendarische Place Vendome, nog altijd het mekka van de mode in Parijs. Worth wordt ook wel de eerste haute couturier in de geschiedenis genoemd. Hij was de eerste die modeshows organiseerde om zijn creaties te promoten. Hij was de eerste die zijn naam verbond aan zijn creaties, zoals te lezen was op de labeltjes: niet minder dan een omwenteling in de modemarketing. En dat allemaal door een niet-Fransman! In Parijs!
In 1870 stortte de wereld in. Het Keizerrijk werd definitief ingeruild voor de Republiek. De geschiedenis zou nooit meer terugkomen. Maar Charles Frederick Worth ging het beter dan ooit; zijn imperium begon vleugels te krijgen. Tijdens de Derde Republiek werd Parijs het middelpunt van plezier en vertier. De wijk rond Opéra Garnier was het epicentrum van deze bijzondere periode die ook wel Belle Epoque wordt genoemd. Zonder dat ze het helemaal doorhadden was deze periode een overgang van het oude naar het nieuwe. Het tijdperk van actrice Sarah Bernhardt, schilder Claude Monet, staaldromer Gustave Eiffel, schrijver Marcel Proust… En wie kleedde deze intrigeerde periode op? Juist, Charles Worth. Dat was minstens 1 tot 2 generaties voordat Coco Chanel (in dezelfde wijk) na de Eerste Wereldoorlog de vrouw emancipeerde.
Een Parijs zonder hof en hofbals maakte Worth melancholiek. Hij miste de verbannen keizerin en zond haar ieder jaar een boeket viooltjes van Parma, samengebonden met een lint waarop in goudborduursel zijn naam stond. Worth ging zich meer en meer concentreren op de export, op kleding die in licentie werd gemaakt èn op verkoop via de grote elektrisch verlichte warenhuizen die in die jaren hun deuren openden. Denk aan Printemps, Bonne Marché en natuurlijk Galerie Lafayette. Zo bleef het huis van Worth uiteindelijk bestaan tot na de Tweede Wereldoorlog.
Wil je dit universum zelf ervaren? Echt klassieke creaties zoals we die uit de Sissy-films kennen met Romy Schneider? Kom dan naar het onvolprezen museum Petit Palais voor een prachtige tentoonstelling over de pionier Charles Frederick Worth. Te zien tot september.
De Franse Revolutie en het verzet tegen de kniebroek
Enkele weken geleden schreef ik over de eerste haute couturier, Charles Frederick Worth. Maar ook vóór zijn tijd onderscheidden mensen zich al door hun manier van kleden. Zoals tijdens de Franse Revolutie, die dezer dagen 236 jaar geleden officieel van start ging.
Met name de sans-culottes maakten hun punt door middel van hun kledingstijl. De sans-culottes was een grote groep rebellen die weigerde koninklijke gewaden te dragen. Zij waren immers in verzet tegen de oude machthebbers. De sansculotten vertegenwoordigen het gewone volk. Dan moet je denken aan boeren, maar ook vrije beroepen, zoals winkeliers en kleine handelaren - retail zouden we tegenwoordig zeggen. Maar ook ambachtsmensen en handwerklieden. In het algemeen leefden zij vrij eenvoudig, zonder al te veel luxe. Ze waren zeker geen proletariaat, maar niettemin flink gekant tegen het ancien regime.
De sansculotten lieten zoals gezegd hun kleding voor zich spreken. Een culotte is letterlijk een onderbroek, slipje. In de context van de Franse Revolutie betekent het dat deze groep een sans-culotte droeg, ofwel: ze waren kniebroekloos. Een kniebroek, zo’n knickerbocker, was een broek - de naam zegt het al - tot net onder de knieën. Zo’n geval werd in het ancien regime gedragen door de adel en de betere burgerij. Ik kan me herinneren dat ik als klein kind ook soms zo’n halve broek moest dragen van mijn moeder. Die knelde verschrikkelijk onder mijn knieën - de hele dag! En ik ben niet eens van adel! De sansculotten boycotten zo’n kniebroek van de aristocratie, zij droegen daarentegen een pantalon, een broek die tot op de enkels hing. (En dan had je ook nog een adellijke groep die bas-de-soie genoemd werden, zijden kousen.)
Door hun politiek-revolutionaire rol werden de sansculotten bespot als soldaat tijdens de Eerste Franse Republiek. Naast hun broek onderscheidden de sanculotten zich ook door een rode muts op het hoofd, droegen een kokarde (een insigne, een soort vaantje) en ze waren lid van de Club van de Cordeliers. Ze noemden elkaar citoyen, zoals de filosoof Jean-Jacques Rousseau had gedicteerd. Ze waren voor directe democratie. Op de lange termijn – in de 20ste en de 21ste eeuw - hebben ze (voorlopig) hun zin gekregen.
Over die lange adem gesproken, grappig genoeg dragen de meeste mensen vandaag de dag nog altijd pantalons en geen culotten of knickerbockers (op een kleuter uit Breda na 😉). Zo ook op 14 juli tijdens de verjaardag van de Franse Revolutie. En als de hittegolf blijft duren, zal het volk tijdens het zwemmen in de Seine, de barbecue en het vuurwerk nog veel minder dragen dan een culotte of pantalon.
Lapin Agile
Ergens op de begraafplaats van Père Lachaise, tussen de 70.000 andere graven, vinden we het opvallende grafzerk van André Gill. Parmantig steekt zijn buste boven het graf uit. Haar in een waaier, parmantige snor en een omvangrijke vlinderdas. Van beroep was hij een karikaturist. Hij portretteerde of liever bespotte vele beroemdheden uit de 2de helft van de 19de eeuw. Cultuurmensen zoals Victor Hugo, Richard Wagner, Alexandre Dumas père, Georges Bizet, Charles Dickens, Jules Verne vonden het een eer; typische 19de-eeuwse politici zoals Léon Gambetta en Adolphe Thiers vonden het een last.
Naast karikaturist was hij ook een liefhebber van zingen. Dat deed hij vooral in Montmartre. In Cabaret des Assassins, een bar die vernoemd werd naar de foto’s van beroemde moordenaars aan de muur. Gill werd uitgenodigd om een uithangbord te maken en schilderde een vrolijke konijn dat uit een pan springt. Doordat deze prent zo opviel werd de bar in de volksmond al snel Le Lapin à Gill genoemd. Het konijn van Gill. Verbasterd tot Lapin Agile, wat zoiets betekent als het “kwieke, dynamische konijn”.
Het publiek in deze “cabaret artistique” waren armzalige dichters en schilders, zoals Apollinaire, Picasso en Modigliani. Zo was er bijvoorbeeld ook le Chat Noir waar chansonnier Aristide Bruant tegen zijn publiek foeterde en sociaalkritische liederen zong. Kunstenaars zoals Renoir, Van Gogh en Toulouse-Lautrec waren hier vrijwel meubilair. Terwijl ze aten werd er gezongen en gedanst.
Voor weinig geld had je een voedzame maaltijd en kon je je volgieten. En als je dat niet kon betalen liet je een schilderijtje achter, zoals Picasso deed met zijn Harlequin. Maar net zo goed zaten studenten, anarchisten en pooiers naast gegoede burgers. De dwarsdoorsnede van de bevolking van Montmartre rond 1900.
Die Harlequin van Picasso hangt nog altijd aan de muur van Lapin Agile. 2 jaar geleden heb ik het bezocht. Ik kwam terecht in een ruimte niet veel groter dan een riante woonkamer. Andere gelukkigen van deze avond druppelden langzaam binnen totdat we samen zaten met 7 lokale zangers (waaronder de huidige bejaarde eigenaar van Lapin Agile) en ongeveer 25 luisteraars. De zangers namen ons samen met een begeleidende pianist mee op reis langs de rijke Chansongeschiedenis. Het was een willekeurige reis, dus een echte: geen idee wat de volgende afslag zou kunnen zijn. We werden vriendelijk gewenkt om mee te doen, ook al kenden de meesten de tekst amper. We vulden maar in: “Oui, oui, oui, non, non, non…” (Les Chevaliers de la Table) of : “Chante chante la vie chante” (Michel Fugain). Niet al te ingewikkeld.
Ik zong mee met Emmenez-Moi van Aznavour, toevallig een persoonlijke favoriet. Piaf kwam langs, bezongen door een nog jonge ambitieuze Parisienne. We zongen of neurieden allemaal Sous le Ciel de Paris. Haar collega zangeres zong solo Dis, Quand Reviendras-Tu?, het meesterwerk van Barbara. Een andere, al wat meer ervaren zangeres bracht met haar akoestische gitaar zelfs Chuck Berry opnieuw tot leven. In het Frans. Ze eindigde haar solo-optreden met de hippieklassieker Une Belle Histoire. Onder het zingen of luisteren ging de cerise-wijn in het rond.
Gelegen tussen de enig overgebleven wijngaard van Montmartre en het kleine kerkhof Saint-Vincent. Een idylle van een avond. Als je jezelf een bijzonder cadeau wilt geven in Parijs, boek een avondje Lapin Agile. Dichterbij echte Parijzenaars kom je niet snel.
Is het nu Art Nouveau of Art Déco ?
Vraagt u zich ook wel eens af: hoe hou ik Art Nouveau en Art Déco uit elkaar?
Van Art Nouveau onthoud ik altijd: geen enkele rechte lijn. Vrijwel altijd gekruld. Veel bloemenmotieven, soms zelfs dierensculpturen. Natuur speelt een belangrijke rol. Inspiratie vonden schilders en architecten veelal in de plantenwereld.
Art Nouveau kwam op aan het einde van de 19de eeuw. Parijs had net weer een Wereldtentoonstelling achter de rug, die met de Eiffeltoren. Parijs was op haar hoogtepunt toen Art Nouveau (Jugendstil) floreerde. Vandaar dat je tijdens het Belle Époque (+/- 1880-1914) héél veel Art Nouveau tegenkwam in de stad.
Zoals in het residentiële 16de arrondissement. Vooral tussen de wijk Passy en Trocadéro. Zo veel dat ik er zelfs een tour van zou kunnen maken. Als je vanaf Trocadéro de Seine oversteekt kom je uiteraard onder de Eiffeltoren terecht. Enkele straten naast de Eiffeltoren vinden we Avenue Rapp waar één van de mooiste Art Nouveau huizen staat. Maar eigenlijk in de hele stad vind je sporen van Art Nouveau in het straatbeeld: denk aan de ingangen van de oude metrohaltes. Ontworpen door één van de meest toonaangevende kunstenaars van de artistieke beweging: Hector Guimard. Midden in de Joodse buurt van Le Marais ontwierp Guimard misschien wel het soberste art nouveau-gebouw: de synagoge Agoudas Hakehilos (1913). Bovendien: een ruim assortiment van binnenhuis Art Nouveau vind je op een aparte afdeling van Musée d’Orsay.
Na de Eerste Wereldoorlog was de tijd van Art Nouveau voorbij. In de loop van de vrolijke jaren 1920 kwam Art Déco op. Gepresenteerd tijdens een Parijse tentoonstelling van arts décoratifs begon de nieuwe kunststroming haar invloed uit te oefenen. Art Déco was een mengeling van kubisme, expressionisme, nieuwe zakelijkheid en machine-esthetiek. De materialen waren roestvrij staal, zilver en messing. De Amerikaanse wolkenkrabbers, zoals Chrysler Building en Empire State Building in New York, zijn exemplarisch voor deze architectonische stijl.
Maar ook in Parijs vinden we tal van gebouwen die uit deze periode dateren. Er valt niet naast te kijken: Art Déco is vooral symmetrie, orde, rechte lijnen en geometrische vormen. De creaties van architect Le Corbusier spreken boekdelen. Het hierboven genoemde Trocadéro (Palais de Chaillot) en het belendende Palais de Tokyo zijn grote mastodonten in Parijs. Ook rond de Grands Boulevards vind je Art Déco. Wat denk je van het theater Folies Bergères, waar Josephine Baker furore maakte? Of Grand Rex, de grootste bioscoop van Europa, met een zaal van 3000 zitjes. Vergelijkbaar is het theater Louxor, vlakbij Montmartre. Tot slot vinden we aan de westrand van de stad één van de mooiste zwembaden van Parijs: Molitor, vlak naast het tennispark van Roland Garros. Een verborgen pareltje.
In Parijs valt er voldoende Art Nouveau en Art Déco te ontdekken om een hele mid-week op te vullen. Liefhebbers zijn van harte uitgenodigd.
De beroemdste kaart van Parijs
Voordat het Top 40 Hitdossier mijn persoonlijke bijbel werd (en altijd is gebleven), nam ik mijn Bosatlas vrijwel altijd overal mee naartoe. Ik wilde altijd weten waar ik was. Zelfs als we naar opa en oma gingen (die altijd op hetzelfde adres woonden) nam ik de Bosatlas mee. Dat was hemelsbreed 5 kilometer van ons eigen huisadres. De jaarlijkse vakantie naar Zeeland was uiteraard helemaal een hoogtepunt voor mij en mijn Bosatlas. Had googlemaps in mijn kinderjaren bestaan dan was ik waarschijnlijk altijd in opperste staat van opwinding geweest.
We hebben allemaal onze afwijkingen.
Toen ik geschiedenis studeerde had ik op mijn bureau altijd de Putzger liggen: de ‘historischer Weltatlas’. Dit Duitse standaardwerk geeft een prachtig overzicht van alle historische ontwikkelingen vanaf de prehistorie uitgedrukt in kaartjes. Gigantische rijkdom.
Ook over de topografische geschiedenis van Parijs bestaan talloze publicaties. Losse plattegronden vind je bij de bouquinists langs de Seine, de grootste openluchtboekhandel ter wereld. Zo hangen er in mijn kamer enkele kaarten van het Parijs van de 16de eeuw tot aan 1900.
Er is één kaart die alle andere naar de kroon steekt. Dat is de beroemde plattegrond uit 1739, die van Turgot. Een bijzondere kaart die wordt toegedicht aan Michel-Étienne Turgot. Hij was de prévôt des marchands de Paris, ofwel een soort burgemeester van Parijs. Hij was niet de technische of artistieke uitvoerder, maar ‘slechts’ de opdrachtgever van het in kaart brengen van de toenmalige stad. De werkelijke tekenaar luisterde naar de naam Louis Bretez. Deze graveur, cartograaf en ontwerper van architectonisch versieringen kreeg de toestemming om exclusieve herenhuizen en tuinen te betreden. Zo kon hij ongeremd metingen verrichten. Het kostte hem niet meer dan 2 jaar om aan dit prestigieuze project te werken: van 1734 tot 1736.
De grenzen van Parijs waren toen ongeveer als volgt: aan de oostkant de gevangenis van Bastille, aan de westkant Hôtel des Invalides, aan de noordkant de poorten (St. Denis en St. Martin) van Lodewijk XIV en aan de zuidkant de wegen waar tegenwoordig Boulevard Montparnasse ligt. Opvallend is dat kaarten eeuwenlang het oosten als bovenzijde hadden, en het noorden lag aan de linkerkant. Zo ook op de Turgot-kaart. Tot wanneer werd dit gebruik gehandhaafd en wat was de reden? Het woord oriëntatie - oriënt betekent oosten - verwijst daar naar. De oriënt is de plaats waar de zon opkomt en de nieuwe dag begint. Het oosten is de windrichting waar niet alleen de dag, maar ook de nacht begint. 'Het eerste uur van de nacht' is dus in het oosten. Vandaar dat kaarten eeuwenlang het oosten bovenaan hadden staan.
Maar er is ook een andere traditie. Ptolomeüs (90-168 na Chr.) hield ervan om het noorden aan de bovenkant te tekenen. Vermoedelijk omdat de 'belangrijke' landen in de wereld die hij kende noordelijk lagen. Pas veel later werd het algemeen gebruik om het noorden altijd bovenaan te plaatsen. Zo leren wij dat ook op school. Maar ook dit is, zoals vrijwel alles, niet vanzelfsprekend. Andere theorieën vertellen ons dat het kompas debet is aan het noorden bovenaan, door het magnetische noorden. Dat de Europeanen hierbij zichzelf in het centrum van de wereld plaatsten mag niet over het hoofd gezien worden.
Het mooiste aan de Turgot-kaart is dat de plattegrond zéér gedetailleerd driedimensionaal is. Soms zijn details nog interessanter om te ontwaren dan het volledig overzicht. Uiteraard zegt een beeld meer dan duizend woorden en dat geldt ook hier. Toch een poging met woorden: zo zien we op de kaart van Turgot de beruchte gevangenis Bastille in volle glorie. Het Louvre was pas half zo groot - alleen de vleugel aan de Seinekant (Denon, waar Mona Lisa hangt). De andere kant – Richelieuvleugel - bestond nog niet. Wel was het in de 19de eeuw verbrandde Palais de Tuileries nog zichtbaar. Op de koer Napoleon, waar nu de hypermoderne piramide staat, stonden nog volop huisjes, het was amper een plein te noemen. Het eilandje in de Seine – Île de la Cité – herbergde al de Notre Dame en vele kleine straten en volgebouwde bruggen. Er waren nóg 3 eilanden, waar heel veel bootjes rond dobberden. Dat derde eiland, ten noorden van Île Saint-Louis, is nu vastgeklonken aan de Rive Droite, zo ongeveer ten hoogte Boulevard en Quai Henri IV, tegen de jachthaven Arsenal. Aan de andere kant vind je Avenue des Tuileries, wat tegenwoordig bekend staat als Avenue de Champs-Élysées. Deze omgeving was een typisch Frans bos met bomen op regelmatige afstand.
Het zijn slechts enkele voorbeelden van vele details. Het is eigenlijk een puzzel van 1000 stukjes. Als je Parijs (vrij) goed kent is het een feest. De originele kaart hangt niet bij mij thuis, maar wordt kennelijk in het Louvre bewaard. Kopieën kan je (voor zover ik kan achterhalen) niet kopen bij bouquinists langs de Seine. Ik heb mijn exemplaar gekocht bij een heemkundige vereniging in de Marais. De plattegrond kostte 70 euro, maar ik heb het voor een zacht prijsje meegekregen. Sowieso als je dieper in de Parijse geschiedenis wil duiken bezoek dit adres en een hele geschiedenis van Parijs gaat voor je open: Maison d’Ourscamp, 46 Rue François Miron. Loop dan ook even langs de boekenwinkel van Hôtel de Sully. Slechts 5 minuten verderop.
Iris van Herpen in Parijs
Koningin Maxima was afgelopen december in Parijs. Misschien heb je het wel meegekregen. De reden was Hollands glorie. Maxima opende officieel een bijzondere fashion experience. Van Iris van Herpen, een Hollandse dame die hoge ogen gooit in de modehoofdstad.
In vele bladen was er volop aandacht voor hoe beeldig Maxima eruit zag: “Gekleed in een vloerlange avondjurk met trompe-l’oeil-effect, maakte koningin Máxima haar entree bij het kunstmuseum in Parijs. De futuristische, wit met beige creatie komt uit de lente/zomer 2021-collectie van Iris Van Herpen. Het ontwerp heeft een hoge hals, capemouwen en wekt de illusie dat de stof samensmelt met het lichaam. De koningin maakte haar look af met een zilveren geperforeerde Lady Dior Croisiere-clutch en een paar zilveren platformhakken van Aquazzura. Om haar dromerige jurk alle aandacht te geven die hij verdient, koos Máxima ervoor om haar blonde lokken in een chique lage knot te dragen. Met een smokey eye, een frambozenroze tint op haar lippen en een bijpassende kleur blush zag de koningin eruit om door een ringetje te halen. Een spectaculaire high-fashion look waarmee Máxima niet alleen haar gevoel voor stijl laat zien, maar waarmee ze ook Nederlands ontwerptalent viert – op de beste manier mogelijk.”
Het is maar dat je het weet.
Om wie het werkelijk draait: Iris van Herpen. Zij is geboren in het Gelderse Wamel in 1984. Amper 40 jaar oud en al vrijwel arrivé in Parijs. Welke Nederlandse doet haar dat na? Na haar opleiding in Arnhem begon ze in 2007 haar eigen modelabel. En sinds enkele jaren toert ze met haar expo Sculpting the Senses.
Ik ben geen expert in het modewereldje, maar mijn lekenoog herkende meteen dat zij heel vernieuwend bezig is. Haar werk wordt gekarakteriseerd als sculpturaal en futuristisch. Haar talent zet ze in voor innoverende ontwerpen, constructies en onconventionele materialen. Ze kwam als eerste met kleding in 3D-print maar heeft ook veel aandacht voor het traditionele handwerk. Als een moderne alchemist knutselt ze – het liefst samen met kunstenaars uit andere disciplines – net zo lang met stoffen en materialen tot ze een perfecte samenstelling heeft gevonden om iets te maken wat nog niet bestaat. Ze ontleent haar inspiratie uit de natuur en elektriciteit. Vooral beweging is een kernelement in haar ontwerpen. Van Herpen: “We brengen de jurken op verschillende manieren tot leven, maar subtiel. We gebruiken een beetje wind en bewegend licht. Dat geeft net de dynamiek op de texturen, die je ook hebt als je in de jurk beweegt.”
Eigenlijk is het simpel: haar werk is een driehoeksverhouding tussen kunst, mode en wetenschap. Dat las ik vooraf, maar wandelend langs de collectie is het onmiskenbaar. Ik zag vervreemdende jurken en andere creaties van de meest uiteenlopende materialen. Ze snijdt wol en leer met een laser en gebruikt glazen ballen, plexiglas en metaalpoeder, maar ook kant, hout, botten – al dan niet 3D-geprint. Daar komt dus een enorm inzicht in techniek aan te pas. Voor haar designs en shows werkt ze samen met graphic designers, architecten, beeldende kunstenaars, choreografen en filmmakers.
Van Herpen weet vele artistieke dames te inspireren. Niet alleen Maxima droeg vol trots een ontwerp van haar. De eigenzinnige zangeressen Björk en Lady Gaga vind ik de gedroomde profielen voor Van Herpens kleding. Maar ook meer mainstream sterren zoals Kate Perry en Beyoncé zijn ambassadrices van haar ontwerpen. Die laatste had het plan opgevat om tijdens haar laatste wereldtournee veel creaties van lokale designers te dragen. In Amsterdam opende ze haar show met haar liedje Dangerously in Love in een avantgardistische jurk van Iris van Herpen.
Sculpting the Senses is te zien in Musée Des Arts Décoratifs. Dat is aan de zijkant van het Louvre-gebouw (Rue de Rivoli, tegen Jardin de Tuileries). Je hebt nog de kans tot 28 april. Een héle goede reden om nog even naar Parijs te komen.
(Maar ik zal open kaart spelen 😉: Sculpting the Senses is een rondreizende expositie, die via Brisbane, Singapore, Los Angeles en nu in Parijs, later ook naar Nederland komt. Maar dan moet je wel nog 1,5 jaar geduld hebben: pas in het najaar van 2025 te zien in de Kunsthal Rotterdam.)
Nits in Trianon
Hoe trots kan je zijn op succes van een Nederlandse band in Parijs?
Zoals wel vaker in een hoofdstad is ook het Parijse publiek vaak net iets uitzinniger. Ook deze avond. De muzikanten waren aangenaam verrast. Het was van hun gezichten af te lezen. Dankbaar namen ze een staande ovatie in ontvangst. Toen moest het concert nog beginnen.
De drie bandleden – Henk Hofstede, Robert-Jan Stips en Rob Kloet - zijn intussen allemaal de 70 gepasseerd. Wie doet ze dat na, op die leeftijd: een uitverkochte zaal in Parijs! Zelfs mijn geliefde Golden Earring kan dat niet navertellen – en dan bedoel ik dat omdat die band sinds de jaren ’90 vrijwel nooit meer buiten de Benelux heeft opgetreden.
Nits viert dit jaar zijn 50-jarige bestaan. Zij toeren door heel Europa om deze heuglijke mijlpaal luister bij te zetten. En ze passeerden ook de zaal Trianon in Montmartre. De klassiekers kregen net zo veel weerklank als in eigen land. Nescio is algemeen bekend bij de Parijse toeschouwers. Niet de schrijver, wel het liedje. Touch of Henry Moore, Bauhaus Chair, J.O.S. Days, Adieu Sweet Bahnhof, Eiffel Tower… Het werd allemaal met gejuich onthaald.
En natuurlijk In The Dutch Mountains – als toegift. Een lied uit mijn jeugd. Uit de Countdown-jaren. Ze hadden er destijds zelfs een videoclip bij gemaakt - van een roeier, herinner ik me. In de Nederlandse media werden ze op handen gedragen – vooral in de cultureel verantwoorde hoek: VARA, Avro, de KRO-zondag op radio 3. En natuurlijk Frits Spits! Maar In The Dutch Mountains haalde net zo goed de Top 40 van het commerciëlere Veronica. Dit liedje uit mijn jeugd, thuis voor de televisie bijna 40 jaar geleden, resoneerde afgelopen weekend geweldig bij een enthousiast Parijs publiek.
In de jaren ’80 hoorde je dan wel eens op de radio dat ze in heel Europa graag gezien waren. Dat ze een schare fans hadden in Scandinavië, Duitsland en de Alpenlanden… Dat kon ik nog wel thuisbrengen, gezien hun muzikale stijl. Een vriendin van mij in Wenen die kende 2 Nederlandse artiesten: Herman van Veen en Nits. Maar dat een hele zaal in Parijs uit volle borst In The Dutch Mountains meezingt is van een ander kaliber.
Deze avond in de lichtstad waren de drie muzikanten op het podium in topvorm. Solide en met speels gemak. Zonder al te veel franje of spektakel. De muziek, de composities, de opbouw en de uitvoeringen zijn het spektakel. Rob Kloet - wat een onderschatte drummer is dat! –: alle ingewikkelde ritmes zette hij naar zijn hand. Robert Jan Stips staat algemeen bekend als één van de helden uit de Nederpop: Supersister, Golden Earring, Freek de Jonge… hij deed het allemaal. En Hofstede als charismatische frontman die zich worstelde door zijn Frans en luchtig en lustig danste door de avond.
Over die laatste gesproken. Ik denk met een wonderbaarlijk genoegen terug aan een verstild moment dat ik met hem deelde. Een jaar of 2 geleden. Ik bereidde mij voor voor een aangekondigde tour in het hotel particulier van de betreurde Joodse familie Camondo (tegen Parc Monceau). Op een gegeven ogenblik, ik denk in de badkamer van het huis, herkende ik iemand naast mij, maar dan in een oudere versie. Als dat niet Henk Hofstede van Nits is! En wat doe je dan? Niets, behalve het moment herinneren. Alhoewel, van de schrijver Cees Nooteboom heb ik geleerd dat een herinnering een hond is die gaat liggen waar hij wilt. Je hebt er geen controle over. Ik durfde niets te zeggen. Wat had ik moeten zeggen? Die man is voor zijn plezier, in zijn vrije tijd in Parijs. Die zit helemaal niet wachten op een landgenoot die hem herkent. Alhoewel ik hem ervan verdenk heel minzaam te hebben gereageerd.
In het Trianon was het – na 20 jaar - mijn 2de concert van Nits. Misschien ook de laatste keer. Dat gevoel bekroop mij vorig jaar ook bij Roger Waters van Pink Floyd. Het is een beetje afscheid nemen van een generatie. Generatie van mijn jeugd. Dus je gunt de groep alles wat ze nog kunnen ontvangen in ruil voor de melodieën die ze ons onderbewuste decennialang hebben gegeven. En die we af en toe totaal onverwacht aangenaam ondergaan. Net als een herinnering hebben we daar geen vat op. Juist daardoor zalven de melodieën onze ziel.
Omdat we ervaren en betrouwbaar zijn en ons 100% focus op het beste resultaat hebben we al met vele fantastische klanten mogen werken.
De robottoren
Vrijwel iedere keer als we aan het einde van de Montmartre tour over het oostelijk deel van Parijs uitkijken (met de Sacre Coeur in onze rug), zie ik de vraag al aan komen vliegen. Wat is die merkwaardige toren daar aan de horizon? Met die kubus erop. En iedere keer sta ik met een mond vol tanden. Dat is niet de beste tekst voor een tourgids.
Tijd om dat eens uit te zoeken. Tot op de bodem, zoals Lubach zou zeggen. En vér daarboven.
Eigenlijk zijn het 2 torens, maar het is duidelijk dat de ene boven de andere uittorent. Het toepasselijk genaamde Tours Duo zijn gelegen in het 13de arrondissement, pal naast de Périphérique. Deze hoek van Parijs, zuidoost, heeft de afgelopen jaren enorm geïnvesteerd in hoogbouw. Ze concurreren op het gebied van moderne architectuur bijna met het legendarisch La Défense, helemaal aan de westkant in Nanterre.
Het pronkstuk in het 13de arrondissement is de hoogste van de Tours Duo. Deze toren, opgeleverd in 2021, is 180 meter hoog. (Zijn broertje is 125 meter hoog.) Daarmee is deze toren de op-twee-na hoogste van de stad. Na de Tour Montparnasse (210 meter) en – natuurlijk - de Eiffeltoren (330 meter). De functie van het hoogste broertje van het duo is allesbehalve opzienbarend. Er is een bank gevestigd: Natixis bank, onderdeel van de BPCE Group. En bovenin, in de top, vinden we een hotel en de trots van het gebouw: een zogenaamde skybar. Laurent Taïeb, werkzaam in de skybar zegt het als volgt: ‘Skybars wekken hevige emoties op. Vanaf de top zie je de stad anders, adem je beter, ontsnap je aan het lawaai en geeft de hoogte een gevoel van vrijheid. We hebben het gevoel dat Parijs van ons is.’ Dat geldt ook voor het 4-sterren hotel, dat luistert naar de naam TOO Hôtel. Uitgerust met een sauna en jacuzzi op het dak. Misschien een aanrader als je iets compleet anders wilt.
Niet de functie van het gebouw maar vooral de vorm van de toren trekt alle aandacht naar zich toe. Vrijwel iedereen slaat erop aan. Want de toren is opgebouwd uit een hele lange staaf, zoals vrijwel elke toren. Hoewel deze schuin is. En daarop ligt dus die kubus, een soort hoofd. En dat was ook de bedoeling van de architect, Jean Nouvel. Hij zegt: ‘De hoogste gebouwen in het verleden ontbeerden een fatsoenlijk hoofd. Hun dakterrassen waren ontoegankelijk. Een top moet, als je het mij vraagt, een hoofd bevatten, een herkenbaar profiel. Daarom zijn de hoofden van onze 2 torens allebei zeer expressief, levendig… ze spreken tegen elkaar en ook tegen hun vriendelijke buurtgebouwen.’
Vanaf de Sacre Coeur, helemaal aan de andere kant van de stad, kan ik dat alleen maar beamen. De hoogste van de Tours Duo lijkt vanuit de verte ietwat op een (speelgoed)robot.
Hier gaat het niet bij blijven. De komende jaren heeft Parijs nog meer grote projecten in petto. Dankzij de reactie op het weinig populaire Tour Montparnasse is het centrum sinds 1973 verschoond gebleven van meer van zulke aan het zicht onttrekkende wolkenkrabbers. Maar aan de rand van de stad kunnen de projectontwikkelaars, zoals Herzog & de Meuron, naar hartenlust hun megalomane fantasieën botvieren. Zij ontvouwen aan de zuidgrens, aan de rand van het 15de arrondissement, een ambitieus plan. Het zogenaamde triangel-project. Deze wolkenkrabber in de vorm van een gigantische driehoek zou tegen 2026 afgerond moet zijn. Wordt vervolgd…
Omdat we ervaren en betrouwbaar zijn en ons 100% focus op het beste resultaat hebben we al met vele fantastische klanten mogen werken.
Maria Callas en een Griekse tragedie die begon in Parijs
1958: Maria Callas treedt voor het eerst op in Parijs. Zij timmert dan al 10 jaar aan de weg. Tout Paris, zoals dat zo mooi heet, is aanwezig. De toenmalige Franse president Coty, schrijver Jean Cocteau maar ook Charlie Chaplin en Birgitte Bardot wilden deze performance voor geen goud missen.
Maria Callas was net 10 jaar getrouwd met een 30 jaar oudere man, Giovanni Battista Meneghini, een oudere rijke industrieel uit Milaan. Hun relatie was eerder vriendschappelijk te noemen. Hij deed haar zaken. Het gevoel van verliefdheid was haar vreemd. Ze had er simpelweg geen tijd voor. Of: ze gaf er geen prioriteit aan. Het is maar hoe je het bekijkt. Toen ze jong was werd ze door haar moeder gepusht en eindeloos getraind om la divina – de goddelijke – te worden. Daar ging Meneghini mee door. Het ging om zingen zingen zingen.
Na afloop van het concert in Parijs is er een souper georganiseerd. Daar ontmoet ze Aristoteles Onassis die net als zij Grieks is. Er is een klik. Hij nodigt haar en haar entourage uit op zijn jacht de Christina O (genoemd naar zijn dochter). Maria wil aanvankelijk niet, want ze moet werken. Maar Meneghini zegt: “Laten we gaan, dat is goed voor je carrière en nieuwe contacten.” Op die boot gebeurt het onverwachte: voor het eerst maakte ze kennis met de alomvattende liefdesnacht. Een compleet gevoel, momenten die in een mensenleven op de vingers van één hand zijn te tellen. Vanaf dat moment is ze tot over haar oren verliefd en heeft ze haar hart verloren aan deze man, Onassis.
Maar Onassis had meerdere agenda’s. Hij verzamelde graag beroemde mensen om zich heen, om zo zijn nogal schemerige achtergrond te camoufleren. Zij vormden voor hem de vrijbrief voor zijn entrée bij de jetset. Hij beloofde Maria te trouwen, maar ze hing steeds aan een lijntje. Op een dag in 1968 toen zij een blik in de krant wierp las zij tot haar grote ontsteltenis dat Onassis plotseling getrouwd was met Jackie Kennedy. Jackie Kennedy! Dé weduwe van de jaren ’60 was 5 jaar na de dood van haar man – de Amerikaanse president – de beroemdste vrouw ter wereld. En dat moest Maria uit de krant vernemen! Het breekt haar totaal op. De tragedie, die onvervalst Grieks is, laat haar kennismaken met de ware liefde en de hoop op een leven zoals gewone mensen dat doen. Het stichten van een gezin, niet alleen maar keihard werken. Die illusie wordt in 1968 volledig de bodem ingeslagen. Maria voelt zich verraden.
Uiteindelijk maken ze het wel weer goed, lezen we in de brieven. Maar dan overlijdt Onassis in 1975 en dan is het definitief klaar voor haar. Ze sterft 2 jaar later in Parijs – eenzaam. Slechts 53 jaar oud.
Tijdens de indrukwekkende Père Lachaise tour passeren we altijd de nis van Maria Callas in het columbarium. Die nis - nummer 16258 – is pas in 1991, 14 jaar na haar dood, afgedekt met een plaquette. Haar nis is leeg, want haar assen zijn uitgestrooid. Na de uitvaart was haar urn onmiddellijk gestolen, 2 dagen later weer teruggevonden, en uiteindelijk uitgestrooid voor het eiland Skorpios in de Ionische Zee. Onassis had van dit dor en aftands eilandje een paradijselijk oord gemaakt, ver weg van de boze buitenwereld. Het was die bekoring die Maria altijd die hoognodige troost bood.
Deels ontleend aan: OVT, NPO Radio 1, 10 december 2023.
Parijs door de lens van Willy Ronis
Het was haar menens. Rose(tte) Zehner was een vrouw van Parijs. Arbeidster en activiste ten tijde van het meest linkse kabinet ooit in Frankrijk. Maart 1938, 37 jaar oud. Het is nooit verloren moeite om ergens voor te strijden als je het gelijk aan je kant hebt staan. Ook al maak je dat gelijk misschien niet meer mee bij leven en welzijn. Haar gelijk – en met haar dat van haar medestanders om haar heen – riep ze uit tijdens een staking in de Citroënfabriek. Aan quai Javel, het 15de arrondissement. Een mannenbolwerk, opgezet door een man, André Citroën. Je kan er met een loep overheen gaan, maar op de foto is geen man te bekennen. En toch was er minstens één man in die fabriekshal: de fotograaf. Willy Ronis was nog jong en onbekend. De foto wordt niet onmiddellijk gepubliceerd. Het cliché moet daar niet minder dan 45 jaar op wachten. Tot 1983 toen Ronis, inmiddels een beroemde beeldchroniqueur van Parijs, een bundel uitgeeft en daarin deze afdruk opneemt. Een film uit hetzelfde jaar brengt de vrouw voor de camera en de man achter de camera voor het eerst samen. De film heet Un Voyage de Rose.
Als je een beetje gewichtig wilt doen, kan je stellen dat alles draait om perspectief. In het leven, in de kunsten, bij problemen. Perspectief zien, perspectief geven, perspectief krijgen. Ineens is alles anders dan je dacht, omdat het anders loopt dan verwacht. Perspectief kan je een helpende hand bieden. Als je stuk zit, als je op zoek bent naar een ander uitzicht èn inzicht. Een ander perspectief kan een straat er ook ineens heel anders laten uitzien. Parijs is een gatenkaas: de honderden gangen van de metro, de gangen van de Catacomben, de gangen van de égouts (de rioleringen), de gangen van de oude spoorbanen waar illegale feesten worden gehouden, de gangen onder de Opéra waar albinokarpers zwemmen in het donker… Maar er zijn ook, zeker aan de oostkant, straten die lager doorlopen, de steegjes met trappen en treden naar de volgende strook kasseien. Onder die trappen spelen jonge jongens in korte broeken, ze zitten op een rooster. Ze zijn onzichtbaar voor de wereld op straat. Maar Willy Ronis zag ze, hij ving ze en vereeuwigde ze met zijn camera. Op zijn foto zie je de straat vanuit een ander perspectief.
Verboden vruchten zijn de lekkerste. Verlangen is wat ons drijft, daar waar het leven om draait. De colonne van de Bastille, die ons doet stilstaan bij drie glorieuze dagen in juli 1830, was ooit te beklimmen. De liefde werd in de jaren 50, toen naast geluk stijlvolle elegantie nog heel gewoon was, gevierd op de colonne van de Bastille. Op 50 meter hoogte was Willy Ronis getuige. Hij zag de liefde en drukte haar af. En nog een keer. En nog een keer. Het was de liefde in pak en deux-pièces, zoals de dames in Hitchcock-films ze droegen. De man in pak ruikt de geur van haar haar. Die blijft de rest van je leven in je neus hangen. Het was ook de liefde voor Parijs die, zoals brekend licht door een prisma, uitstraalde via Ronis’ camera. Uitzicht op torens die net boven de stad uitsteken: Sint Paul kerk, de protestantse Temple du Marais, Tour Saint Jacques, Notre Dame, en de Eiffeltoren die opgaat in de lucht. Soms wil je afreizen naar perioden die niet meer bestaan, soms wil je torens beklimmen die nog wel bestaan, maar niet meer toegankelijk zijn. Welke vruchten smaken het zoetst?
2023 is ook Gustave Eiffel-jaar
Ijzer. Sommige mannen worden ermee geassocieerd. Omdat ze krachtpatsers zijn. Of omdat ze iets in de metaal doen. Alexandre Gustave Eiffel was duidelijk één van het laatste soort.
Ijzer liet zich voor een periode gelden als de toekomst. Eind 19de eeuw. Gustave Eiffel was een voortrekker met deze metaalsoort. Bij welke realisatie is hij niet betrokken geweest? Een willekeurige opsomming van zijn verwezenlijkingen:
· Een passerelle, een loopbrug, in Bordeaux
· Viaduc de Garabit in het Centraal Massief
· De oorspronkelijke Temsebrug over de Schelde
· Vrijheidsbeeld in New York
· West-Treinstation in Budapest
· Palais Galliera, het modemuseum in Parijs
· De sluizen van het Panamakanaal
· Het postkantoor van Ho Chi Minhstad in Vietnam
· Talloze vuurtorens over de hele wereld
· …
Uiteindelijk had hij zoveel bruggen en andere constructies van ijzer gebouwd dat hij het eens over een andere boeg wilde gooien. Hij liet de hoogste toren ter wereld bouwen. 300 meter hoog. Een toren met zijn naam. En daardoor is die naam één van de beroemdste uit de geschiedenis geworden. Misschien dat William Shakespeare net iets beroemder is. En Jezus Christus. Maar dan heb je het wel gehad.
Eiffel was geboren in het oosten van Frankrijk, Dijon. Zijn vader was officier in het Rijnland geweest en luisterde oorspronkelijk naar de naam Boninckhausen. Het gebied Eifel lag net over de Duitse grens. Zoon Gustave liet de lange naam vallen in 1880 en luisterde enkel nog naar “Eiffel”.
Eiffel vestigde zich in Levallois-Perret, even ten westen van Parijs. In Levallois trouwde hij met Marguerite Claudet. Zij schonk hem 5 kinderen, maar stierf jong. Gustave zou niet meer hertrouwen. In Levallois stond ook zijn fabriek. Hier werden vele onderdelen van zijn ijzerconstructies vervaardigd om getransporteerd te worden over de hele wereld. Levallois werd zijn basis.
Over het project van het Panamakanaal, waarbij Eiffel betrokken was, brak een groot schandaal uit. Zelfs de toenmalige regering struikelde er over. Eiffel was onschuldig. Toch begon hij zich meer en meer uit zaken terug te trekken en zich te richten op zijn oorspronkelijke liefhebberij: wetenschappelijke testjes doen. Dat deed hij in zijn eigen huis, alleen, op 300 meter hoogte.
De laatste jaren van zijn leven woonde hij niet meer in de Eiffeltoren, maar iets lager. En op stand. In een hôtel particulier aan rue Rabelais, in de chique wijk achter de Champs Élysées. Hij stierf hier 100 jaar geleden, op 27 december 1923. Het is dus op de valreep ook Gustave Eiffel-jaar. Hij werd met de hoogste achting ter aarde besteld op de begraafplaats van Levallois-Perret. En daar ligt hij nog steeds, in het familiegraf. Op de namenlijst in het tempeltje lezen we ook de naam van Claudette.
Gustave Eiffel (en zijn familie) ligt naast een RER-metrolijn en omringd door veel kille nieuwbouw. Waarom ligt zo’n man hier? Een legendarische bouwontwikkelaar. 100 jaar geleden waren die nieuwbouw en spoorlijn er nog niet, maar dat familiegraf al wel. De eeuwige vraag die dan altijd - al sinds mijn jeugd – bij mij opdoemt is: wat lag er het eerst, de spoorlijn of het kerkhof? Want vaak liggen die naast elkaar en het is niet altijd even duidelijk wat er het eerst was, zeker niet als het een recenter aangelegde begraafplaats is.
Weliswaar heeft Gustave Eiffel geen groots praalgraf gekregen op Champs de Mars, het veld naast zijn toren. Niettemin ligt hij in goed gezelschap bij Louise Michel, de heldin van de Commune-opstand. En een andere buur is de meester van de Bolero: Maurice Ravel, wiens verjaardag slechts één dag na die van Eiffel is.
Scheurend door Parijs
Je kan dromen van Parijs terwijl je er nooit bent geweest. Je kan dromen van Parijs omdat je er ooit was. Of je laat je gedachten de vrije loop omdat je de stad wel kan dromen.
Met mijn ogen dicht kan ik de kaart van Parijs aardig uittekenen. Puur op de verbeelding cross ik door de straten van Parijs. Alleen in mijn verbeelding. Regisseur Claude Lelouch scheurde door de stad in het echte leven. In een droom van een (kort)film: C’était un Rendez-vous uit 1976. Geschoten in één shot, zonder een cut of montage!
Ik verzuip in het zwart, volledig in een tunnel, hoop geraas om mij heen. De weg in het ochtendlicht komt alsmaar dichterbij. Vrijwel de hele wereld ligt op één oor, en ik, ik kom met duivelse snelheid van de Périphérique uit Bois de Boulogne. Het is kwart voor 6, het is Porte Dauphine, het is een zondagochtend op 15 augustus. Na de rotonde genomen te hebben raas ik Avenue Foch op, met zijn 120 meter de breedste laan van de stad, waar enkele van duurste appartementen te vinden zijn. De Arc de Triomphe voor me schudt op het ritme van mijn voertuig. Achteloos snijd ik de bocht af naar rechts. Op Place de Étoile heb je altijd voorrang als je er opkomt; staat in het verkeersreglement van Parijs. Ik vlieg over de Champs Élysées, binnen enkele uren het toonbeeld van files en geclaxonneer. Ik haal enkele verdwaasde bestuurders met een gigantische snelheid in, enkel te vergelijken met de auteur Simon Vestdijk die sneller schreef dan God kon lezen (of zijn lezers). Na het beroemde winkelgedeelte word ik omarmd door het groen, rechts zie ik Grand Palais, en voor mij wordt de obelisk steeds indrukwekkender. Ik zoef Place de la Concorde op, zoals zelfs het peloton eind juli dat mij niet nadoet. Aan de andere kant van de brug zie ik Palais de Bourbon, ons parlement. Ik blijf op rive droite en scheur langs de Seine in de richting van het Louvre, met Grand Galerie aan mijn linkerkant. Met gevaar voor eigen leven schiet ik links de hoek om door de statige poort van het oneindige museum. Ik heb er zelfs geen oog voor dat op het plein waar ooit een glazen piramide zal verrijzen nu auto’s staan. De weg voor mij is nog vrij, breed en wild. Deze vrijheid maakt ruimte voor een portie lef waarvan ik niet wist dat ik die in mij had. Ik steek op hoge snelheid aan de andere kant door de poort van het Louvre Rue de Rivoli over. Inderdaad dat kruispunt waar je het verkeer van rechts en links onmogelijk ziet aankomen. Wat heb ik wel niet voor haar over! Ik spoed me over Avenue de l’Opéra, de majestueuze laan zonder bomen omdat de architect van de Opéra Garnier dat zonde van het uitzicht vond. Garniers troetelkindje in goud en marmer deinst meer en meer op. Hier heb ik al mijn stuurmanskunsten nodig, het is opmerkelijk druk zo vroeg op de ochtend met bussen en Volkswagen Kevers. Zonder af te remmen snel ik langs Galerie Lafayette in de richting van Trinité. De straten worden smaller, de uitdaging groter. Ik rij in Rue Jean-Baptiste Pigalle, beeldhouwer van beroep. Tijd om te denken dat ik daar ook ooit een blog over zou moeten schrijven heb ik niet. Daarvoor gaat het allemaal te snel; ik had haar beloofd niet te treuzelen. Zelfs een levering midden in de straat kan me niet van mijn missie afbrengen. Ik rij rakelings langs het trottoir, een vrouw met of zonder hond – het gaat te snel om het duidelijk te zien - deinst achteruit. Ik negeer de rode lichten op Place Pigalle. Enkele duiven krijgen de schrik van hun leven. Het nachtleven hier is inmiddels gaan slapen terwijl het daglicht de nacht wegdrukt. Ik ben bijna bij mijn eindbestemming. Zal ik het halen? Ik cross verder op de boulevard. Net voor de Moulin Rouge rijd ik bijna abusievelijk de straat rechts in, maar ik weet me op tijd te corrigeren. Ik draai na het beroemde theater met de rode wieken naar rechts, over het kerkhof van Montmartre en nader de heuvel van achteren via Rue Caulaincourt. Ik voel me een (boven)menselijke gps. Ik maak een scherpe bocht naar rechts, rij over de elegante, lommerrijke Avenue Junot. De buurt zal nu wel wakker zijn dankzij mijn geraas. Ik haast me langs het huisje waar Picasso ooit woonde, het café waar je Jacques Brel kon vinden voor een afzakkertje, dwars door het nu uitgestorven Place du Tertre. Ik ben bijna op het hoogste punt van de stad. Ik ga voor het prachtige uitzicht - maar niet op Parijs. Nog een dubbele bocht en ik sta voor de hagelwitte, zelf reinigende Heilige Hart-kerk op de heuvel. Ik parkeer mijn voertuig. In minder dan 8 minuten van a naar b(eter), want ze komt in wit gestreept en met stralende glimlach de trappen opgelopen. Een rendez-vous met haar.
Jarenlang heb ik gedacht dat deze omschrijving een scène was uit de film Un Homme Et Une Femme (een film van dezelfde regisseur). Maar ik maak het allemaal té romantisch. Nee, het is een film op zichzelf. Zoals Frederico Fellini ooit in de film Roma Vespa’s liet stuitteren over de Romeinse kasseien als een ode aan de antieke stad zo deed Claude Lelouch dat voor Parijs.
Eigenlijk hoef ik helemaal niet te weten hoe die film tot stand is gekomen – ook al bestaat er een Making Of (Rendez Vous - Making off - YouTube). C’était un Rendez-vous is een tijdloos portret van Parijs omdat de film is opgenomen op een tijdstip waarop de stad nog niet is ontwaakt. Zoals een droom zich altijd in het heden afspeelt.
De Rolling Stones in Parijs
Deze blog beginnen we niet in Parijs, maar in Groningen. Daar loopt tot eind januari de tentoonstelling Unzipped, een uitgebreide trip door het rock ‘n’ roll universum van de Rolling Stones. Naast de muziek staan ook kostuums en de gigantische podia centraal. Maar in de eerste plaats zijn de Stones muziek, muziek en nog eens muziek. Muziek die ook is opgenomen in Parijs. Om precies te zijn in de voorstad Boulogne-Billancourt, ten zuiden van Bois de Boulogne. Parc des Princes, het voetbalstadion van Paris Saint Germain, en het tenniscomplex van Roland Garros grenzen aan de gemeente die ooit lang geleden gedomineerd werd door de autofabrieken van Renault.
Ook ligt in deze gemeente de Pathé-Marconi-studio, die al sinds de jaren ‘60 in gebruik is. Vooral de Rolling Stones kennen een roemruchtige geschiedenis in deze platenstudio inclusief afgrijselijke uren en legendarische muziek. Ik licht er 2 perioden uit.
De eerste keer dat de Stones deze studio bezochten was in het najaar van 1977. Disco domineerde de hitlijsten en punk zette zich faliekant af tegen de Stones. Grote spanningen beheersten de band. Gitarist Keith Richards zat nog zwaar onder de drugs en hij begon te beseffen dat het roer radicaal om moest wilde hij ooit 40 jaar worden. (Laat staan 80 jaar!) Keith stapte in een Parijse taxi en was het adres vergeten van zijn vaste flat hier. Zanger Mick Jagger behandelde Keith uit de hoogte en zei tegen sessiemuzikanten dat ze nooit meer op tournee zouden gaan ‘met een ouwe lul met een heroïneveroordeling’. Bijna niemand praatte met bassist Bill Wyman. Jagger, die in de jaren ‘70 tot de 10 beroemdste mensen ter wereld behoorde, zat intussen op een andere planeet. Hij logeerde in L’Hôtel, de prachtige, discrete accommodatie waar Oscar Wilde ooit was gestorven en waar Mick met zijn nieuwe vriendin, het blonde topmodel Jerry Hall, verbleef. In de hotelbar vind je nog altijd een foto van de zanger.
De Stones waren volop bezig aan het album Some Girls met daarop de klassieker Miss You. Die single zou de volgende zomer vrijwel overal ter wereld uit de speakers knallen.
Tegen die tijd hadden de Stones meer dan 40 nieuwe nummers op band staan, genoeg voor hun volgende drie elpees. Het lied Start Me Up kwam bijna als een reggaenummer op Some Girls terecht, maar het werd weggelaten. Keith was benauwd dat hij de belangrijkste melodielijn onbewust had overgenomen van een nummer dat hij op de radio had gehoord. 2 jaar later kwamen de Stones weer terug in de Pathé-Marconi-studio. In plaats van een reggaenummer werd Start Me Up pure rock met een van de beroemdste riffs van de jaren ‘80. De uiteindelijke single werd de laatste echte classic van de Stones.
De Pathé-Marconi-studio bleef de favoriete opnameruimte van de band, ondanks de eeuwige spanningen onder de bandleden. De laatste periode waarin ze neerstreken in Boulogne-Billancourt was in 1985. Hoewel de lente aanbrak was de sfeer tot ver onder het nulpunt gedaald. Mick voegde zich bij de band zonder materiaal voor de opnamesessies van het album Dirty Work. Hij had al zijn kruit verschoten aan zijn soloalbum. Keith: “In 1985 kregen we opeens al dat solo gedoe. Ik heb hem toen nog zó gezegd dat ik na al die jaren niet in zo’n situatie gedwongen wilde worden, want ik wist gewoon dat je daarmee op een belangenconflict aanstuurt. Ik heb er alles aan gedaan hem tegen te houden – ‘doe dat nou niet!’” Na een paar weken verliet Mick de opnamesessies omdat hij de promotie van zijn soloalbum belangrijker vond.
Als hij er wel was ergerde Mick zich in het feit dat Keith nu aan de touwtjes trok en hij verschanste zich in een aparte opnameruimte in hetzelfde gebouw. Meestal arriveerde hij pas rond middernacht vanuit de flat die hij samen met Jerry Hall in Neuilly huurde, de chique buitenwijk ten westen van Parijs. Zodra hij klaar was, verdween hij vaak zonder de anderen ook maar te zien of te spreken. De sfeer was pet. Drummer Charlie Watts had problemen met zijn puberdochter en probeerde zich met drank op de been te houden. Bassist Bill Wyman was chagrijnig en verveeld, pianist Ian Stewart was van mening dat het afgelopen was met de Stones en weigerde op de tracks mee te spelen. “We hingen elkaar gewoon de keel uit,” zei Mick. “De band die je met muzikanten hebt, hangt af van wat je samen presteert. Zodra dat laatste uitblijft, krijg je negatieve reacties. En dan vallen bands uit elkaar.” Charlie: “In mijn 25 jaar bij de Stones heb ik 5 jaar gewerkt en 20 jaar rondgehangen. Als ik dat eerder had beseft was ik nu allang dood geweest.”
De elpee Dirty Work werd geen succes, sterker nog: het album wordt algemeen beschouwd als één van de dieptepunten in de gigantische Stones-catalogus. Een tournee was helemaal uit den boze. Jagger zei later: “Een tournee om Dirty Work te promoten zou een nachtmerrie zijn geworden. Het album was niet geweldig, de fysieke conditie abominabel. Ik was niet lekker in vorm en de rest van de band was zelfs niet in staat de Champs-Élysées af te lopen, laat staan een tournee te volbrengen.”
Het zou de laatste keer zijn dat de band zou opnemen in Parijs. Ze wisten uiteindelijk de strijdbijl te begraven, de scherven bij elkaar te rapen, die te lijmen en door te gaan. Eeuwig door te gaan. Nu zijn de oude goden (en opa’s) af en toe nog op het podium te bezichtigen. Zelfs als alle bandleden het tijdelijke voor het eeuwige hebben gewisseld zullen de Stones voor altijd blijven doorleven als een stelletje opwindende vrijbuiters die (cultuur)geschiedenis schreven in de 20ste eeuw. Ook in Parijs.
Grotendeels ontleend aan: Stephen Davis, Rolling Stones. Veertig jaar seks, drugs en rock-n-roll.
Ronnie en Charlie over deze periode: Ron Wood & Charlie Watts (The Rolling Stones) - Miss You | Het verhaal achter het nummer - YouTube
Omdat we ervaren en betrouwbaar zijn en ons 100% focus op het beste resultaat hebben we al met vele fantastische klanten mogen werken.
Emily in Paris
Dé tophit van dit toeristenseizoen is Emily In Paris. Hoe vaak ik er naar gevraagd ben sinds het vroege voorjaar is amper te tellen. Sterker nog, ik ben het gaan omkeren: “Zijn er in deze groep fans van Emily In Paris?” Die zijn er altijd. Soms uitgesproken, soms wat voorzichtig en zich verontschuldigend.
Tientallen miljoenen mensen over de hele wereld hebben via Netflix kennis gemaakt met Emily die door haar werkgever naar Parijs is gestuurd. Emily - gespeeld door Lily Collins, de dochter van poplegende Phil Collins – spreekt amper frans en spartelt in de Parijse jungle. Maar niet té meedogenloos, want - uiteraard – vindt ze ook de liefde. Die woont een etage onder haar, maar zoals dat betaamd in een serie duurt het even voordat de daad bij het woord wordt gevoegd. Genoeg onderhuidse spanning dus – zowel op het beeldscherm als bij de kijker thuis.
Tijdens al die avonturen passeren de vooroordelen en de clichés over beide bevolkingsgroepen – Fransen en Amerikanen – de revue. Vooral de Franse critici konden er niet mee lachen dat de Parijzenaars zo op de korrel worden genomen. De meningen over de kwaliteit van de serie variëren sowieso. Niettemin is de reeks gigantisch populair.
Dat bleek wel toen ik in de zomer met gasten door Montmartre liep. We naderden het steile stukje richting Place Emile Goudeau. Even na 1900 werkte Picasso hier in zijn atelier Le Bateau Lavoir aan zijn kubistische meesterwerken. Enkele meters daarvoor is er een populair terrasje van de brasserie Le Relais de la Butte met een schitterend uitzicht op Hotel des Invalides (waar de restanten van Napoleon in een tombe liggen). Altijd een hoogtepunt in onze Montmartre tour. Maar deze ochtend konden we er naar fluiten om ook maar in de buurt te komen van dit plein. Het hele plein van Picasso was met lint afgesloten. Er waren opnames bezig. Inderdaad van de 3de serie van Emily In Paris. Pas in dit najaar op je Netflix.
Dat is nu een extra verhaal in onze Montmartre tour, maar een eigen Emily In Paris-tour organiseren is een ander verhaal. De plek waar ik meestal de bovenstaande vraag stel aan de Emily-fans is voor het Panthéon in Quartier Latin. Want op het pleintje ernaast, het charmante Place de l’Estrapade, vinden we 2 waardevolle plekken uit de serie: de bakkerij waar Emily haar brood koopt èn het restaurant waar haar onderbuurman werkt op wie ze een oogje heeft. Overigens serveert dat restaurant in het echte leven geen Franse maar voornamelijk Italiaanse gerechten. Maar het echte Sancta Sanctorum, het heilige der heilige, is aan de overkant op nummer 1: het appartementsgebouw waar Emily woont. Vrijwel altijd als ik daar passeer, staan er meisjes van rond de 20 leeftijdsgenootjes in pose op de foto te zetten.
Om haar conditie op peil te houden loopt Emily haar rondjes in Jardin du Luxembourg, op loopafstand van haar huis.
Van deze 3, 4 plekken valt nog wel een Emily-tour te fabriceren. Maar andere herkenbare locaties zijn vaak op totaal andere plekken in Parijs te vinden, zoals de bloggers van Wegwijs Naar Parijs schrijven. Zij halen bijvoorbeeld de tuin van Palais Royale aan waar Emily luncht met een collega, en op Pont Alexandre III is ze getuige van de opnames van een commercial. Met een taxi of de metro zijn al die verschillende plekken van Emily wel haalbaar. Kilometers lopend afleggen door de stad, wat op zich geen straf is, is echter vooral gegeven aan de echte die-hard fan.
Omdat we ervaren en betrouwbaar zijn en ons 100% focus op het beste resultaat hebben we al met vele fantastische klanten mogen werken.
Het leukste gay dorp van Europa
Wat Castro is voor San Francisco is Le Marais voor Parijs: dé gaywijk bij uitstek.
Als je door Le Marais loopt kan je er niet omheen: de wijk is een uiterst creatieve omgeving. De gaywijk vind je in de kleine straatjes tussen het joodse kwartier en Centre Pompidou, alsof ze zich genesteld heeft tegen dit kleurrijke mastodont. In de jaren ’80, na de komst van dit modernekunstmuseum, begon de gaywijk enorm te floreren. Etalages vol extravaganza met kleding die de Toppers niet zou misstaan. Tattooshops en barbieren die gespecialiseerd zijn in modieuze baarden. Hypermoderne en groteske (toegepaste) kunst in populaire galeries. En op vrijwel iedere hoek kroegen en leuke terrasjes. Dan heb ik het over met name de omgeving rond Rue des Archives en Rue Saint-Merri. De locatie is onmiskenbaar: straatnaamborden en zebrapaden in regenboogkleuren. We noemen ze ook wel gaybrapaden. De Parijse gayscene behoort tot de opwindendste van de wereld, samen met die van New York, Londen, Sydney en Berlijn. Niet minder dan 140 bars om er te vinden waar je naar op zoek bent, zoals in Freedj, L’Open Café, Le Cox of La Mine.
Ik begon de blog met: “Wat Castro is voor San Francisco is Le Marais voor Parijs: de gaywijk bij uitstek”. Zo’n geconcentreerde wijk nodigt uit voor hevige discussie of dit nu wèl of juist niet de integratie van LGBT’s en dus hun emancipatie in de samenleving bevordert. Juist omdat er een aparte, afgescheiden wijk speciaal is ingericht. Dan blijf je je toch onderscheiden of zelfs deels isoleren? Aan de andere kant is het ook heel menselijk: mensen die iets overeenkomstig hebben zoeken elkaar op, of dat nu een seksuele voorkeur is, een religie, een dance festival of juist metal, of je nu graag bridge speelt of toch liever bingo… Gelijkgezinden zoeken elkaar altijd op. Logisch.
Maar er is een achterliggende gedachte voor een gaywijk. In de jaren ’60, toen Parijs prat ging op zijn open seksuele cultuur en houding, waren er genoeg mensen die schande spraken van de gay-scene. Het zou de internationale reputatie van de stad alleen maar ondermijnen. Zelfs uit de politiek waren geluiden te horen dat de politie de homo’s maar stevig onder controle moest houden. Allicht dat deze tegenstand zijn uitwerking niet gemist heeft en de gays zich vanaf de jaren ’80 vooral ontmoetten in Le Marais.
Dat de volledige emancipatie en acceptatie nog niet was volbracht, bleek ook na de eeuwwisseling. In 2001 kreeg Parijs met de socialist Bertrand Delanoë zijn eerste burgervader die openlijk uitkwam voor zijn homoseksualiteit. Ook dat riep bij sommigen weerstand op. Een jaar later, tijdens Nuit Blanche, een nacht vol festiviteiten in de stad, werd Delanoë neergestoken. Als motief zei de dader dat hij niets moest hebben van politici en al helemaal niets van gays. Gelukkig voor Delanoë kwam hij er met lichte verwondingen vanaf. Hij zou tot 2014 burgermeester blijven totdat Anne Hildago hem opvolgde.
Juni is traditiegetrouw het jaarlijkse hoogtepunt voor de LGBT-gemeenschap tijdens de Gay Pride, in het Frans prachtig verwoord met Marche des Fiertés. Letterlijk vertaald: “De mars van trotse(n) (mensen).” Op notoire gayknooppunten, zoals bars, musea, pleintjes, galeries… kan je deelnemen aan activiteiten. Een centrale plek is pal naast de gaywijk: het plein vóór l’Hôtel de Ville, daar waar de burgemeester woont.
De LGBT-gemeenschap viert zijn bestaan, diversiteit en gelijke rechten voor iedereen, en deelt dit ook graag met de rest van de stad als onderdeel van de Parijse cultuur. Marche des Fiertés begint doorgaans bij Jardin du Luxembourg en eindigt aan de andere kant van de stad op Place de la République. 700.000 mensen lopen mee of staan langs de kant. Doe je ook mee dit jaar? De gay pride is op zaterdag 25 juni.
Omdat we ervaren en betrouwbaar zijn en ons 100% focus op het beste resultaat hebben we al met vele fantastische klanten mogen werken.
In het volle licht van Vincent Van Gogh
Op mijn laatste verjaardag viel ik pardoes terug in mijn jeugd. Dat gebeurde in Ateliers des Lumières. Er was een tentoonstelling van Vincent van Gogh. Een projectie van bewegende beelden overal om me heen, onder mijn voeten, hoog boven mijn hoofd. Overal was Vincent van Gogh. Waar ik keek en overal waar ik niet kon kijken. Maar het was niet Vincent die mij terugbracht naar mijn jeugd. Net als bij de Petit Madeleine van Proust zorgde het onverwachte voor die sensatie. Van de projecties wist ik immers dat die zouden komen. Ik had een jaar eerder Gustav Klimt gezien op dezelfde locatie.
De schilderijen schoven over de muren. Vaak gegroepeerd per kleur. Het blauw van La Nuit étoilée (Starry Night). Het gouden geel van het korenveld. Het oranje geel van de zonnebloemen. Zoals bij Mozart melodie zich in je hart boort, zo geeft Van Gogh kleur aan je leven. Een appel waaraan je moet toegeven. Anders blijft spijt de rest van je leven zich aan je opdringen. Nina Simone zong in de zaal Don’t Let Me Be Misunderstood. Dit lijflied werd Vincents ondergang, lang voordat het nummer was gecomponeerd. Het onbegrip en het gebrek aan erkenning doopten hem in de absint, sneden hem zijn oor af, schoten hem in de borst.
Het schuiven ging maar door, een galerie van portretten: dokter Gachet die hem tevergeefs van zijn zenuwziekte wilde genezen, de bardame Agostina Segatori, de familie die aardappels at. En ook de kerk van Auvers-sur-Oise: vervormd, blauw en dansend. Hoezeer ik ook mijn best doe, de mooiste woorden die ik kan bedenken doen geen recht aan alle kleuren die ik toen zag. Je verwacht er zoveel van, je kijkt er al maanden naar uit, dan kan het alleen maar tegenvallen. En dat gebeurt dan niet. Het is minstens even mooi als dat je stiekem hebt gehoopt. Leven zonder verwachtingen is in werkelijkheid zoveel moeilijker dan het lijkt in woorden.
Het gebeurde eigenlijk al vroeg in de show, dat ik opeens een melodie hoorde die mij al volkomen in haar bedwang had toen ik vijftien jaar was. In die hete zomer in de jaren negentig, toen ik op mijn slaapkamer de wereld aan het ontdekken was. De klanken die zo goed bij Vincent pasten waren van Janis Joplin. Haar allermooiste: Kozmic Blues. Zoveel verdriet dat je de hele kosmos zou kunnen opvullen met je tranen. Dat zou een (tijdelijke) liefdesexplosie hebben opgeleverd: Janis Joplin en Vincent van Gogh! Alhoewel: waar hij heel serieus en fijngevoelig op de dingen inging, zou zij het allemaal weer schaterend hebben weggelachen. Misschien niet zo’n goede combinatie bij nader inzien.
Bij de intro schoot ik vol. Vier minuten lang heb ik als een kind staan huilen om de kleurenpracht in mijn ogen en oren. Wat een alchemie, wat een moment, wat een herkenning. Janis, Vincent en ik. Ik toen ik vijftien was, ik die nog amper mijn reis was begonnen. Op zoek naar mezelf, op zoek naar iets. De grote afstand tussen toen en ik nu, gestrand in Parijs. Ik begreep Vincent niet ineens beter, evenmin Janis of mijzelf. Het overkwam me gewoon. Ik voelde wat intenser deze dag.
Enkele weken later zat ik in de RER, de interregionale trein die Parijs verbindt met Île de France. Ik was op weg naar Auvers-sur-Oise. Ik zag de oorspronkelijke kerk: veel rechter, niet blauw en ook niet dansend. Naast het kerkje waar een uitvaart bezig was, lagen, omringd door een lage muur, de dorpsgenoten die alleen nog in de harten van nabestaanden voortleven. Of zelfs dat niet meer, omdat ze er al te lang liggen. Afgelegen tussen de onwetende akkers van Noord-Frankrijk, daar naast elkaar, liggen de twee broers, Vincent en Theo. Uit Zundert, Brabant, tien kilometer van waar ik ooit ben geboren. Toen het allemaal nog moest gebeuren. Ze liggen in graven van een eenvoud die genoeg is. Omgeven door een rust die Vincent in zijn leven nooit heeft kunnen vinden.
Shakespeare in Parijs
Twee van de beroemdste titels van de 20ste eeuwse wereldliteratuur zijn onlosmakelijk verbonden met Parijs: A La Recherche De Temps Perdu van Marcel Proust, wat een universum op zich is. En die andere klassieker is Ulysses van de Ier James Joyce. Zonder Parijs zouden we dit laatste boek misschien wel nooit hebben kunnen lezen.
Een van de plekken in Parijs waar Ernest Hemingway het liefste kwam was de boekhandel Shakespeare and Company. Het ontstaan kende een lange geschiedenis. Na een treinongeval keerde de verzekering een mooi bedrag uit aan de heer Clovis Monnier. Met dit geld wist hij de droom van zijn 23-jarige dochter te verwezenlijken: een eigen boekenwinkel. In 1915 opende Adrienne Monnier "Maison des Amis des Livres" in Rue de l’Odeon, in Saint-Germain. Twee jaar later liep de Amerikaanse Sylvia Beach haar winkel binnen. Het was liefde op het eerste gezicht tussen de twee jonge vrouwen. Toch kwam Beach pas terug na de oorlog. Monnier stimuleerde haar om haar droom te vervullen door een eigen boekhandel te beginnen. Gespecialiseerd in Engelstalige boeken. Dat werd Shakespeare and Company, in dezelfde straat als het "huis van de boekenvrienden".
Schrijver Ernest Hemingway was diep onder de indruk van de eigenaresse: ‘Sylvia had a lively, very sharply cut face, brown eyes that were as alive as a small animal’s and as gay as a young girl’s, and wavy brown hair that was brushed back from her fine forehead and cut thick below her ears and at the line of the collar of the brown velvet jacket she wore. She had pretty legs and she was kind cheerful and interested, and loved to make jokes and gossip. No one that I ever knew was nicer to me.’
De sympathie was zeker wederzijds, maar Beach’ grootste bewondering ging uit naar James Joyce. In haar memoires tekende zij op: ‘Mijn liefdes waren Adrienne Monnier, James Joyce en Shakespeare and Company.’ Joyce woonde met zijn gezin rond 1920 in Zürich, maar dichter Ezra Pound overtuigde hem ervan dat hij meer kans zou maken op publicatie in Parijs. Dat viel nog maar te bezien. Een deel van de onvoltooide roman Ulysses was gepubliceerd in The Little Review. Het literaire tijdschrift kreeg onmiddellijk een proces aan de broek wegens obsceniteiten. Iedere geïnteresseerde uitgeverij trok zich onmiddellijk terug. Maar een persoon niet; Sylvia Beach stond erop het baanbrekende werk uit te geven. Als een liefdesverklaring. Voor Joyce was het eerder een geschenk uit de hemel. De publicatie werd een verjaardagscadeau. Het eerste gedrukte exemplaar gleed op zijn verjaardag, in februari 1922, van de pers. Hetzelfde jaar waarin Proust overleed en het vierde deel van zijn A La Recherche De Temps Perdu verscheen. Net als die Franse romancyclus zou Ulysses de geschiedenis ingaan als een van de grootste meesterwerken van de 20ste eeuw, hoe hermetisch soms ook.
Vanaf de jaren zestig is Shakespeare and Company gevestigd aan de linkeroever van de Seine. Met het zicht op de Notre Dame. Het gebouw uit de 16de eeuw is krap en voorzien van een laag plafond. Om de trap op te gaan moet je je adem inhouden. Op de eerste verdieping vindt u luie fauteuils, een piano en de kat die snoezig ligt te slapen. Als u haar ziet liggen stoort u haar dan niet. Ze moet nodig bijslapen, ze is namelijk de hele nacht bezig geweest met lezen.
Informatie deels ontleend aan: Ernest Hemingway, A Moveable Feast.
Hemingway in Parijs
Een van de sfeervolste pleintjes van Parijs is Place de la Contrescarpe, aan de rand van Quartier Latin. Zowel in de uitbundige zomerzon als onder een plafond van feeërieke lichtjes in de winter. Als ik daar ben, en dat overkomt me vrijwel wekelijks, kan ik de neiging om de bocht om te gaan naar rue Cardinal Lemoine niet onderdrukken. Dan stop ik altijd bij nummer 74 en kijk omhoog. Daar hangt een van de meest troostrijke plakkaten van een stad die behangen is met plakkaten over voormalige bewoners. Ik lees een citaat uit A Moveable Feast van Ernest Hemingway, de Amerikaanse schrijver die hier in 1921 en 1922 woonde met zijn eerste vrouw: ‘Tel était le Paris de notre jeunesse au temps où nous étions très pauvres et très heureux.’ Het ontroert me elke keer weer.
De Hemingways woonden in Parijs aan de goede kant van de Seine als je van cultuur en het goede leven hield; het leven zonder zorgen en een feest dat bijna tien jaar zou duren. Tot aan de verwoestende crisis van de jaren dertig. Op de straten van Montparnasse op de tonen van de jazzmuziek werd gedanst tot in het holst van de nacht. Les années folles. De bohemiens nestelden zich in de restaurants, zoals le Dôme en la Rotonde, zonder eruit gezet te worden. Ook al veroorzaakten ze regelmatig vechtpartijtjes. La Coupole en le Select noemden zichzelf “Bar Americain”. In drie jaar tijd rees het aantal expats van de andere kant van de oceaan van zes duizend in 1921 tot dertig duizend in 1924! Een ander etablissement, la Closerie des Lilas, was de vaste stek van Ernest om even bij te tanken. De praatgrage schrijver was al snel populair bij het personeel.
Een andere plek waar hij kind aan huis was, was in Saint-Germain, bij Sylvia Beach. Zij opende het boekenwinkeltje Shakespeare and Company dat toen nog in Odéon was gevestigd en niet, zoals nu, tegenover de Notre Dame. In die tijd, toen Hemingway nog zeer arm was kocht hij geen boeken bij Beach, hij ‘leende’ ze van haar. Die armoede was tien jaar later verdwenen als sneeuw voor de zon. Hemingways eigen pennenvruchten begonnen te verkopen, het geld begon binnen te stromen. De schrijver reisde de hele wereld over. Hij woonde aan het onderste puntje van Florida, Key West, en ook aan de overkant, op Cuba. Hij leefde zich uit bij diepzeevissen en op safari, en beleefde als journalist avonturen in de Spaanse burgeroorlog. Zolang het maar een adrenalinestoot gaf. Hij probeerde het leven aan te houden zoals hij die beleefd had tijdens de Eerste Wereldoorlog. Echt be-leefd; of liever: dóór-leefd. Het was alles of niets. En het werd héél veel voor hem: vele bestsellers, vele avonturen, veel geld, vier huwelijken, vele depressies en veel, heel veel alcohol. Zijn laatste vrouw Mary klaagde over zijn alcoholwalm. Daarom vroeg Ernest aan de barman van het Ritz Hotel om een cocktail te maken waardoor de alcoholgeur geneutraliseerd zou worden. De man mengde tomatensap met wodka en dat werkte als een tovermiddel. Het geklaag was voorbij en de Bloody Mary cocktail was geboren. Genoemd naar zijn vrouw. Volgens de legende althans.
Na de Tweede Wereldoorlog begonnen depressies steeds meer zijn dagen te verduisteren. Een van de laatste werken die Hemingway tussen de depressies in schreef was de kleine memoires A Moveable Feast (‘een verplaatsbaar feest’, vertaald als: Dag en nacht feest). Hij beschreef zijn leven in Parijs van zijn jonge jaren nu hij meer en meer in de schaduw leefde van zijn naderende dood. Op de ochtend van een julidag in 1961 koos hij niet voor zijn schrijfmachine, maar laadde hij zijn favoriete dubbelloops jachtgeweer met twee kogels. Hij liep naar boven in de hal van zijn kapitale villa, nam de loop in zijn mond en haalde de trekker over. Kort daarvoor, in A Moveable Feast, had hij nog geschreven: ‘Ik weet niet hoe het er nu is, maar dit was het Parijs van onze jeugd toen we heel arm en heel gelukkig waren.’
Informatie deels ontleend aan: Ernest Hemingway, A Moveable Feast.
Marathon in Parijs
Zoals ieder zichzelf respecterende wereldstad heeft ook Parijs zijn eigen marathon. En dat niet alleen. Vanaf maart tot aan de zomer lijkt het erop dat om het weekend er wel een loopwedstrijd wordt georganiseerd in de Franse hoofdstad.
De koningin van deze competities is de marathon van 42 kilometer en 195 meter. Dit jaar loop je die wedstrijd op zondag 12 april. Samen met zo’n 60.000 andere deelnemers uit 145 verschillende landen.
Je loopt langs vele van de mooiste monumenten en locaties die Parijs rijk is: Champs Elysées, Opéra Garnier, Louvre, Place de la Bastille, Bois des Vincennes, Bois du Bologne, tot slot langs de Seine en de Eiffeltoren. De aankomst is aan de kop van Avenue Foch, aan de westkant van de stad. In totaal loop je door 7 arrondissementen. Onderweg is er van alles te doen. Livemuziek, een lichtshow, ander entertainment… Alsof je je zou vervelen tijdens het lopen van een marathon… Mocht je onderweg op instorten staan, dan is er een 250.000-koppig, uitzinnig publiek langs de weg om je aan te moedigen, om je vooruit te blazen.
Mocht je je in een overmoedige bui hebben ingeschreven voor de marathon en krijg je vervolgens paniekaanvallen hoe die ruim 42 kilometer überhaupt af te leggen, dan is er een andere oplossing. Je kunt uiteraard al in maart beginnen met het rustig op te bouwen. Er zijn in maart al verschillende andere afstanden, waaronder 10 kilometer. Maar bij je inschrijving kun je ook gebruik maken van een heus trainingsschema op maat, die je helemaal voorbereid op het grote werk op 12 april. Ook zijn er op het parcours ongeveer 30 hazen aanwezig zodat je gegarandeerd het juiste tempo loopt.
Hoe snel moet je lopen om kans te maken op de overwinning? Het mannenrecord staat sinds 2021 op naam van de Keniaan Elisha Rotich. Hij deed er 2 uur, 4 minuten en 21 seconden over de afstand in Parijs. Bij de vrouwen is het record sinds 2022 in handen van Judith Jeptum. Zij finishte in 2 uur, 19 minuten en 48 seconden.
De Marathon van Parijs is werkelijk gezegend met records: het is niet alleen de enige Franse race met het Elite-label van World Athletics Label Road Races, maar ook de op één na meest succesvolle marathon ter wereld. Dat wil zeggen na de Marathon van New York City komen er in Parijs de meeste starters werkelijk aan de meet aan.
In het tijdperk van inclusie zijn ook atleten met een beperking van de partij.
Als extraatje van dit weekend is er de dag ervoor een warming-up-loop van 4 km door Parijs. De Paris Run for All. In tegenstelling tot de marathon zelf, is deze 4 km loop toegankelijk voor iedereen vanaf 12 jaar. Ideaal als familie-uitje!