Maria Callas en een Griekse tragedie die begon in Parijs 

1958: Maria Callas treedt voor het eerst op in Parijs. Zij timmert dan al 10 jaar aan de weg. Tout Paris, zoals dat zo mooi heet, is aanwezig. De toenmalige Franse president Coty, schrijver Jean Cocteau maar ook Charlie Chaplin en Birgitte Bardot wilden deze performance voor geen goud missen. 


Maria Callas was net 10 jaar getrouwd met een 30 jaar oudere man, Giovanni Battista Meneghini, een oudere rijke industrieel uit Milaan. Hun relatie was eerder vriendschappelijk te noemen. Hij deed haar zaken. Het gevoel van verliefdheid was haar vreemd. Ze had er simpelweg geen tijd voor. Of: ze gaf er geen prioriteit aan. Het is maar hoe je het bekijkt. Toen ze jong was werd ze door haar moeder gepusht en eindeloos getraind om la divina – de goddelijke – te worden. Daar ging Meneghini mee door. Het ging om zingen zingen zingen.


Na afloop van het concert in Parijs is er een souper georganiseerd. Daar ontmoet ze Aristoteles Onassis die net als zij Grieks is. Er is een klik. Hij nodigt haar en haar entourage uit op zijn jacht de Christina O (genoemd naar zijn dochter). Maria wil aanvankelijk niet, want ze moet werken. Maar Meneghini zegt: “Laten we gaan, dat is goed voor je carrière en nieuwe contacten.” Op die boot gebeurt het onverwachte: voor het eerst maakte ze kennis met de alomvattende liefdesnacht. Een compleet gevoel, momenten die in een mensenleven op de vingers van één hand zijn te tellen. Vanaf dat moment is ze tot over haar oren verliefd en heeft ze haar hart verloren aan deze man, Onassis.


Maar Onassis had meerdere agenda’s. Hij verzamelde graag beroemde mensen om zich heen, om zo zijn nogal schemerige achtergrond te camoufleren. Zij vormden voor hem de vrijbrief voor zijn entrée bij de jetset. Hij beloofde Maria te trouwen, maar ze hing steeds aan een lijntje. Op een dag in 1968 toen zij een blik in de krant wierp las zij tot haar grote ontsteltenis dat Onassis plotseling getrouwd was met Jackie Kennedy. Jackie Kennedy! Dé weduwe van de jaren ’60 was 5 jaar na de dood van haar man – de Amerikaanse president – de beroemdste vrouw ter wereld. En dat moest Maria uit de krant vernemen! Het breekt haar totaal op. De tragedie, die onvervalst Grieks is, laat haar kennismaken met de ware liefde en de hoop op een leven zoals gewone mensen dat doen. Het stichten van een gezin, niet alleen maar keihard werken. Die illusie wordt in 1968 volledig de bodem ingeslagen. Maria voelt zich verraden.


Uiteindelijk maken ze het wel weer goed, lezen we in de brieven. Maar dan overlijdt Onassis in 1975 en dan is het definitief klaar voor haar. Ze sterft 2 jaar later in Parijs – eenzaam. Slechts 53 jaar oud. 


Tijdens de indrukwekkende Père Lachaise tour passeren we altijd de nis van Maria Callas in het columbarium. Die nis - nummer 16258 – is pas in 1991, 14 jaar na haar dood, afgedekt met een plaquette. Haar nis is leeg, want haar assen zijn uitgestrooid. Na de uitvaart was haar urn onmiddellijk gestolen, 2 dagen later weer teruggevonden, en uiteindelijk uitgestrooid voor het eiland Skorpios in de Ionische Zee. Onassis had van dit dor en aftands eilandje een paradijselijk oord gemaakt, ver weg van de boze buitenwereld. Het was die bekoring die Maria altijd die hoognodige troost bood. 

 

Deels ontleend aan: OVT, NPO Radio 1, 10 december 2023.

De robottoren

Vrijwel iedere keer als we aan het einde van de Montmartre tour over het oostelijk deel van Parijs uitkijken (met de Sacre Coeur in onze rug), zie ik de vraag al aan komen vliegen. Wat is die merkwaardige toren daar aan de horizon? Met die kubus erop. En iedere keer sta ik met een mond vol tanden. Dat is niet de beste tekst voor een tourgids.


Tijd om dat eens uit te zoeken. Tot op de bodem, zoals Lubach zou zeggen. En vér daarboven.


Eigenlijk zijn het 2 torens, maar het is duidelijk dat de ene boven de andere uittorent. Het toepasselijk genaamde Tours Duo zijn gelegen in het 13de arrondissement, pal naast de Périphérique. Deze hoek van Parijs, zuidoost, heeft de afgelopen jaren enorm geïnvesteerd in hoogbouw. Ze concurreren op het gebied van moderne architectuur bijna met het legendarisch La Défense, helemaal aan de westkant in Nanterre. 


Het pronkstuk in het 13de arrondissement is de hoogste van de Tours Duo. Deze toren, opgeleverd in 2021, is 180 meter hoog. (Zijn broertje is 125 meter hoog.) Daarmee is deze toren de op-twee-na hoogste van de stad. Na de Tour Montparnasse (210 meter) en – natuurlijk - de Eiffeltoren (330 meter). De functie van het hoogste broertje van het duo is allesbehalve opzienbarend. Er is een bank gevestigd: Natixis bank, onderdeel van de BPCE Group. En bovenin, in de top, vinden we een hotel en de trots van het gebouw: een zogenaamde skybar. Laurent Taïeb, werkzaam in de skybar zegt het als volgt: ‘Skybars wekken hevige emoties op. Vanaf de top zie je de stad anders, adem je beter, ontsnap je aan het lawaai en geeft de hoogte een gevoel van vrijheid. We hebben het gevoel dat Parijs van ons is.’ Dat geldt ook voor het 4-sterren hotel, dat luistert naar de naam TOO Hôtel. Uitgerust met een sauna en jacuzzi op het dak. Misschien een aanrader als je iets compleet anders wilt.


Niet de functie van het gebouw maar vooral de vorm van de toren trekt alle aandacht naar zich toe. Vrijwel iedereen slaat erop aan. Want de toren is opgebouwd uit een hele lange staaf, zoals vrijwel elke toren. Hoewel deze schuin is. En daarop ligt dus die kubus, een soort hoofd. En dat was ook de bedoeling van de architect, Jean Nouvel. Hij zegt: ‘De hoogste gebouwen in het verleden ontbeerden een fatsoenlijk hoofd. Hun dakterrassen waren ontoegankelijk. Een top moet, als je het mij vraagt, een hoofd bevatten, een herkenbaar profiel. Daarom zijn de hoofden van onze 2 torens allebei zeer expressief, levendig… ze spreken tegen elkaar en ook tegen hun vriendelijke buurtgebouwen.’


Vanaf de Sacre Coeur, helemaal aan de andere kant van de stad, kan ik dat alleen maar beamen. De hoogste van de Tours Duo lijkt vanuit de verte ietwat op een (speelgoed)robot. 


Hier gaat het niet bij blijven. De komende jaren heeft Parijs nog meer grote projecten in petto. Dankzij de reactie op het weinig populaire Tour Montparnasse is het centrum sinds 1973 verschoond gebleven van meer van zulke aan het zicht onttrekkende wolkenkrabbers. Maar aan de rand van de stad kunnen de projectontwikkelaars, zoals Herzog & de Meuron, naar hartenlust hun megalomane fantasieën botvieren. Zij ontvouwen aan de zuidgrens, aan de rand van het 15de arrondissement, een ambitieus plan. Het zogenaamde triangel-project. Deze wolkenkrabber in de vorm van een gigantische driehoek zou tegen 2026 afgerond moet zijn. Wordt vervolgd…

2023 is ook Gustave Eiffel-jaar

Ijzer. Sommige mannen worden ermee geassocieerd. Omdat ze krachtpatsers zijn. Of omdat ze iets in de metaal doen. Alexandre Gustave Eiffel was duidelijk één van het laatste soort. 


Ijzer liet zich voor een periode gelden als de toekomst. Eind 19de eeuw. Gustave Eiffel was een voortrekker met deze metaalsoort. Bij welke realisatie is hij niet betrokken geweest? Een willekeurige opsomming van zijn verwezenlijkingen:

·         Een passerelle, een loopbrug, in Bordeaux

·         Viaduc de Garabit in het Centraal Massief

·         De oorspronkelijke Temsebrug over de Schelde

·         Vrijheidsbeeld in New York

·         West-Treinstation in Budapest

·         Palais Galliera, het modemuseum in Parijs

·         De sluizen van het Panamakanaal

·         Het postkantoor van Ho Chi Minhstad in Vietnam 

·         Talloze vuurtorens over de hele wereld

·         …


Uiteindelijk had hij zoveel bruggen en andere constructies van ijzer gebouwd dat hij het eens over een andere boeg wilde gooien. Hij liet de hoogste toren ter wereld bouwen. 300 meter hoog. Een toren met zijn naam. En daardoor is die naam één van de beroemdste uit de geschiedenis geworden. Misschien dat William Shakespeare net iets beroemder is. En Jezus Christus. Maar dan heb je het wel gehad.


Eiffel was geboren in het oosten van Frankrijk, Dijon. Zijn vader was officier in het Rijnland geweest en luisterde oorspronkelijk naar de naam Boninckhausen. Het gebied Eifel lag net over de Duitse grens. Zoon Gustave liet de lange naam vallen in 1880 en luisterde enkel nog naar “Eiffel”. 


Eiffel vestigde zich in Levallois-Perret, even ten westen van Parijs. In Levallois trouwde hij met Marguerite Claudet. Zij schonk hem 5 kinderen, maar stierf jong. Gustave zou niet meer hertrouwen. In Levallois stond ook zijn fabriek. Hier werden vele onderdelen van zijn ijzerconstructies vervaardigd om getransporteerd te worden over de hele wereld. Levallois werd zijn basis.


Over het project van het Panamakanaal, waarbij Eiffel betrokken was, brak een groot schandaal uit. Zelfs de toenmalige regering struikelde er over. Eiffel was onschuldig. Toch begon hij zich meer en meer uit zaken terug te trekken en zich te richten op zijn oorspronkelijke liefhebberij: wetenschappelijke testjes doen. Dat deed hij in zijn eigen huis, alleen, op 300 meter hoogte. 


De laatste jaren van zijn leven woonde hij niet meer in de Eiffeltoren, maar iets lager. En op stand. In een hôtel particulier aan rue Rabelais, in de chique wijk achter de Champs Élysées. Hij stierf hier 100 jaar geleden, op 27 december 1923. Het is dus op de valreep ook Gustave Eiffel-jaar. Hij werd met de hoogste achting ter aarde besteld op de begraafplaats van Levallois-Perret. En daar ligt hij nog steeds, in het familiegraf. Op de namenlijst in het tempeltje lezen we ook de naam van Claudette.


Gustave Eiffel (en zijn familie) ligt naast een RER-metrolijn en omringd door veel kille nieuwbouw. Waarom ligt zo’n man hier? Een legendarische bouwontwikkelaar. 100 jaar geleden waren die nieuwbouw en spoorlijn er nog niet, maar dat familiegraf al wel. De eeuwige vraag die dan altijd - al sinds mijn jeugd – bij mij opdoemt is: wat lag er het eerst, de spoorlijn of het kerkhof? Want vaak liggen die naast elkaar en het is niet altijd even duidelijk wat er het eerst was, zeker niet als het een recenter aangelegde begraafplaats is. 


Weliswaar heeft Gustave Eiffel geen groots praalgraf gekregen op Champs de Mars, het veld naast zijn toren. Niettemin ligt hij in goed gezelschap bij Louise Michel, de heldin van de Commune-opstand. En een andere buur is de meester van de Bolero: Maurice Ravel, wiens verjaardag slechts één dag na die van Eiffel is. 

De Rolling Stones in Parijs 

Deze blog beginnen we niet in Parijs, maar in Groningen. Daar loopt tot eind januari de tentoonstelling Unzipped, een uitgebreide trip door het rock ‘n’ roll universum van de Rolling Stones. Naast de muziek staan ook kostuums en de gigantische podia centraal. Maar in de eerste plaats zijn de Stones muziek, muziek en nog eens muziek. Muziek die ook is opgenomen in Parijs. Om precies te zijn in de voorstad Boulogne-Billancourt, ten zuiden van Bois de Boulogne. Parc des Princes, het voetbalstadion van Paris Saint Germain, en het tenniscomplex van Roland Garros grenzen aan de gemeente die ooit lang geleden gedomineerd werd door de autofabrieken van Renault.


Ook ligt in deze gemeente de Pathé-Marconi-studio, die al sinds de jaren ‘60 in gebruik is. Vooral de Rolling Stones kennen een roemruchtige geschiedenis in deze platenstudio inclusief afgrijselijke uren en legendarische muziek. Ik licht er 2 perioden uit. 


De eerste keer dat de Stones deze studio bezochten was in het najaar van 1977. Disco domineerde de hitlijsten en punk zette zich faliekant af tegen de Stones. Grote spanningen beheersten de band. Gitarist Keith Richards zat nog zwaar onder de drugs en hij begon te beseffen dat het roer radicaal om moest wilde hij ooit 40 jaar worden. (Laat staan 80 jaar!) Keith stapte in een Parijse taxi en was het adres vergeten van zijn vaste flat hier. Zanger Mick Jagger behandelde Keith uit de hoogte en zei tegen sessiemuzikanten dat ze nooit meer op tournee zouden gaan ‘met een ouwe lul met een heroïneveroordeling’. Bijna niemand praatte met bassist Bill Wyman. Jagger, die in de jaren ‘70 tot de 10 beroemdste mensen ter wereld behoorde, zat intussen op een andere planeet. Hij logeerde in L’Hôtel, de prachtige, discrete accommodatie waar Oscar Wilde ooit was gestorven en waar Mick met zijn nieuwe vriendin, het blonde topmodel Jerry Hall, verbleef. In de hotelbar vind je nog altijd een foto van de zanger. 


De Stones waren volop bezig aan het album Some Girls met daarop de klassieker Miss You. Die single zou de volgende zomer vrijwel overal ter wereld uit de speakers knallen. 


Tegen die tijd hadden de Stones meer dan 40 nieuwe nummers op band staan, genoeg voor hun volgende drie elpees. Het lied Start Me Up kwam bijna als een reggaenummer op Some Girls terecht, maar het werd weggelaten. Keith was benauwd dat hij de belangrijkste melodielijn onbewust had overgenomen van een nummer dat hij op de radio had gehoord. 2 jaar later kwamen de Stones weer terug in de Pathé-Marconi-studio. In plaats van een reggaenummer werd Start Me Up pure rock met een van de beroemdste riffs van de jaren ‘80. De uiteindelijke single werd de laatste echte classic van de Stones.


De Pathé-Marconi-studio bleef de favoriete opnameruimte van de band, ondanks de eeuwige spanningen onder de bandleden. De laatste periode waarin ze neerstreken in Boulogne-Billancourt was in 1985. Hoewel de lente aanbrak was de sfeer tot ver onder het nulpunt gedaald. Mick voegde zich bij de band zonder materiaal voor de opnamesessies van het album Dirty Work. Hij had al zijn kruit verschoten aan zijn soloalbum. Keith: “In 1985 kregen we opeens al dat solo gedoe. Ik heb hem toen nog zó gezegd dat ik na al die jaren niet in zo’n situatie gedwongen wilde worden, want ik wist gewoon dat je daarmee op een belangenconflict aanstuurt. Ik heb er alles aan gedaan hem tegen te houden – ‘doe dat nou niet!’” Na een paar weken verliet Mick de opnamesessies omdat hij de promotie van zijn soloalbum belangrijker vond. 


Als hij er wel was ergerde Mick zich in het feit dat Keith nu aan de touwtjes trok en hij verschanste zich in een aparte opnameruimte in hetzelfde gebouw. Meestal arriveerde hij pas rond middernacht vanuit de flat die hij samen met Jerry Hall in Neuilly huurde, de chique buitenwijk ten westen van Parijs. Zodra hij klaar was, verdween hij vaak zonder de anderen ook maar te zien of te spreken. De sfeer was pet. Drummer Charlie Watts had problemen met zijn puberdochter en probeerde zich met drank op de been te houden. Bassist Bill Wyman was chagrijnig en verveeld, pianist Ian Stewart was van mening dat het afgelopen was met de Stones en weigerde op de tracks mee te spelen. “We hingen elkaar gewoon de keel uit,” zei Mick. “De band die je met muzikanten hebt, hangt af van wat je samen presteert. Zodra dat laatste uitblijft, krijg je negatieve reacties. En dan vallen bands uit elkaar.” Charlie: “In mijn 25 jaar bij de Stones heb ik 5 jaar gewerkt en 20 jaar rondgehangen. Als ik dat eerder had beseft was ik nu allang dood geweest.”


De elpee Dirty Work werd geen succes, sterker nog: het album wordt algemeen beschouwd als één van de dieptepunten in de gigantische Stones-catalogus. Een tournee was helemaal uit den boze. Jagger zei later: “Een tournee om Dirty Work te promoten zou een nachtmerrie zijn geworden. Het album was niet geweldig, de fysieke conditie abominabel. Ik was niet lekker in vorm en de rest van de band was zelfs niet in staat de Champs-Élysées af te lopen, laat staan een tournee te volbrengen.”


Het zou de laatste keer zijn dat de band zou opnemen in Parijs. Ze wisten uiteindelijk de strijdbijl te begraven, de scherven bij elkaar te rapen, die te lijmen en door te gaan. Eeuwig door te gaan. Nu zijn de oude goden (en opa’s) af en toe nog op het podium te bezichtigen. Zelfs als alle bandleden het tijdelijke voor het eeuwige hebben gewisseld zullen de Stones voor altijd blijven doorleven als een stelletje opwindende vrijbuiters die (cultuur)geschiedenis schreven in de 20ste eeuw. Ook in Parijs.

 

Grotendeels ontleend aan: Stephen Davis, Rolling Stones. Veertig jaar seks, drugs en rock-n-roll.

Ronnie en Charlie over deze periode: Ron Wood & Charlie Watts (The Rolling Stones) - Miss You | Het verhaal achter het nummer - YouTube

Parijs door de lens van Willy Ronis

Het was haar menens. Rose(tte) Zehner was een vrouw van Parijs. Arbeidster en activiste ten tijde van het meest linkse kabinet ooit in Frankrijk. Maart 1938, 37 jaar oud. Het is nooit verloren moeite om ergens voor te strijden als je het gelijk aan je kant hebt staan. Ook al maak je dat gelijk misschien niet meer mee bij leven en welzijn. Haar gelijk – en met haar dat van haar medestanders om haar heen – riep ze uit tijdens een staking in de Citroënfabriek. Aan quai Javel, het 15de arrondissement. Een mannenbolwerk, opgezet door een man, André Citroën. Je kan er met een loep overheen gaan, maar op de foto is geen man te bekennen. En toch was er minstens één man in die fabriekshal: de fotograaf. Willy Ronis was nog jong en onbekend. De foto wordt niet onmiddellijk gepubliceerd. Het cliché moet daar niet minder dan 45 jaar op wachten. Tot 1983 toen Ronis, inmiddels een beroemde beeldchroniqueur van Parijs, een bundel uitgeeft en daarin deze afdruk opneemt. Een film uit hetzelfde jaar brengt de vrouw voor de camera en de man achter de camera voor het eerst samen. De film heet Un Voyage de Rose.

Als je een beetje gewichtig wilt doen, kan je stellen dat alles draait om perspectief. In het leven, in de kunsten, bij problemen. Perspectief zien, perspectief geven, perspectief krijgen. Ineens is alles anders dan je dacht, omdat het anders loopt dan verwacht. Perspectief kan je een helpende hand bieden. Als je stuk zit, als je op zoek bent naar een ander uitzicht èn inzicht. Een ander perspectief kan een straat er ook ineens heel anders laten uitzien. Parijs is een gatenkaas: de honderden gangen van de metro, de gangen van de Catacomben, de gangen van de égouts (de rioleringen), de gangen van de oude spoorbanen waar illegale feesten worden gehouden, de gangen onder de Opéra waar albinokarpers zwemmen in het donker… Maar er zijn ook, zeker aan de oostkant, straten die lager doorlopen, de steegjes met trappen en treden naar de volgende strook kasseien. Onder die trappen spelen jonge jongens in korte broeken, ze zitten op een rooster. Ze zijn onzichtbaar voor de wereld op straat. Maar Willy Ronis zag ze, hij ving ze en vereeuwigde ze met zijn camera. Op zijn foto zie je de straat vanuit een ander perspectief. 

Verboden vruchten zijn de lekkerste. Verlangen is wat ons drijft, daar waar het leven om draait. De colonne van de Bastille, die ons doet stilstaan bij drie glorieuze dagen in juli 1830, was ooit te beklimmen. De liefde werd in de jaren 50, toen naast geluk stijlvolle elegantie nog heel gewoon was, gevierd op de colonne van de Bastille. Op 50 meter hoogte was Willy Ronis getuige. Hij zag de liefde en drukte haar af. En nog een keer. En nog een keer. Het was de liefde in pak en deux-pièces, zoals de dames in Hitchcock-films ze droegen. De man in pak ruikt de geur van haar haar. Die blijft de rest van je leven in je neus hangen. Het was ook de liefde voor Parijs die, zoals brekend licht door een prisma, uitstraalde via Ronis’ camera. Uitzicht op torens die net boven de stad uitsteken: Sint Paul kerk, de protestantse Temple du Marais, Tour Saint Jacques, Notre Dame, en de Eiffeltoren die opgaat in de lucht. Soms wil je afreizen naar perioden die niet meer bestaan, soms wil je torens beklimmen die nog wel bestaan, maar niet meer toegankelijk zijn. Welke vruchten smaken het zoetst? 

Scheurend door Parijs

Je kan dromen van Parijs terwijl je er nooit bent geweest. Je kan dromen van Parijs omdat je er ooit was. Of je laat je gedachten de vrije loop omdat je de stad wel kan dromen.  


Met mijn ogen dicht kan ik de kaart van Parijs aardig uittekenen. Puur op de verbeelding cross ik door de straten van Parijs. Alleen in mijn verbeelding. Regisseur Claude Lelouch scheurde door de stad in het echte leven. In een droom van een (kort)film: C’était un Rendez-vous uit 1976. Geschoten in één shot, zonder een cut of montage! 

 

Ik verzuip in het zwart, volledig in een tunnel, hoop geraas om mij heen. De weg in het ochtendlicht komt alsmaar dichterbij. Vrijwel de hele wereld ligt op één oor, en ik, ik kom met duivelse snelheid van de Périphérique uit Bois de Boulogne. Het is kwart voor 6, het is Porte Dauphine, het is een zondagochtend op 15 augustus. Na de rotonde genomen te hebben raas ik Avenue Foch op, met zijn 120 meter de breedste laan van de stad, waar enkele van duurste appartementen te vinden zijn. De Arc de Triomphe voor me schudt op het ritme van mijn voertuig. Achteloos snijd ik de bocht af naar rechts. Op Place de Étoile heb je altijd voorrang als je er opkomt; staat in het verkeersreglement van Parijs. Ik vlieg over de Champs Élysées, binnen enkele uren het toonbeeld van files en geclaxonneer. Ik haal enkele verdwaasde bestuurders met een gigantische snelheid in, enkel te vergelijken met de auteur Simon Vestdijk die sneller schreef dan God kon lezen (of zijn lezers). Na het beroemde winkelgedeelte word ik omarmd door het groen, rechts zie ik Grand Palais, en voor mij wordt de obelisk steeds indrukwekkender. Ik zoef Place de la Concorde op, zoals zelfs het peloton eind juli dat mij niet nadoet. Aan de andere kant van de brug zie ik Palais de Bourbon, ons parlement. Ik blijf op rive droite en scheur langs de Seine in de richting van het Louvre, met Grand Galerie aan mijn linkerkant. Met gevaar voor eigen leven schiet ik links de hoek om door de statige poort van het oneindige museum. Ik heb er zelfs geen oog voor dat op het plein waar ooit een glazen piramide zal verrijzen nu auto’s staan. De weg voor mij is nog vrij, breed en wild. Deze vrijheid maakt ruimte voor een portie lef waarvan ik niet wist dat ik die in mij had. Ik steek op hoge snelheid aan de andere kant door de poort van het Louvre Rue de Rivoli over. Inderdaad dat kruispunt waar je het verkeer van rechts en links onmogelijk ziet aankomen. Wat heb ik wel niet voor haar over! Ik spoed me over Avenue de l’Opéra, de majestueuze laan zonder bomen omdat de architect van de Opéra Garnier dat zonde van het uitzicht vond. Garniers troetelkindje in goud en marmer deinst meer en meer op. Hier heb ik al mijn stuurmanskunsten nodig, het is opmerkelijk druk zo vroeg op de ochtend met bussen en Volkswagen Kevers. Zonder af te remmen snel ik langs Galerie Lafayette in de richting van Trinité. De straten worden smaller, de uitdaging groter. Ik rij in Rue Jean-Baptiste Pigalle, beeldhouwer van beroep. Tijd om te denken dat ik daar ook ooit een blog over zou moeten schrijven heb ik niet. Daarvoor gaat het allemaal te snel; ik had haar beloofd niet te treuzelen. Zelfs een levering midden in de straat kan me niet van mijn missie afbrengen. Ik rij rakelings langs het trottoir, een vrouw met of zonder hond – het gaat te snel om het duidelijk te zien - deinst achteruit. Ik negeer de rode lichten op Place Pigalle. Enkele duiven krijgen de schrik van hun leven. Het nachtleven hier is inmiddels gaan slapen terwijl het daglicht de nacht wegdrukt. Ik ben bijna bij mijn eindbestemming. Zal ik het halen? Ik cross verder op de boulevard. Net voor de Moulin Rouge rijd ik bijna abusievelijk de straat rechts in, maar ik weet me op tijd te corrigeren. Ik draai na het beroemde theater met de rode wieken naar rechts, over het kerkhof van Montmartre en nader de heuvel van achteren via Rue Caulaincourt. Ik voel me een (boven)menselijke gps. Ik maak een scherpe bocht naar rechts, rij over de elegante, lommerrijke Avenue Junot. De buurt zal nu wel wakker zijn dankzij mijn geraas. Ik haast me langs het huisje waar Picasso ooit woonde, het café waar je Jacques Brel kon vinden voor een afzakkertje, dwars door het nu uitgestorven Place du Tertre. Ik ben bijna op het hoogste punt van de stad. Ik ga voor het prachtige uitzicht - maar niet op Parijs. Nog een dubbele bocht en ik sta voor de hagelwitte, zelf reinigende Heilige Hart-kerk op de heuvel. Ik parkeer mijn voertuig. In minder dan 8 minuten van a naar b(eter), want ze komt in wit gestreept en met stralende glimlach de trappen opgelopen. Een rendez-vous met haar. 

 

Jarenlang heb ik gedacht dat deze omschrijving een scène was uit de film Un Homme Et Une Femme (een film van dezelfde regisseur). Maar ik maak het allemaal té romantisch. Nee, het is een film op zichzelf. Zoals Frederico Fellini ooit in de film Roma Vespa’s liet stuitteren over de Romeinse kasseien als een ode aan de antieke stad zo deed Claude Lelouch dat voor Parijs.


Eigenlijk hoef ik helemaal niet te weten hoe die film tot stand is gekomen – ook al bestaat er een Making Of (Rendez Vous - Making off - YouTube). C’était un Rendez-vous is een tijdloos portret van Parijs omdat de film is opgenomen op een tijdstip waarop de stad nog niet is ontwaakt. Zoals een droom zich altijd in het heden afspeelt. 

 

Hollandse vrijgevigheid 

Tussen de kerk van Saint Sulpice en Jardin du Luxembourg ligt een kleine straat. Die straat heeft het getroffen om gelegen te liggen aan de rand van Saint-Germain-des-Prés. Een kleine rustige straat met prachtige chique appartementsgebouwen. De naam van de straat is Rue Férou. 


Behoorlijk zichtbaar in de straat is een taalschat. Een gigantisch gedicht. Niet minder dan 100 regels lang. Geschreven door Arthur Rimbaud. Rimbaud is typisch zo’n bohemien artiest uit de 19de eeuw vol syfilis en absint. Hij doolde een tijdje rond in het decadente Parijs. 


Duik in de geschiedenis van kunstenaars, dichters, schrijvers, beeldhouwers, acteurs en andere bohemiens en je leest dat velen zijn gegrepen door het groene monster van de absint, soms tot een alcoholpercentage van 90 procent! Niet zonder reden vanaf 1915 bij wet verboden. Het was de heroïne van de 19de eeuw. De kunstenaars waren de Keith Richards, Lou Reeds en Janis Joplins van de 19de eeuw. Om de cirkel in deze blog al vroegtijdig rond te maken vonden collega-rocksterren zoals Bob Dylan, Jim Morrison en Patti Smith maar ook Jack Kerouac en William S. Burroughs van de beatgeneration hun inspiratie bij Rimbaud. 


Als de artiesten al niet vergiftigd waren door de absint, dan was het wel een seksuele aandoening die hen ongeneeslijk ziek maakte. Syfilis was in de 19de eeuw hetzelfde vernietigende vonnis zoals aids dat was in de jaren 1980. In Montmartre tierde het syfilis-bacterie welig rond zoals de pest in de Middeleeuwen. Oud is Rimbaud niet geworden. 37 jaar. Kennelijk leidde in zijn geval een tumor tot een vroegtijdige dood. 


Eén van zijn bekendste gedichten heet: Le Bateau Ivre. Vrij vertaald betekent dit de “dronken boot” en beschrijft de laatste momenten van een zinkend schip. Rimbaud schreef het gedicht toen hij 16 jaar was, in de zomer van 1871 in zijn thuishaven Charleville. Dit gedicht bracht hem naar Parijs waar het kunstwerk bejubeld werd. Het schip stroomt over de rivieren, bevrijd van alle banden. Een soort losbandigheid die schreeuwt om uiteindelijk toch de koers huiswaarts te kiezen. Uitgeput. Maar lukt dat nog wel? Is het schip al niet te ver heen? In deze onstuimige vaart klinken echo’s van het seksueel orgasme. Want meer dan enkel een zinkend schip ging het gedicht ook over Rimbaud zelf. Verschillende homoseksuele verwijzingen passeren de revue in het lange gedicht. Hij had één ervaring met een andere man gehad voordat hij in Parijs arriveerde. Eenmaal in de metropool liet hij zich volledig gaan in het homocircuit en hij onderhield een relatie met collega-dichter Paul Verlaine. 


Dit gedicht, Le Bateau Ivre, is uitgeschreven over een meters lange muur die een groot deel van de kleine straat Rue Férou beslaat. Zo heel lang ‘hangt’ dit gedicht nog niet in rue Férou. Pas sinds 2012. Wat mij altijd fascineerde als ik er met gasten langs liep tijdens een tour was dat het gedrukt zou zijn in ‘Leyde’, de Franse naam voor de universiteitsstad in Zuid-Holland. Een gedicht van een Franse poëet op een muur in Parijs. Op en top Frans. Wat heeft Leiden daar nu mee te maken? Dat werd me niet eens zo gek lang geleden duidelijk. Wat bleek? Dit gedicht op de muur is een cadeautje. Uit onverwachte hoek. Een Hollandse geste. Mede mogelijk gemaakt door de Nederlandse ambassade. 


De stichting Tegen-Beeld uit Leiden heeft 9 jaar lang geijverd om dit project te realiseren. De stichting koos voor deze historische locatie omdat Arthur Rimbaud dit gedicht hier voor het eerst aan zijn Franse dichtersvrienden voordroeg - op de 1e etage van het inmiddels verdwenen restaurant Denogeant, (nu Magasin Sequoia) aan de Place Saint Sulpice. De reden dat Le Bateau Ivre in omgekeerde richting op de muur is aangebracht is omdat Rimbaud het destijds declameerde vanaf Place Saint Sulpice in de richting van het park en de wind nam zijn woorden mee in die richting. 


De onthulling vond plaats op 14 juni 2012, ten tijde van Marché de la Poésie op hetzelfde plein, in aanwezigheid van de toenmalige maire (burgervader) van het 6de arrondissement en een vertegenwoordiger van de Nederlandse ambassade in Parijs. De buurtbewoners waren er erg blij mee. Een buurvrouw bracht de muurschilder Jan Willem Bruins regelmatig een taart toen hij bezig was met zijn werk. 


Als je aan de overkant woont en je sluit de gordijnen, dan ga je slapen met de dichtregels van Le Bateau Ivre. Méér cultuur in je straat dan dit kan je je niet wensen. 

Malle Babbe

Op een maandagochtend liep ik rond in een labyrint. Het was een doolhof vol kunst. Kamers en gangen vol met schilderijen, beelden, snuisterijtjes (zoals mijn oma dat noemde) – onder andere van de Lodewijken XIV, XV en XVI. Schilderijen die samen een aanzienlijk deel van de geschiedenis vormen en waar geen redelijk geldbedrag voldoende voor is om ze er in uit te drukken. Je raadt het al, het doolhof waar ik in rondliep was het Louvre. 


Op de tweede verdieping in de Richelieu-vleugel liep ik langs de Hollandse meesters: Rembrandt in zijn zelfportret met een ‘golden earring’, Ruysdael met zijn onlosmakelijke Hollandse luchten, en De Kantwerkster van Vermeer. En niet te vergeten: Frans Hals. Plotseling stond ik voor een schilderij van hem dat Het Zigeunermeisje heet. Er was iets aan dit werk dat ik herkende. Maar ik wist niet wat. En ik wist ook niet waar ik het moest gaan zoeken. Maar ik kreeg hulp met deze omschrijving: ‘Wat we zien is een jonge vrouw met een schalkse, uitdagende blik. Haar krullige, bijna zwarte haren reiken tot aan haar schouders. Ze draagt een rode jurk met schouderbandjes. Daaronder een wijd openvallende witte blouse die een royale blik gunt op haar ronde, volle borsten.’


Daar is geen woord aan gelogen. Als je nog dieper in haar ogen kijkt, lijkt ze niet ouder dan 16, 17 jaar. De omschrijving hierboven helpt mij om dichter bij mijn bron van herkenning te komen. Want de omschrijving komt van diskjockey, taalkenner en schrijver Frits Spits. Hij maakt de connectie met tekstdichter Lennaert Nijgh. Nijgh schreef een tekst geïnspireerd op dit doek van Frans Hals. Nijgh spreekt over ‘een vrouw rond en blond’ en in het bezit van ‘een lekkere kont’. Maar dat kunnen we uit het schilderij in het Louvre niet opmaken: Frans Hals heeft haar slechts tot haar romp geschilderd. Als we zijn tekst verder afgaan blijkt de hoofdpersoon uit Nijghs tekst een prostituee te zijn. Toegegeven, het zigeunermeisje zou zich met de ondeugende oogopslag ons kunnen verleiden.


Het heeft er alle schijn van dat Nijgh het zigeunermeisje als vertrekpunt heeft genomen om zijn verbeelding de vrije loop te laten gaan. Uiteindelijk noemde hij het Zigeunermeisje Malle Babbe. Maar dat was ze allerminst. Malle Babbe, een ander schilderij van Frans Hals, hangt in Berlijn, en toont ons een vrouw op leeftijd met diepe groeven in haar gezicht. Ze doet me nog het meest denken aan de heks van het snoephuisje in Hans en Grietje. Die van ‘knibbel, knabbel knuisje, wie knabbelt er aan mijn huisje.’ De officieuze titel van het schilderij is: De Heks van Haarlem. Met deze stad zijn we sowieso dichter bij huis - dat van Lennaert Nijgh.


Het liedje Malle Babbe vertelt het klassieke thema van de liefde van een man voor een prostituee die in zijn ogen door andere mannen gereduceerd wordt tot vluchtig vlees. Hij loopt rond met overtuiging dat hij en alleen hij haar de liefde en een ander leven kan geven die ze in zijn ogen ontbeert. Hoewel verteld in heldere taal neemt de sfeer van Malle Babbe je mee naar een onbestaande stad of dorp. Of liever: een stad of dorp uit lang vervlogen tijden. Zoals een sprookjeswereld zich meestal afspeelt in ondefinieerbare Middeleeuwen. Het Land Van Maas En Waal, Pastorale, Prikkebeen... Lennaert Nijgh trekt ons telkens weer werelden in om in te verdwijnen. Doolhoven van tijd en ruimte. Het Louvre met zijn lange gangen en vertakte verdiepingen is als een Piranesi-gravure. Het perfecte decor voor Lennaerts teksten. Je weet niet waar je begint, je weet niet waar je eindigt.

 

Het lied bij het schilderij:  TOPPOP: Rob De Nijs - Malle Babbe (youtube.com) 

 Emily in Paris 

Dé tophit van dit toeristenseizoen is Emily In Paris. Hoe vaak ik er naar gevraagd ben sinds het vroege voorjaar is amper te tellen. Sterker nog, ik ben het gaan omkeren: “Zijn er in deze groep fans van Emily In Paris?” Die zijn er altijd. Soms uitgesproken, soms wat voorzichtig en zich verontschuldigend. 


Tientallen miljoenen mensen over de hele wereld hebben via Netflix kennis gemaakt met Emily die door haar werkgever naar Parijs is gestuurd. Emily - gespeeld door Lily Collins, de dochter van poplegende Phil Collins – spreekt amper frans en spartelt in de Parijse jungle. Maar niet té meedogenloos, want - uiteraard – vindt ze ook de liefde. Die woont een etage onder haar, maar zoals dat betaamd in een serie duurt het even voordat de daad bij het woord wordt gevoegd. Genoeg onderhuidse spanning dus – zowel op het beeldscherm als bij de kijker thuis. 


Tijdens al die avonturen passeren de vooroordelen en de clichés over beide bevolkingsgroepen – Fransen en Amerikanen – de revue. Vooral de Franse critici konden er niet mee lachen dat de Parijzenaars zo op de korrel worden genomen. De meningen over de kwaliteit van de serie variëren sowieso. Niettemin is de reeks gigantisch populair. 


Dat bleek wel toen ik in de zomer met gasten door Montmartre liep. We naderden het steile stukje richting Place Emile Goudeau. Even na 1900 werkte Picasso hier in zijn atelier Le Bateau Lavoir aan zijn kubistische meesterwerken. Enkele meters daarvoor is er een populair terrasje van de brasserie Le Relais de la Butte met een schitterend uitzicht op Hotel des Invalides (waar de restanten van Napoleon in een tombe liggen). Altijd een hoogtepunt in onze Montmartre tour. Maar deze ochtend konden we er naar fluiten om ook maar in de buurt te komen van dit plein. Het hele plein van Picasso was met lint afgesloten. Er waren opnames bezig. Inderdaad van de 3de serie van Emily In Paris. Pas in dit najaar op je Netflix. 


Dat is nu een extra verhaal in onze Montmartre tour, maar een eigen Emily In Paris-tour organiseren is een ander verhaal. De plek waar ik meestal de bovenstaande vraag stel aan de Emily-fans is voor het Panthéon in Quartier Latin. Want op het pleintje ernaast, het charmante Place de l’Estrapade, vinden we 2 waardevolle plekken uit de serie: de bakkerij waar Emily haar brood koopt èn het restaurant waar haar onderbuurman werkt op wie ze een oogje heeft. Overigens serveert dat restaurant in het echte leven geen Franse maar voornamelijk Italiaanse gerechten. Maar het echte Sancta Sanctorum, het heilige der heilige, is aan de overkant op nummer 1: het appartementsgebouw waar Emily woont. Vrijwel altijd als ik daar passeer, staan er meisjes van rond de 20 leeftijdsgenootjes in pose op de foto te zetten. 


Om haar conditie op peil te houden loopt Emily haar rondjes in Jardin du Luxembourg, op loopafstand van haar huis. 


Van deze 3, 4 plekken valt nog wel een Emily-tour te fabriceren. Maar andere herkenbare locaties zijn vaak op totaal andere plekken in Parijs te vinden, zoals de bloggers van Wegwijs Naar Parijs schrijven. Zij halen bijvoorbeeld de tuin van Palais Royale aan waar Emily luncht met een collega, en op Pont Alexandre III is ze getuige van de opnames van een commercial. Met een taxi of de metro zijn al die verschillende plekken van Emily wel haalbaar. Kilometers lopend afleggen door de stad, wat op zich geen straf is, is echter vooral gegeven aan de echte die-hard fan. 

Kan jij mij helpen met dit raadseltje?

Once upon a time lang geleden zat ik met 2 vrienden op een terrasje tegenover Gare Du Nord de tijd te doden. De Thalys van de 2 vrienden die ik deed uitzwaaien liet nog ruim een uur op zich wachten. En dus dronken wij iets in de lome juli-zon.  


Na afloop komt de garçon naar ons toe met de rekening. Het bedrag was 30 euro. Wij delen die rekening en leggen 3 keer een tientje neer op tafel. Iets in mij twijfelde over het bedrag, maar de sfeer was zo goed (en loom) dat ik dacht: weet je wat, ik laat het er maar bij zitten. 


Maar ik was niet de enige die de misrekening had opgemerkt. Want geloof het of niet, de ober besefte dat hij inderdaad een fout had gemaakt. De rekening was niet 30, maar 25 euro. De ober was ons dus nog 5 euro verschuldigd. Hij moet vast gedacht hebben: hoe verdeel ik 5 euro onder 3 personen. Hij neemt daarop een voorschot op zijn eventuele pourboire en houdt zelf 2 euro. Handige manier om de overige 3 euro makkelijker over ons 3’en te verdelen. Hij had nog meer te doen, zullen we maar zeggen. 


We kregen dus ieder een euro terug en hadden ieder 9 euro betaald. Samen is dat 27 euro. De ober had die 2 euro in eigen zak gestopt als fooi. 


Even later toen die 2 vrienden in de Thalys zaten en ik in metro lijn 4, zat ik de rekening te overdenken. In plaats van 30 had het ons 25 euro gekost. Wij kregen een euro terug, dus in plaats van een tientje per persoon hadden we 9 euro betaald, is 27 euro samen. De ober had 2 euro fooi genomen, is in totaal 29 euro. Waar was die ene euro gebleven om het totaal van 30 euro te krijgen?


Ik vraag me nog altijd af waar die ene euro naartoe is gegaan? Kan jij me helpen met de oplossing van dit raadsel? Misschien heb je tijd over in de trein of in de auto onderweg naar Parijs of Zuid-Frankrijk. Veel succes en plezier. Maar laat je niet gek maken! 😉

Het Proustiaanse paradijs

“Het echte paradijs is het paradijs dat we hebben verloren.” Deze troostrijke woorden, uit de mond van schrijver Marcel Proust, geven perspectief aan alle verlieservaringen die we ondergaan. Of dat nu het verlies van een ambitie is, rijkdom, een relatie, de dood van onze ouders of een kind… Vaak hebben we de rijkdom van wat we hebben niet door totdat het ons ontglipt. 

Inderdaad, deze week gaan we iets filosofischer. Over een of ander lekkernij of een Netflix-serie over Parijs schrijf ik de volgende keer wel weer. 

Marcel Proust is vooral beroemd geworden door zijn romancyclus van meer dan 3000 bladzijden: A La Recherche De Temps Perdu (Op Zoek Naar De Verloren Tijd). Over de tijd die achter ons ligt. Over dat deel van ons leven dat herinnering is geworden en waar we net zo makkelijk bij kunnen als bij jeuk tussen de schouderbladen. 

Het beroemdste fragment waarin die ruim 3000 bladzijden worden samengebald in één beeld wordt al na 50 bladzijden aan ons verteld. De ik-persoon is op bezoek bij zijn tante. Zij serveert hem thee met een gebakje, een Petite Madeleine. Hij doopt een klein beetje van die Madeleine op zijn lepeltje waar wat thee op rust en lepelt het in zijn mond. En wat er dan gebeurt… daar zijn bibliotheken over volgeschreven. Daarvoor komen adjectieven, superlatieven, categorieën, inventarisaties en sensaties tekort. Zeggen dat de ik-figuur naar zijn jeugd wordt teruggevoerd is niet krachtig genoeg. Voordat hij het amper zelf doorheeft, valt hij pardoes als het ware enkele verdiepingen lager in zijn bewustzijn. Ineens van het ene op het andere moment is hij terug in zijn jeugd, overweldigd door een gigantisch gevoel van geluk, geborgenheid, iets wat hij is kwijtgeraakt. Het is niet uitsluitend denken aan het verleden… Nee, het is echt samenvallen met dat verrukkelijk gevoel van compleet zijn - gedurende een kort moment. En dat valt niet te manipuleren. De ik-persoon probeert het namelijk opnieuw: hij doopt een nieuw stukje Madeleine in de thee op zijn lepeltje en slurpt het op. Maar de sensatie is al lang niet meer zo sterk. En de derde keer is het intense gevoel vrijwel opgelost – net zoals suiker in thee.

Deze voorgaande alinea, waarin de zogenaamde Proustiaanse ervaring wordt beschreven, is niet alleen van een eindeloze betekenis voor de wereldliteratuur, maar zegt ook ongelofelijk veel over wie we zijn als mens. Het is alomvattend en moeilijk te omschrijven. Want al die woorden die we gebruiken snijden ons juist af van het eigenlijke gevoel èn van onze eigen gevoelens. Het zit heel diep in ons. Het verlangen naar datgene wat we zijn kwijtgeraakt; we kunnen er niet bij. “Het is niet in woorden te vatten”, zeggen we gemakshalve. Dàt is vaak ook zo, maar niet voordat we er eerst over nagedacht hebben, of liever: het gevoeld hebben. Doordat taal niet toereikend is zijn dat momenten die ons eenzaam doen voelen. Proust zei het al: het echte paradijs is het paradijs dat we hebben verloren. 

 

Proust schreef A La Recherche De Temps Perdu grotendeels in bed in zijn met kurk bemuurde kamer. Dat hield het lawaai beter weg uit zijn eigen wereld. Hij bracht namelijk zijn laatste jaren door in huis in peignoir. En hij schreef en hij schreef. Hij beschreef zijn eigen “leven in de breedte”, zoals de Nederlandse schrijver A.F.Th. van der Heijden (De Tandeloze Tijd) dat later zou zeggen. Dat betekent dat vele momenten zo omvangrijk worden beschreven en erbij wordt stil gestaan dat momenten met vrienden, familieleden, liefdesaffaires van een enkele seconden in A La Recherche De Temps Perdu makkelijk enkele bladzijden in beslag neemt met zeer punctuele details en overpeinzingen over wat die ogenblikken eigenlijk betekenen. En soms zijn zinnen anderhalve bladzijde lang!  

A La Recherche De Temps Perdu geeft een fijnzinnig beeld van het sociale leven van de gegoede Parijse burgerij eind 19de, begin 20ste eeuw. En ook plaatsen die Proust vaak bezocht: adressen waar vrienden woonden, openbare plekken zoals restaurants, clubs, zelfs maisons closes (bordelen). Een ding valt meteen op: die adressen zijn voornamelijk gelokaliseerd in het 16de en 8ste arrondissement. Dat was toen al de aristocratische kant van het Haussmaniaanse Parijs met de appartementencomplexen die we allemaal zo goed kennen als het ultieme gezicht van Parijs. Marcels vader was hoogleraar in de medicijnen, zijn moeder was een Jodin van rijke komaf. Het onderscheid tussen rijk en arm opgedeeld in west en oost Parijs was toen nog veel dieper en scherper dan nu, 100 jaar later. Want laten we wel wezen: tegenover de superieure, enorm bevoorrechte wereld van Proust met beschaafde manieren en hypersensitieve personages staat er een Parijs vol met arbeiders en revolutionairen die dagelijks vochten voor betere sociale voorzieningen. Ofwel: een stuk brood of een aardappel. Maar dat is een volslagen andere wereld waar Proust aan voorbij gaat.

 

Toen Proust zijn laatste alinea’s op papier had gezet had hij nog slechts één woord te schrijven: ‘Fin’. Bij het einde van zijn romancyclus had hij nog slechts één mededeling: “Ik kan nu sterven.” Vandaag staan we stil bij die dag waarop Proust zijn laatste adem uitblies. Op 18 november 1922 stierf hij aan longontsteking. Hij werd bijgezet in het familiegraf op Père Lachaise, vlak naast het crematorium. 

Als je ervan uitgaat dat de dood eeuwig is dan liggen er weinig mensen toepasselijker op het kerkhof dan Marcel Proust. Zoals eenieder van ons was hij tijdens zijn leven in hevige strijd met de tijd. Hij ging daar veel bewuster mee om dan velen van ons. 100 jaar lang, zeeën van tijd, ligt hij inmiddels in zijn graf. Zijn levenswerk is uitgegroeid tot een fenomeen op zich. Een monument met een hoge eeuwigheidswaarde. 

Het leukste gay dorp van Europa


Wat Castro is voor San Francisco is Le Marais voor Parijs: dé gaywijk bij uitstek. 

Als je door Le Marais loopt kan je er niet omheen: de wijk is een uiterst creatieve omgeving. De gaywijk vind je in de kleine straatjes tussen het joodse kwartier en Centre Pompidou, alsof ze zich genesteld heeft tegen dit kleurrijke mastodont. In de jaren ’80, na de komst van dit modernekunstmuseum, begon de gaywijk enorm te floreren. Etalages vol extravaganza met kleding die de Toppers niet zou misstaan. Tattooshops en barbieren die gespecialiseerd zijn in modieuze baarden. Hypermoderne en groteske (toegepaste) kunst in populaire galeries. En op vrijwel iedere hoek kroegen en leuke terrasjes. Dan heb ik het over met name de omgeving rond Rue des Archives en Rue Saint-Merri. De locatie is onmiskenbaar: straatnaamborden en zebrapaden in regenboogkleuren. We noemen ze ook wel gaybrapaden. De Parijse gayscene behoort tot de opwindendste van de wereld, samen met die van New York, Londen, Sydney en Berlijn. Niet minder dan 140 bars om er te vinden waar je naar op zoek bent, zoals in Freedj, L’Open Café, Le Cox of La Mine.  

 

Ik begon de blog met: “Wat Castro is voor San Francisco is Le Marais voor Parijs: de gaywijk bij uitstek”. Zo’n geconcentreerde wijk nodigt uit voor hevige discussie of dit nu wèl of juist niet de integratie van LGBT’s en dus hun emancipatie in de samenleving bevordert. Juist omdat er een aparte, afgescheiden wijk speciaal is ingericht. Dan blijf je je toch onderscheiden of zelfs deels isoleren? Aan de andere kant is het ook heel menselijk: mensen die iets overeenkomstig hebben zoeken elkaar op, of dat nu een seksuele voorkeur is, een religie, een dance festival of juist metal, of je nu graag bridge speelt of toch liever bingo… Gelijkgezinden zoeken elkaar altijd op. Logisch. 

Maar er is een achterliggende gedachte voor een gaywijk. In de jaren ’60, toen Parijs prat ging op zijn open seksuele cultuur en houding, waren er genoeg mensen die schande spraken van de gay-scene. Het zou de internationale reputatie van de stad alleen maar ondermijnen. Zelfs uit de politiek waren geluiden te horen dat de politie de homo’s maar stevig onder controle moest houden. Allicht dat deze tegenstand zijn uitwerking niet gemist heeft en de gays zich vanaf de jaren ’80 vooral ontmoetten in Le Marais. 

Dat de volledige emancipatie en acceptatie nog niet was volbracht, bleek ook na de eeuwwisseling. In 2001 kreeg Parijs met de socialist Bertrand Delanoë zijn eerste burgervader die openlijk uitkwam voor zijn homoseksualiteit. Ook dat riep bij sommigen weerstand op. Een jaar later, tijdens Nuit Blanche, een nacht vol festiviteiten in de stad, werd Delanoë neergestoken. Als motief zei de dader dat hij niets moest hebben van politici en al helemaal niets van gays. Gelukkig voor Delanoë kwam hij er met lichte verwondingen vanaf. Hij zou tot 2014 burgermeester blijven totdat Anne Hildago hem opvolgde.  

 

Juni is traditiegetrouw het jaarlijkse hoogtepunt voor de LGBT-gemeenschap tijdens de Gay Pride, in het Frans prachtig verwoord met Marche des Fiertés. Letterlijk vertaald: “De mars van trotse(n) (mensen).” Op notoire gayknooppunten, zoals bars, musea, pleintjes, galeries… kan je deelnemen aan activiteiten. Een centrale plek is pal naast de gaywijk: het plein vóór l’Hôtel de Ville, daar waar de burgemeester woont. 

De LGBT-gemeenschap viert zijn bestaan, diversiteit en gelijke rechten voor iedereen, en deelt dit ook graag met de rest van de stad als onderdeel van de Parijse cultuur. Marche des Fiertés begint doorgaans bij Jardin du Luxembourg en eindigt aan de andere kant van de stad op Place de la République. 700.000 mensen lopen mee of staan langs de kant. Doe je ook mee dit jaar? De gay pride is op zaterdag 25 juni. 

In het volle licht van Vincent Van Gogh


Op mijn laatste verjaardag viel ik pardoes terug in mijn jeugd. Dat gebeurde in Ateliers des Lumières. Er was een tentoonstelling van Vincent van Gogh. Een projectie van bewegende beelden overal om me heen, onder mijn voeten, hoog boven mijn hoofd. Overal was Vincent van Gogh. Waar ik keek en overal waar ik niet kon kijken. Maar het was niet Vincent die mij terugbracht naar mijn jeugd. Net als bij de Petit Madeleine van Proust zorgde het onverwachte voor die sensatie. Van de projecties wist ik immers dat die zouden komen. Ik had een jaar eerder Gustav Klimt gezien op dezelfde locatie. 

De schilderijen schoven over de muren. Vaak gegroepeerd per kleur. Het blauw van La Nuit étoilée (Starry Night). Het gouden geel van het korenveld. Het oranje geel van de zonnebloemen. Zoals bij Mozart melodie zich in je hart boort, zo geeft Van Gogh kleur aan je leven. Een appel waaraan je moet toegeven. Anders blijft spijt de rest van je leven zich aan je opdringen. Nina Simone zong in de zaal Don’t Let Me Be Misunderstood. Dit lijflied werd Vincents ondergang, lang voordat het nummer was gecomponeerd. Het onbegrip en het gebrek aan erkenning doopten hem in de absint, sneden hem zijn oor af, schoten hem in de borst.

Het schuiven ging maar door, een galerie van portretten: dokter Gachet die hem tevergeefs van zijn zenuwziekte wilde genezen, de bardame Agostina Segatori, de familie die aardappels at. En ook de kerk van Auvers-sur-Oise: vervormd, blauw en dansend. Hoezeer ik ook mijn best doe, de mooiste woorden die ik kan bedenken doen geen recht aan alle kleuren die ik toen zag. Je verwacht er zoveel van, je kijkt er al maanden naar uit, dan kan het alleen maar tegenvallen. En dat gebeurt dan niet. Het is minstens even mooi als dat je stiekem hebt gehoopt. Leven zonder verwachtingen is in werkelijkheid zoveel moeilijker dan het lijkt in woorden. 

Het gebeurde eigenlijk al vroeg in de show, dat ik opeens een melodie hoorde die mij al volkomen in haar bedwang had toen ik vijftien jaar was. In die hete zomer in de jaren negentig, toen ik op mijn slaapkamer de wereld aan het ontdekken was. De klanken die zo goed bij Vincent pasten waren van Janis Joplin. Haar allermooiste: Kozmic Blues. Zoveel verdriet dat je de hele kosmos zou kunnen opvullen met je tranen. Dat zou een (tijdelijke) liefdesexplosie hebben opgeleverd: Janis Joplin en Vincent van Gogh! Alhoewel: waar hij heel serieus en fijngevoelig op de dingen inging, zou zij het allemaal weer schaterend hebben weggelachen. Misschien niet zo’n goede combinatie bij nader inzien.

Bij de intro schoot ik vol. Vier minuten lang heb ik als een kind staan huilen om de kleurenpracht in mijn ogen en oren. Wat een alchemie, wat een moment, wat een herkenning. Janis, Vincent en ik. Ik toen ik vijftien was, ik die nog amper mijn reis was begonnen. Op zoek naar mezelf, op zoek naar iets. De grote afstand tussen toen en ik nu, gestrand in Parijs. Ik begreep Vincent niet ineens beter, evenmin Janis of mijzelf. Het overkwam me gewoon. Ik voelde wat intenser deze dag.

Enkele weken later zat ik in de RER, de interregionale trein die Parijs verbindt met Île de France. Ik was op weg naar Auvers-sur-Oise. Ik zag de oorspronkelijke kerk: veel rechter, niet blauw en ook niet dansend. Naast het kerkje waar een uitvaart bezig was, lagen, omringd door een lage muur, de dorpsgenoten die alleen nog in de harten van nabestaanden voortleven. Of zelfs dat niet meer, omdat ze er al te lang liggen. Afgelegen tussen de onwetende akkers van Noord-Frankrijk, daar naast elkaar, liggen de twee broers, Vincent en Theo. Uit Zundert, Brabant, tien kilometer van waar ik ooit ben geboren. Toen het allemaal nog moest gebeuren. Ze liggen in graven van een eenvoud die genoeg is. Omgeven door een rust die Vincent in zijn leven nooit heeft kunnen vinden.

Jim Morrison: al 50 jaar Parijzenaar


Zo aan het eind van het jaar worden altijd overzichten gemaakt. Nieuwsoverzichten, in memoriams, top 1000, top 2000, top 4000… - wie biedt meer? Ook de Amerikaanse rockzanger en tekstdichter Jim Morrison staat meestal met zijn bandje in die eeuwigheidslijstjes. 2021 was een bijzonder jaar voor Jim Morrison. Want hij was – of eigenlijk is - 50 jaar dood.

 

Jim had met zijn makkers van de Doors net opnames afgerond in Los Angeles. Dat was eind 1970, begin 1971. De plaat zou L.A. Woman gaan heten, stond vol met bluesrock, zoals Love Her Madly, Riders On The Storm en het wervelende L.A. Woman (Mr. Mojo Risin’)

In maart kondigde Jim aan dat hij naar Parijs zou gaan. Om tot zichzelf te komen. Zijn vriendin, Pamela Courson, 24 jaar, woonde daar intussen ook. De andere bandleden vonden het een uitstekend idee. Het werk voor de nieuwe elpee zat er immers op. Jim kon licht geven, maar op momenten vrat hij ook aan je energie.

Wat deed hij zoal in Parijs, nu hij niet met de band hoefde te touren? Hij schreef dagelijks poëzie, maakte vele wandelingen en zat een groot deel van de tijd op het terras. Zoals op een van de mooiste plekken van de stad, Rue de Barres. Jim verbleef zelf in Rue Beautreillis 17-19, een beetje verderop in het summier overgebleven Middeleeuwse Parijs. Hij woonde in le Marais, dat toen nog niet zo hip was als tegenwoordig.

Ondanks dat het leek alsof hij een nieuwe balans had gevonden in deze esthetische stad, waren de drugs nooit ver weg. Het jonge koppel was nog altijd verslaafd. Jim leefde slechts 4 maanden in de Franse hoofdstad. Op 3 juli werd zijn lichaam levenloos gevonden. In de badkuip. Door Pamela. Zijn dood is in hasjnevelen gehuld. De officiële doodsoorzaak zou een hartstilstand zijn geweest. Zomaar? Op je 27ste? Er zou geen autopsie zijn gepleegd. Maar ik heb ook wel eens gehoord dat een anatoom dacht dat hij te maken had met het lichaam van iemand van ver in de 50. Jim had zijn lichaam als een laboratorium gebruikt. Die zelfdestructie was een van zijn drijfveren, als we zijn biografie mogen geloven. Boze tongen beweren dat zijn dood het gevolg was van een overdosis heroïne. 

Dat hij stierf wilde niet zeggen dat hij Parijs verliet. Integendeel. De begraafplaats Père Lachaise werd nog beroemder doordat Jim daar zijn laatste rustplaats kreeg. Zijn bescheiden graf verdrinkt tussen de praalgraven en monumentale tempels uit de 19de eeuw. Toch weten fans van over de hele wereld zijn plekje feilloos te vinden, getuige de vele voorwerpen en graffiti die zijn tombe decoreren. Niettemin heb ik het idee dat hij enigszins over het hoogtepunt van zijn roem heen is. Dat lijkt voor die hele flowerpower-generatie op te gaan. Vorig jaar, op dierendag, was zangeres Janis Joplin 50 jaar overleden. Veel minder dan ik hoopte werd daar door de media aandacht aan besteed. De hippies die het allemaal hebben meegemaakt, babyboomers dus, beginnen langzaam uit te sterven. Het lijkt erop dat het grote publiek (waar adverteerders zich vaak op richten) en de hedendaagse jongeren de idolen van toen minder en minder kennen. Het lijkt alsof we echt in een ander tijdperk zijn beland. De progressieve idealen van de bloemenkinderen zijn definitief begraven. De wind waait nu uit een andere richting. 

PARIS PROMENADE neemt u graag mee terug in de tijd. Als u dat wilt, organiseren wij een Jim Morrison-tour voor u. Afgelopen jaar heb ik nog mensen laten passeren langs het appartement in le Marais. Daarna namen we de metro naar zijn laatste rustplaats in het 20ste arrondissement. Uiteraard ontbreekt op een van onze mooiste tours (Père Lachaise) het graf van Jim Morrison niet.

 

Na Jims dood keerde Pamela weer terug naar waar ze vandaan kwam, Los Angeles. Omdat ze niet officieel getrouwd waren, was de afhandeling van de erfenis een litanie zonder einde. Pamela stierf drie jaar later. Aan een overdosis heroïne. Ze was 27 jaar. Ook zij.

W.F. Hermans in Parijs


Deze maand is het 100 jaar geleden dat schrijver Willem Frederik Hermans werd geboren. In Amsterdam. De laatste jaren van zijn leven woonde hij in de Belgische hoofdstad, en daarvoor, tussen 1973 en 1991, woonde hij in de lichtstad. 

 

Waar in Parijs woonde Hermans?  

Voor de liefhebbers die graag de sporen van beroemdheden volgen: Hermans nam aanvankelijk zijn intrek in Rue Théodule Ribot in het deftige 17de arrondissement, tussen Place de l’Étoile en het prachtige Parc Monceau. Later verhuisde hij met zijn vrouw Emmy en zoon Ruprecht even verderop naar 86, Avenue Niel, tegen de rand van de Périphérique. Verwacht geen plakkaat tegen de muur, zoals bij de grote Franse schrijvers. Zoveel Franse lezers kennen Hermans, die in zijn vaderland als één de grootste schrijvers van de 20ste eeuw bekendstaat, niet. 

 

Waarom woonde Hermans in Parijs?  

De Franse cultuur was hem met de paplepel ingegoten. Zijn beide ouders waren leerkrachten met een onderwijsakte Frans. De jonge Willem hield van Franse films en Franse auteurs, zoals Louis Ferdinand Céline en zijn woeste meesterwerk Voyage au bout de la nuit. Na een levenslang verlangen vatte hij in 1973 de koe bij de horens. Hij nam als gevolg van een conflict op de Groningse Universiteit ontslag én de benen naar de Franse hoofdstad. Toen was hij al de gevierde schrijver van klinkende titels als Ik Heb Altijd Gelijk, Het Behouden Huis, De Donkere Kamer van Damocles, Nooit Meer Slapen en Herinneringen van een Engelbewaarder. Eindelijk was de eeuwige querulant verlost van Nederland.  


Wat vond Hermans in Parijs?  

Hij zocht geen contact met eigentijdse Franse schrijvers; hij was niet onder de indruk van hun kwaliteiten. En als hij al hoopte op een Franse doorbraak dan moet hij teleurgesteld zijn geweest. Veel van zijn tijd ging vooral op aan het schrijven van boeken en polemieken – in het Nederlands. Hij kreeg bezoek van mensen zoals zijn Belgische vriend Freddy de Vree, actrice Sylvia Kristel en zijn collega schrijver Cees Nooteboom. Die laatste vertelde later dat Hermans gelukkig was in Parijs, maar dat hij het leven er ook moeilijk vond. Hermans: “Maar ik heb wel het voordeel, boven andere toeristen, dat ik, als ik in Parijs wil wandelen, alleen maar met de lift naar beneden hoef.’ Hij bleef met andere woorden een Hollandse toerist onder de Parijzenaren. Hij was druk bezig en tegelijkertijd geïsoleerd. “De functie van een roman is de fundamentele eenzaamheid van alle mensen op te heffen”, zei hij ooit tegen Nooteboom. 

 

Toch is Parijs niet alleen een romantische stad, het was voor hem ook een bron van verleiding. Hermans schrijft: ‘In het straatje waar ik mijn boodschappen doe, zijn wel acht bakkers, wel tien slagers, die ieder twintig soorten brood tweemaal per dag vers bakken, die vijfentwintig soorten vlees verkopen, plus kippen (echte, met geel vel) en ganzen, kalkoenen, korhoenders, kwartels, duiven, hazen, reeën, wilde zwijnen, enz. Als je ziet wat hier te koop is, besef je onthutst dat de Nederlanders driekwart van alle smakelijke dingen die de lieve natuur oplevert, helemaal niet kennen, nooit hebben gezien.’  

 

De openingszin van Au Pair, een van zijn laatste romans, die zich afspeelt in Parijs luidt: "Het eerste waar Nederlanders aan denken, als ze iets willen verkrijgen dat hun eigen land niet oplevert, is niet het zelf te gaan maken, maar het te zoeken in den vreemde." Hermans stond bekend om zijn messcherpe opmerkingen die even esthetisch als confronterend waren. Een Parijzenaar word je als buitenstaander nooit. Ook Hermans niet. Niettemin legt het vaderland het bij hem telkens af tegen de lichtstad. Misschien was hij wel, zoals zovelen onder ons, verliefd op een droom, op een geïdealiseerd beeld… Wat mag je anders verwachten van een schrijver? 

 

Informatie ontleend aan: Bart Koetsier en Margot Dijkgraaf, Met Parijse Pen

Gainsbourg


Wat heb ik die mensen veracht in mijn jeugd! Mensen op feestjes die heel ongemakkelijk begonnen te ginnegappen en te grinniken als Je T’aime Moi Non Plus gedraaid werd. Niet wetend waar ze met zichzelf moesten blijven onder het gekreun van Jane Birkin.

Als kind vond ik de melodie al prachtig, in dezelfde trant als de Mediterraanse smartlap Do You Love Me van Sharif Dean. Maar Je T’aime Moi Non Plus is uit een ander vaatje getapt. Die melodie is zó vurig en zó romig. De sfeer, de productie, het lied ademt vrijheid uit. De Franse vrijheid van de jaren zeventig. Weerklinkend in liedjes als Une Belle Histoire van Michel Fugain en Été Indien van Joe Dassin. Die gouden jaren dus.

Pas twee decennia later kwam ik erachter wat voor ongelofelijk kracht Serge Gainsbourg had en was. Ik werd op slag, nadat ik een dubbele compilatie-cd had gekocht, fan van hem en verliefd op vele van zijn chansons. La Chanson de Prévert, La Javanaise, Initials B.B., Melody Nelson, Elisa, Marilou Sous La Neige, Sorry Angel, Aux Enfants De La Chance… en natuurlijk veel en heel vaak 69 Année Erotique. De lijst is eindeloos! Zijn liedjes getuigen van kwaliteit. Vanaf zijn begin in de jaren ‘50 tot aan zijn laatste productie voor Vanessa Paradis in 1990, een jaar voor zijn dood.

En daar wil ik zijn, bij zijn dood. Want er zijn verschillende sporen van zijn dood in Parijs. Natuurlijk is er zijn graf. Daar ligt hij samen met zijn ouders in. Dat komt overigens vaker voor in Frankrijk. Niet op het beroemde Père Lachaise, maar op Cimetière Montparnasse. Zijn tombe is vaak bedekt met beertjes, bloemen, sigarettenpeuken en metrokaartjes.

Metrokaartjes, zult u zeggen? De echte fan weet natuurlijk waarom. Zijn doorbraak in 1958 heet Le Poinçonneur des Lilas. Het chanson gaat over een kaartjesknipper op de tramlijn tussen Parijs en Lilas, aan de oostkant van de metropool, die zijn leven zo zinloos acht dat hij uiteindelijk een gaatje in zijn eigen schedel schiet. Dat was Gainsbourgs eerste succes. De toon was gezet. (Voor de liefhebbers: aan de rand van Lilas, aan het einde van Rue de Belleville, aan de buitenkant van de Périphérique, vinden we sinds enkele jaren Jardin Serge Gainsbourg.)

Aan een andere rand, die van Saint-Germain-des-Prés, meer bepaald in Rue de Verneuille vinden we het huis waar Gainsbourg tussen 1971 en 1991 woonde. Gelukkige, maar ook minder gelukkige momenten kende hij daar met Jane en de kinderen. Serge was een liefdevolle, verlegen, onzekere minnaar en vader. Jane wilde haar kinderen structuur geven in het leven. Serge maalde er niet om om om vier uur ’s nachts al rokend en drinkend met zijn kleine kinderen op te blijven in zijn volledig zwarte interieur. Het fauteuil, de asbak, de tafel, de muren, letterlijk alles was zwart. Toen Serge in 1973 de eerste van zijn vijf hartinfarcten kreeg wilde hij niet naar buiten gebracht worden op de brancard onder de kleurloze ziekenhuisdeken, maar onder zijn eigen Hermès-deken. Zwart van kleur. 

Om een lang verhaal kort te houden: aan het einde van de jaren '70 vluchtte Jane het huis uit, omdat zij verstoord werd in een normale opvoeding voor de kinderen. Ze bleef wel voor Serge zorgen. In de laatste maanden van zijn leven warmde ze zijn diepvriesmaaltijden op. Op 2 maart 1991 stierf hij in dit lage en lege huis. 

En daar versteent de geschiedenis van het huis. 

Als u wilt leid ik u langs de woning. Op nummer 5 is het uit duizenden te herkennen: de gevel is een grote muurschildering van graffiti met Serges beeltenis en andere referenties aan zijn oeuvre. Ik vertelde u daarnet over de geschiedenis die er versteend is. Dat zit zo: de deuren zijn nog altijd 'hermetisch' gesloten. Binnenin is het in exact dezelfde staat als in maart 1991. Niets is veranderd. Dochter Charlotte Gainsbourg, in Frankrijk net als haar charmante moeder nog altijd een graag geziene gast in de media - allebei opvallend evenwichtige vrouwen - laat de poorten gesloten. Meer dan eens is ze gevraagd of het huis geen museum kan worden. Tot op heden is het er niet van gekomen. Als we voor de deur staan blijft het een groot mysterie. Ook voor menig gast tijdens mijn privétours. 

De dag dat het gebouw openbaar zal worden gesteld komt iedere dag een dagje dichterbij. En toch is diezelfde dag weer eens uitgesteld tot begin 2022. Wordt vervolgd…

Kunt u een geheimpje bewaren? 


Toen Oscar Wilde een homoseksuele relatie aanging met lord Douglas was zijn lot bezegeld. Hij ging de gevangenis in en zou nooit meer echt herstellen van die vrije val. Financieel raakte hij aan de grond en hij begon te kwakkelen met zijn gezondheid wat ervoor zorgde dat zijn inspiratie, welbespraaktheid en humor verdampten. Eind 19de eeuw treffen we hem aan in Parijs. Zijn laatste dagen bracht hij door in een hotel dat geen ster waard was.  

Het hotel droeg de naam Hôtel d’Alsace en was goedkoop. Het hotel bestaat nog altijd en heet nu even simpel als verwarrend L’Hôtel. Het hotel veranderde zijn naam. En de tarieven. Maar Oscars kamer kunt u nog altijd boeken. Voor 600 euro per nacht. De kamer baadt in exorbitante luxe, inclusief een privéterras. Het hotel telt inmiddels vijf sterren.  

Als 600 euro per nacht u te veel is, maar u voelt wel een speciale band met de Ierse schrijver dan wil ik wel een geheimpje met u delen. Want zonder rekening zult u de kamer niet van binnen te zien krijgen. Máár de sfeer kunt u er wel opsnuiven. Volgt u mij. U begeeft zich in de richting van Saint-Germain-des-Prés, een straat parallel met de Seine. Naast de Academie voor Schone Kunsten vindt u in een klein straatje een wonderlijk hotelletje. Binnen heerst er een overdaad aan schoonheid. Het personeel is vriendelijk op een Parijse manier: correct, ingehouden, comme il faut. Dan vraagt u aan de receptie in uw beste Frans of u een drankje mag nuttigen. U loopt door langs de lobby en de bar naar de serre. Die is prachtig verruimd met overal spiegels. Op tafel liggen oude boeken van de beroemde Ierse gast van weleer. Voor een gemiddeld Parijse prijs drinkt u hier een heerlijk kopje thee of een goed glas wijn. 


Als u binnen gaat, beperkt u dan het aantal personen tot drie à vier. Grotere gezelschappen gaat het personeel mij dat niet in dank afnemen. De plek hou ik graag ‘exclusief’. Eenmaal onderweg naar achteren vergeet u dan vooral niet naar boven te kijken: een gat in het plafond als een lange cilinder leidt per verdieping naar de verschillende kamers. Het diepe gat is bijna hypnotiserend. Als u daar toch staat, en u voelt de behoefte - na een lange wandeling, of preventief - van het toilet gebruik te maken, dan daalt u de trap af. Zelfs als u niets van toiletten moet hebben, doe het gerust. De kelder, geïnstalleerd als een minibibliotheek, zal u niet teleurstellen. 

Als Oscar Wilde had geweten dat meer dan honderd jaar na zijn dood dit hotel zo luxueus was geworden, had hij het er waarschijnlijk langer uitgehouden. Want toen hij er woonde, hielp zijn kamer niet bepaald aan zijn fysieke herstel. Integendeel. De decoratie daagde hem onverbiddelijk uit. “My wallpaper and I are fighting a duel to the death. One of us has got to go.” Wilde hield de eer aan zichzelf. Op 30 november 1900 stierf hij aan hersenvliesontsteking. Zijn nieuwe thuis werd het kerkhof van Père Lachaise. 

Shakespeare in Parijs


Twee van de beroemdste titels van de 20ste eeuwse wereldliteratuur zijn onlosmakelijk verbonden met Parijs: A La Recherche De Temps Perdu van Marcel Proust, wat een universum op zich is. En die andere klassieker is Ulysses van de Ier James Joyce. Zonder Parijs zouden we dit laatste boek misschien wel nooit hebben kunnen lezen.

Een van de plekken in Parijs waar Ernest Hemingway het liefste kwam was de boekhandel Shakespeare and Company. Het ontstaan kende een lange geschiedenis. Na een treinongeval keerde de verzekering een mooi bedrag uit aan de heer Clovis Monnier. Met dit geld wist hij de droom van zijn 23-jarige dochter te verwezenlijken: een eigen boekenwinkel. In 1915 opende Adrienne Monnier "Maison des Amis des Livres" in Rue de l’Odeon, in Saint-Germain. Twee jaar later liep de Amerikaanse Sylvia Beach haar winkel binnen. Het was liefde op het eerste gezicht tussen de twee jonge vrouwen. Toch kwam Beach pas terug na de oorlog. Monnier stimuleerde haar om haar droom te vervullen door een eigen boekhandel te beginnen. Gespecialiseerd in Engelstalige boeken. Dat werd Shakespeare and Company, in dezelfde straat als het "huis van de boekenvrienden".

Schrijver Ernest Hemingway was diep onder de indruk van de eigenaresse: ‘Sylvia had a lively, very sharply cut face, brown eyes that were as alive as a small animal’s and as gay as a young girl’s, and wavy brown hair that was brushed back from her fine forehead and cut thick below her ears and at the line of the collar of the brown velvet jacket she wore. She had pretty legs and she was kind cheerful and interested, and loved to make jokes and gossip. No one that I ever knew was nicer to me.’

De sympathie was zeker wederzijds, maar Beach’ grootste bewondering ging uit naar James Joyce. In haar memoires tekende zij op: ‘Mijn liefdes waren Adrienne Monnier, James Joyce en Shakespeare and Company.’ Joyce woonde met zijn gezin rond 1920 in Zürich, maar dichter Ezra Pound overtuigde hem ervan dat hij meer kans zou maken op publicatie in Parijs. Dat viel nog maar te bezien. Een deel van de onvoltooide roman Ulysses was gepubliceerd in The Little Review. Het literaire tijdschrift kreeg onmiddellijk een proces aan de broek wegens obsceniteiten. Iedere geïnteresseerde uitgeverij trok zich onmiddellijk terug. Maar een persoon niet; Sylvia Beach stond erop het baanbrekende werk uit te geven. Als een liefdesverklaring. Voor Joyce was het eerder een geschenk uit de hemel. De publicatie werd een verjaardagscadeau. Het eerste gedrukte exemplaar gleed op zijn verjaardag, in februari 1922, van de pers. Hetzelfde jaar waarin Proust overleed en het vierde deel van zijn A La Recherche De Temps Perdu verscheen. Net als die Franse romancyclus zou Ulysses de geschiedenis ingaan als een van de grootste meesterwerken van de 20ste eeuw, hoe hermetisch soms ook.

Vanaf de jaren zestig is Shakespeare and Company gevestigd aan de linkeroever van de Seine. Met het zicht op de Notre Dame. Het gebouw uit de 16de eeuw is krap en voorzien van een laag plafond. Om de trap op te gaan moet je je adem inhouden. Op de eerste verdieping vindt u luie fauteuils, een piano en de kat die snoezig ligt te slapen. Als u haar ziet liggen stoort u haar dan niet. Ze moet nodig bijslapen, ze is namelijk de hele nacht bezig geweest met lezen.

Informatie deels ontleend aan: Ernest Hemingway, A Moveable Feast.

Hemingway in Parijs


Een van de sfeervolste pleintjes van Parijs is Place de la Contrescarpe, aan de rand van Quartier Latin. Zowel in de uitbundige zomerzon als onder een plafond van feeërieke lichtjes in de winter. Als ik daar ben, en dat overkomt me vrijwel wekelijks, kan ik de neiging om de bocht om te gaan naar rue Cardinal Lemoine niet onderdrukken. Dan stop ik altijd bij nummer 74 en kijk omhoog. Daar hangt een van de meest troostrijke plakkaten van een stad die behangen is met plakkaten over voormalige bewoners. Ik lees een citaat uit A Moveable Feast van Ernest Hemingway, de Amerikaanse schrijver die hier in 1921 en 1922 woonde met zijn eerste vrouw: ‘Tel était le Paris de notre jeunesse au temps où nous étions très pauvres et très heureux.’ Het ontroert me elke keer weer.

De Hemingways woonden in Parijs aan de goede kant van de Seine als je van cultuur en het goede leven hield; het leven zonder zorgen en een feest dat bijna tien jaar zou duren. Tot aan de verwoestende crisis van de jaren dertig. Op de straten van Montparnasse op de tonen van de jazzmuziek werd gedanst tot in het holst van de nacht. Les années folles. De bohemiens nestelden zich in de restaurants, zoals le Dôme en la Rotonde, zonder eruit gezet te worden. Ook al veroorzaakten ze regelmatig vechtpartijtjes. La Coupole en le Select noemden zichzelf “Bar Americain”. In drie jaar tijd rees het aantal expats van de andere kant van de oceaan van zes duizend in 1921 tot dertig duizend in 1924! Een ander etablissement, la Closerie des Lilas, was de vaste stek van Ernest om even bij te tanken. De praatgrage schrijver was al snel populair bij het personeel.


Een andere plek waar hij kind aan huis was, was in Saint-Germain, bij Sylvia Beach. Zij opende het boekenwinkeltje Shakespeare and Company dat toen nog in Odéon was gevestigd en niet, zoals nu, tegenover de Notre Dame. In die tijd, toen Hemingway nog zeer arm was kocht hij geen boeken bij Beach, hij ‘leende’ ze van haar. Die armoede was tien jaar later verdwenen als sneeuw voor de zon. Hemingways eigen pennenvruchten begonnen te verkopen, het geld begon binnen te stromen. De schrijver reisde de hele wereld over. Hij woonde aan het onderste puntje van Florida, Key West, en ook aan de overkant, op Cuba. Hij leefde zich uit bij diepzeevissen en op safari, en beleefde als journalist avonturen in de Spaanse burgeroorlog. Zolang het maar een adrenalinestoot gaf. Hij probeerde het leven aan te houden zoals hij die beleefd had tijdens de Eerste Wereldoorlog. Echt be-leefd; of liever: dóór-leefd. Het was alles of niets. En het werd héél veel voor hem: vele bestsellers, vele avonturen, veel geld, vier huwelijken, vele depressies en veel, heel veel alcohol. Zijn laatste vrouw Mary klaagde over zijn alcoholwalm. Daarom vroeg Ernest aan de barman van het Ritz Hotel om een cocktail te maken waardoor de alcoholgeur geneutraliseerd zou worden. De man mengde tomatensap met wodka en dat werkte als een tovermiddel. Het geklaag was voorbij en de Bloody Mary cocktail was geboren. Genoemd naar zijn vrouw. Volgens de legende althans.


Na de Tweede Wereldoorlog begonnen depressies steeds meer zijn dagen te verduisteren. Een van de laatste werken die Hemingway tussen de depressies in schreef was de kleine memoires A Moveable Feast (‘een verplaatsbaar feest’, vertaald als: Dag en nacht feest). Hij beschreef zijn leven in Parijs van zijn jonge jaren nu hij meer en meer in de schaduw leefde van zijn naderende dood. Op de ochtend van een julidag in 1961 koos hij niet voor zijn schrijfmachine, maar laadde hij zijn favoriete dubbelloops jachtgeweer met twee kogels. Hij liep naar boven in de hal van zijn kapitale villa, nam de loop in zijn mond en haalde de trekker over. Kort daarvoor, in A Moveable Feast, had hij nog geschreven: ‘Ik weet niet hoe het er nu is, maar dit was het Parijs van onze jeugd toen we heel arm en heel gelukkig waren.’ 


Informatie deels ontleend aan: Ernest Hemingway, A Moveable Feast.

Joop Zoetemelk en de afwezigheid van Parijs

“Parijs is nog ver.”


Nee, niet alle wijsheden komen op het conto van Johan Cruijff. Joop Zoetemelk heeft er minstens ook één op zijn naam staan.  De uitdrukking is even indrukwekkend simpel als universeel. Je kunt hem voor alles gebruiken: Je hebt pas een taak tot een goed einde volbracht als het volledig klaar is. Geen seconde eerder. Er kan nog altijd iets mis gaan.

In 1980 won Joop de Tour de France. De filosofie volgens Joop was dat hij de wielerronde won in bed. Rust, rust, rust, dat is wat het lijf nodig heeft. Met drie weken lang afbeulen op de fiets in een gemiddeld tempo van 35 kilometer per uur pleeg je roofbouw op je lichaam. 

Als een 3000-koppig monster raast de tourentourage drie weken lang door het land. Gekkenwerk. Enorme infrastructuur om het sportspektakel in de huiskamers te brengen: kilometers lange files op smalle bergpaden, hotels vol met journalisten, technici, security, wielerploegen, sponsoren… Le Grand Boucle noemen ze dat hier. Letterlijk vertaald: de grote lus. Het vreemde, en dat is ook het mooie, is dat die tour in die drie weken als vier seizoenen in één dag van sfeer veranderd. De eerste week vaak ergens in de regen in het noorden, waar het relatief vlak is. Niet zelden een week later zwetend in subtropische hitte in het Alpenlandschap. En dan na drie weken zwoegen, drie weken ergens anders geweest te zijn en tegelijk toch altijd in datzelfde peloton dat zich als een razende rups door de “Hexagoon” verplaatst, komt op die laatste dag de tourkaravaan aan tussen die immense bebouwing. Daar moet je als televisietoeschouwer altijd even aan wennen na vooral platteland met kasteeltjes en landhuizen te hebben gezien. Van die drie lange weken tour spelen zich amper drie uur af in Parijs. 

Op die regenachtige zondagmiddag in 1980 ging aan de meet de arm van Joop omhoog. Met dank aan Gerrie Kneteman. Anders had hij de arm waarschijnlijk niet omhoog gedaan, las ik ooit in een boekje van Mart Smeets. Zoetemelk noemde hem altijd Mark – maar dat even terzijde.

100.000 landgenoten namen de moeite om dat weekend in 1980 zuidwaarts te gaan. Parijs sprak Nederlands. Filmpjes met uitzinnige wielerfans en het Grand Palais op de achtergrond. Allen met dat ultieme gevoel dat je even niet alleen staat, maar iets deelt met elkaar. Trots op onze Joop, de vleesgeworden Hollandse nuchterheid. Een ‘normalere’ man vond je niet in Nederland. In zwartwitbeelden van jaren daarvoor zag je al zijn ingehouden enthousiasme. Hij ontsnapt een glimlach lang uit het keurslijf om daarna meteen weer terug in de plooi te vallen. De Beatles bezorgen je een gevoel van verbroedering in Liverpool, Joop Zoetemelk verbond die julidag 1980 in Parijs. 

Uit handen van toenmalig burgemeester Jacques Chirac kreeg hij een bokaal overhandigd. De breedsprakerige, aandachtgevoelige Dries van Agt, toen Minister-President van Nederland, stond als een verlegen mecanicien in zijn schaduw. Na de officiële plichtplegingen trok Joop zich terug in een deel van het Grand Palais. Aan de kant van de Champs-Elysées, tegenover het Théâtre du Rond Point. Daar stond een juichende menigte zoals je die in Studio Sport gewoonlijk in het voorjaar op de Coolsingel of op het Leidseplein zag. Joop getooid in een gele onderbroek wierp zijn gele trui naar het publiek. Als piranha’s naar een prooi werd de trui aan stukken gereten. De meeste fans hielden niet veel meer over dan een snipper maillot jaune.

Joop zou Frankrijk nooit meer echt verlaten. Hij koos voor een Franse vrouw: Françoise. Of liever: zij koos hem. Joop is nooit het assertieve type geweest. Hoe dan ook, hij kwam bij haar en kreeg de schoonfamilie erbij. Dat gaf wrevel. Joop uit de Rijp leek altijd duizend keer Hollandser dan dat hij ooit Fransman had kunnen zijn. Toch voelde hij zich thuis in Frankrijk. Hij was liefhebber van jagen en de Franse keuken. 

Het huwelijk met Françoise was niet altijd even gemakkelijk. Net als haar ouders was zij het dominante type. En ze hield van drank. Wielrennen bleek voor Joop een uitvlucht te zijn. Hij werd steeds stiller. Françoise overleed in 2008. Met een nieuwe vrouw aan zijn zijde, Danny, bloeide Joop open. Naast diep verdriet kan een overlijden soms ook een bevrijding betekenen. 

Joop woont intussen al jaren samen met Danny in het dorpje Germigny-Évêque. Dat is volop Île de France, de landelijke gordel rond de hoofdstad. Toch lijkt Parijs, daar in het oorverdovend stille groen, oneindig ver weg.

Jaarlijkse feestje van de Tour de France


Heel lang geleden, toen deze eeuw nog jong en fris was (maar al lang niet meer onschuldig) en ik nog in Nederlandstalig gebied woonde, omarmde ik het idee om op één dag met de auto op en neer naar Parijs te gaan. Het Tourpeloton kwam die dag aan. Het was niet mijn eerste keer in de Franse hoofdstad, maar de weg kende ik nog niet zo goed. Iets wat ik me nu niet meer kan voorstellen. 

Zoals dat toen al 40 jaar lang de gewoonte was kwam de Tour de France aan op Avenue des Champs-Elysées. Wij daar naartoe. Rond een uur of twee ‘s middags naderden we de Périphérique. Na een autorit van vier uur. Ik was toen al wel zo verstandig om niet te diep met de auto het centrum in te rijden. We zouden de auto net binnen de Périphérique zetten en dan onze weg met de metro naar het centrum vervolgen. De auto parkeerden we vlakbij Saint-Chapelle. Een wijk waar ik nu toch twee keer zou nadenken om mijn auto daar achter te laten… alhoewel overdag is het er wel veilig. 

Ik herinner me dat we vervolgens richting Concorde gingen. Dat was minder verstandig. Hoe zal ik het zeggen: we waren niet de enige. Understatement van het jaar. Ik herinner me nog de plek waar we stonden. Aan de flauwe binnenbocht voor Jeu de Paume, tegenover het Hotel de la Marine. Dus pal naast de uitgang van metrostation Concorde. Volgepropt met honderden andere wielerliefhebbers.

Ik schrijf nu over de dagen dat de Amerikaan Lance Armstrong het tourpeloton domineerde zoals enkel de allergrootsten dat eerder hadden gedaan. Denk aan legendes zoals Jacques Anquetil, Eddy Merckx, Bernard Hinault en Miguel Indurain. Op deze dag zou Armstrong hun record evenaren. Een speciale dag dus. Tussen al die honderden mensen stonden we naast een Amerikaans koppel dat de ontdekking van de dag deed. Een landgenoot zou de tour winnen! Het koppel van middelbare leeftijd raakte overenthousiast.

Het tweede gedenkwaardige moment was waarop ze doorkregen dat hij in een “yellow jersey” reed. U weet dat de coureurs enkele rondjes rijden om het Jardin des Tuileries. Dat gaf het koppel meerdere kansen om de gele trui te ontwaren in het in moordend tempo voortschrijdende peloton. Soms twijfelden ze of het wel goed begrepen hadden. Maar iedere keer dat ik beaamde dat de gele trui passeerde, veerden ze weer op. “Oh yeah, there he is!! What’s his name again?” Enorm trots waren ze op het succes van hun landgenoot, ook al hadden ze amper door wie hij was en naar welke wedstrijd ze eigenlijk aan het kijken waren.

Destijds moest ik er wel om gniffelen. Ik was een stukje jonger en sneller veroordelend... U kent dat wel. Zo'n houding van: Die Amerikanen toch weer! Maar nu zie ik het toch anders. Ze waren onvoorwaardelijk aan het supporteren voor hun landgenoot. Geef ze eens ongelijk. Denk aan de oranjekoorts in Nederland. Dat gedrag was de Belgen altijd een doorn in het oog. Totdat de Rode Duivels ineens het beste voetbal van de wereld gingen spelen. Toen is er zelfs iets van die uitbundigheid ook bij hen ingeslopen. ;-) Met andere woorden wie wordt er niet enthousiast van succes van een landgenoot?

Enfin, Armstrong won de etappe op de Champs-Elysées niet. Maar hij won wel La Grand Boucle, zoals de Fransen de tour noemen. La Grand Boucle, omdat de renners in drie weken tijd min of meer een grote ronde, een lus, door het land rijden. Wij gingen na afloop weer op huis aan. Dat wil zeggen op zoek naar ons autootje. Die stond nog altijd keurig op ons te wachten in het 19de arrondissement. Laat in de avond waren we weer thuis met de vaststelling dat we die dag langer in de auto hadden gezeten (acht uur) dan in Parijs geweest te zijn. Maar de ervaring om in één dag op en neer naar Parijs te gaan ben ik nooit meer vergeten. U heeft het namelijk net gelezen.

 

Ik heb later nog verschillende malen de Tour gezien bij Place de la Concorde. In plaats van met de auto, altijd wandelend vanaf de plek waar ik woonde. En altijd weer won de gele trui.  

 

Merci, Les Blues! 


Ongeveer deze week had Nederland het EK 2020 moeten winnen. Of België. Of Frankrijk. Ze hadden alle drie een kans gehad. In plaats daarvan was het deze week twee jaar geleden dat het volgende werd waar gemaakt: “Lijkt 2018 niet een beetje op 1998?”

Overal aan de muren van Parijs was deze slogan al wekenlang te lezen. Het was reclame dat verwees naar de grote triomfen van het Franse voetbalelftal tijdens het wereldkampioenschap in eigen land aan het einde van de vorige eeuw. In 2018 zou “Les Blues” weer kans maken. En in tegenstelling tot de Nederlanders hielden de Fransen zich wel aan hun woord. (Ik herinner me dat het Oranje in de afgelopen dertig jaar vooral vaak net niet lukte.)

De finale van dat kampioenschap wilde ik niet missen, want het was exact dertig jaar geleden dat er nog iets te vieren was geweest. Ik herinner me een zaterdagmiddag in juni 1988. Nu, dertig jaar later, keek ik de finale in de stad. Die wedstrijd was een formaliteit: vier twee tegen Kroatië. Dat is het voordeel om een groot land te zijn. 

Daarna was het feest in de stad. De wedstrijd hadden we vlak bij de Champs-Élysées gezien. Het is traditie om ‘monter les Champs-Élysées’. Dat wil zeggen: je loopt en masse richting Arc de Triomphe, want dat is het hoogste punt van de lange avenue. De Champs is bijna twee kilometer lang dus dat duurt wel even. Wij kwamen via Rue la Boetie de Champs op, dat is al vrij ver omhoog. Even na zevenen was het al gezellig druk. Maar binnen een half uur werd het voller en voller. Het lijkt onvermijdelijk dat jongeren van deze uitzonderlijke omstandigheden gebruik maken om stennis te schoppen. Dat gebeurde helaas ook. 

Arc de Triomphe is in west en ik woonde in oost. Lopend kost je dat anderhalf tot twee uur. Uit voorzorg waren de metro’s gesloten die avond. Dus gingen we lopen. Dat kostte ons de rest van de avond. De sfeer in de stad was uitbundig. Place d’Étoile, waar de Arc de Triomphe op staat, werd Place Deux Étoiles gedoopt. Dit naar aanleiding van de tweede ster op het shirt na twee gewonnen wereldkampioenschappen. En iedereen danste, zong en scandeerde vrolijk: “Merci, les Blues, merci, les Blues!” Het is het liefkoosnaampje voor Franse equipes vanwege het blauwe tenue, zoals in België de Rode Duivels hun naam ontlenen aan het rode shirt. En ieder Nederlands elftal dankzij de shirtkleur in de volksmond Oranje wordt genoemd.

Halverwege de route gingen we eten bij een Italiaans restaurant in Rue de Montmartre. Van pure vreugde kwam de chef uit zijn keuken om op straat tussen de tafeltjes een serenade te brengen. Weer een uurtje of twee later hadden we eindelijk Place de la Bastille bereikt. We kwamen in de juiste richting. Het was inmiddels middernacht, tijd voor een ijsje. De shift van een jonge medewerker was afgelopen dus hij kon zich in het feestgedruis begeven. Ik hoor hem nog vol ongeloof zeggen: “Nous sommes les champions du monde!”

De volgende dagen deed ik tours op de fiets. Overal in de stad lagen de straten bezaaid met glas. Groen glas. Een Amsterdamse bierbrouwer laat overal zijn sporen achter. Onuitwisbare marketing. Dat heeft mij die zomer acht lekke banden gekost. Merci, Les Blues!


Waarom valt nieuwjaar op 1 januari?

Elk jaar wordt er in de nacht van 31 december op 1 januari voor honderden miljoenen aan vuurwerk de lucht in geknald. Sommige mensen komen speciaal helemaal naar Parijs om het nieuwe jaar in te luiden. Omdat het zo’n bijzondere datum is. Op 1 januari troeven we elkaar af met de beste voornemens. Want op 1 januari beginnen we weer helemaal van voor af aan. Tabula rasa. Ieder jaar opnieuw. Dat is volstrekt normaal op die datum. Maar ooit, lang geleden, was dat anders. 1 januari was (voor de meesten onder ons) een hele gewone dag, zoals 21 april of 7 september… In ieder geval was het helemaal geen nieuwjaar. We hebben het aan een Franse koning te danken dat we nu nieuwjaar vieren op 1 januari. Hoe zit dat precies? 


De beroemde Franse koningin Catherina de Medici had een zoon: Karel IX. Hij was koning in tijden van de godsdienstoorlogen, maar daar ga ik het nu niet over hebben. Hij heeft iets anders nagelaten, waar we nog altijd ieder jaar mee te maken hebben. Als nieuwe koning van Frankrijk reed hij op aansporing van zijn moeder het hele land door om zich te presenteren. Alle koningen deden dat en doen dat nog altijd. Zogenaamde Blijde Intochten. Zijn grand tour de France duurde ruim twee jaar. 


Het viel Karel op dat overal waar hij kwam in het land er andere data waren. Nergens was het dezelfde dag sinds hij vertrokken was uit de vorige stad. Afhankelijk van het bisdom begon het jaar op een ander moment. Dat kon zijn op 25 maart (in Wenen bijvoorbeeld) of op 1 maart of zelfs met Pasen. Het was allemaal willekeurig. En dat leidde tot een hoop verwarring. Dat moest maar eens afgelopen zijn, zo vond Karel.


In 1567 werd officieel de nieuwe jaarkalender ingevoerd. Dit initiatief – artikel 39 – maakte deel uit van een enorme bundel beleidsbepalingen die bekend is geraakt als het Edict van Roussillon. Karel was met zijn moeder uitgeweken naar het zuiden van Frankrijk voor een pestepidemie, vandaar Roussillon. 


Waarom uitgerekend 1 januari? Die bepaling was gebaseerd op Julius Caesar. De Romeinse dictator baseerde zijn kalender op de stand van zon (in plaats van de maan) en hield januari aan als de eerste maand op de Juliaanse kalender. Toch grepen vele landen na de val van het Romeinse Rijk terug op voorgaande systemen, waarbij de periode rond Kerstmis (25 december) of Pasen (25 maart) toonaangevend waren.


Eerlijk is eerlijk: de verandering van de Franse koning Karel IX was ingrijpend. Zijn edict brak met de min of meer de officiële traditie van het kalenderjaar dat aftrapt met Pasen. Als gevolg hiervan had het jaar 1566 ineens nog maar 8 maanden en 17 dagen. 1566 was op 14 april begonnen en op 31 december geëindigd, en niet zoals de oude Romeinse gewoonte in maart. Dat verklaart ook de verwarring van de maanden september, oktober, november en december. Met wat basis Latijn ontrafel je dat in september zeven zit (sept in het Frans ), in oktober acht, in november negen (neuf in het Frans) en in december tien (denk aan deci-meter, één tiende meter). Doordat Karel het in zijn hoofd kreeg om het jaar meer dan 2 maanden vroeger te beginnen schoven deze maanden dus ook 2 maanden later op. Daardoor strookte hun oorspronkelijke betekenis niet meer met hun positie in het jaar. 


Nu was Karel niet de allereerste die een hervorming voorzag. Zijn collega vorst van één generatie eerder, keizer Karel V, had voor zijn land een paar decennia eerder al een voorstel gedaan om het jaar al op 1 januari te beginnen. Paus Gregorius XIII voerde uiteindelijk in 1582 deze maatregel voor de hele katholieke kerk in. Een pauselijke bul nam tien dagen van het jaar 1582 af en decreteerde dat de dag volgend op 4 oktober niet 5 maar ineens versprong naar 15 oktober. Einde van alle discussie. Hij hervormde de hele Juliaanse kalender in het bijzonder om het overzicht van religieuze feesten te vereenvoudigen. En daar doen we het nog altijd mee. Gelukkig nieuwjaar! - maar wel op 1 januari.

 

Informatie deels ontleend aan: Norbert Elias, Een essay over tijd