Shakespeare in Parijs


Twee van de beroemdste titels van de 20ste eeuwse wereldliteratuur zijn onlosmakelijk verbonden met Parijs: A La Recherche De Temps Perdu van Marcel Proust, wat een universum op zich is. En die andere klassieker is Ulysses van de Ier James Joyce. Zonder Parijs zouden we dit laatste boek misschien wel nooit hebben kunnen lezen.

Een van de plekken in Parijs waar Ernest Hemingway het liefste kwam was de boekhandel Shakespeare and Company. Het ontstaan kende een lange geschiedenis. Na een treinongeval keerde de verzekering een mooi bedrag uit aan de heer Clovis Monnier. Met dit geld wist hij de droom van zijn 23-jarige dochter te verwezenlijken: een eigen boekenwinkel. In 1915 opende Adrienne Monnier "Maison des Amis des Livres" in Rue de l’Odeon, in Saint-Germain. Twee jaar later liep de Amerikaanse Sylvia Beach haar winkel binnen. Het was liefde op het eerste gezicht tussen de twee jonge vrouwen. Toch kwam Beach pas terug na de oorlog. Monnier stimuleerde haar om haar droom te vervullen door een eigen boekhandel te beginnen. Gespecialiseerd in Engelstalige boeken. Dat werd Shakespeare and Company, in dezelfde straat als het "huis van de boekenvrienden".

Schrijver Ernest Hemingway was diep onder de indruk van de eigenaresse: ‘Sylvia had a lively, very sharply cut face, brown eyes that were as alive as a small animal’s and as gay as a young girl’s, and wavy brown hair that was brushed back from her fine forehead and cut thick below her ears and at the line of the collar of the brown velvet jacket she wore. She had pretty legs and she was kind cheerful and interested, and loved to make jokes and gossip. No one that I ever knew was nicer to me.’

De sympathie was zeker wederzijds, maar Beach’ grootste bewondering ging uit naar James Joyce. In haar memoires tekende zij op: ‘Mijn liefdes waren Adrienne Monnier, James Joyce en Shakespeare and Company.’ Joyce woonde met zijn gezin rond 1920 in Zürich, maar dichter Ezra Pound overtuigde hem ervan dat hij meer kans zou maken op publicatie in Parijs. Dat viel nog maar te bezien. Een deel van de onvoltooide roman Ulysses was gepubliceerd in The Little Review. Het literaire tijdschrift kreeg onmiddellijk een proces aan de broek wegens obsceniteiten. Iedere geïnteresseerde uitgeverij trok zich onmiddellijk terug. Maar een persoon niet; Sylvia Beach stond erop het baanbrekende werk uit te geven. Als een liefdesverklaring. Voor Joyce was het eerder een geschenk uit de hemel. De publicatie werd een verjaardagscadeau. Het eerste gedrukte exemplaar gleed op zijn verjaardag, in februari 1922, van de pers. Hetzelfde jaar waarin Proust overleed en het vierde deel van zijn A La Recherche De Temps Perdu verscheen. Net als die Franse romancyclus zou Ulysses de geschiedenis ingaan als een van de grootste meesterwerken van de 20ste eeuw, hoe hermetisch soms ook.

Vanaf de jaren zestig is Shakespeare and Company gevestigd aan de linkeroever van de Seine. Met het zicht op de Notre Dame. Het gebouw uit de 16de eeuw is krap en voorzien van een laag plafond. Om de trap op te gaan moet je je adem inhouden. Op de eerste verdieping vindt u luie fauteuils, een piano en de kat die snoezig ligt te slapen. Als u haar ziet liggen stoort u haar dan niet. Ze moet nodig bijslapen, ze is namelijk de hele nacht bezig geweest met lezen.

Informatie deels ontleend aan: Ernest Hemingway, A Moveable Feast.

Kunt u een geheimpje bewaren? 


Toen Oscar Wilde een homoseksuele relatie aanging met lord Douglas was zijn lot bezegeld. Hij ging de gevangenis in en zou nooit meer echt herstellen van die vrije val. Financieel raakte hij aan de grond en hij begon te kwakkelen met zijn gezondheid wat ervoor zorgde dat zijn inspiratie, welbespraaktheid en humor verdampten. Vandaar dat we hem eind 19de eeuw aantreffen in Parijs. Zijn laatste dagen bracht hij door in een hotel dat geen ster waard was.  

Het hotel droeg de naam Hôtel d’Alsace en was goedkoop. Het hotel bestaat nog altijd en heet nu even simpel als verwarrend L’Hôtel. Het hotel veranderde zijn naam. En de tarieven. Maar Oscars kamer kunt u nog altijd boeken. Voor 600 euro per nacht. De kamer baadt in exorbitante luxe, inclusief een privéterras. Het hotel telt inmiddels vijf sterren.  

Als 600 euro per nacht u te veel is, maar u voelt wel een speciale band met de Ierse schrijver dan wil ik wel een geheimpje met u delen. Want zonder rekening zult u de kamer niet van binnen te zien krijgen. Máár de sfeer kunt u er wel opsnuiven. Volgt u mij. U begeeft zich in de richting van Saint-Germain-des-Prés, een straat parallel met de Seine. Naast de Academie voor Schone Kunsten vindt u in een klein straatje een wonderlijk hotelletje. Binnen heerst er een overdaad aan schoonheid. Het personeel is vriendelijk op een Parijse manier: correct, ingehouden, comme il faut. Dan vraagt u aan de receptie in uw beste Frans of u een drankje mag nuttigen. U loopt door langs de lobby en de bar naar de serre. Die is prachtig verruimd met overal spiegels. Op tafel liggen oude boeken van de beroemde Ierse gast van weleer. Voor een gemiddeld Parijse prijs drinkt u hier een heerlijk kopje thee of een goed glas wijn. 


Als u binnen gaat, beperkt u dan het aantal personen tot drie à vier. Grotere gezelschappen gaat het personeel mij dat niet in dank afnemen. De plek hou ik graag ‘exclusief’. Eenmaal onderweg naar achteren vergeet u dan vooral niet naar boven te kijken: een gat in het plafond als een lange cilinder leidt per verdieping naar de verschillende kamers. Het diepe gat is bijna hypnotiserend. Als u daar toch staat, en u voelt de behoefte - na een lange wandeling, of preventief - van het toilet gebruik te maken, dan daalt u de trap af. Zelfs als u niets van toiletten moet hebben, doe het gerust. De kelder, geïnstalleerd als een minibibliotheek, zal u niet teleurstellen. 

Als Oscar Wilde had geweten dat meer dan honderd jaar na zijn dood dit hotel zo luxueus was geworden, had hij het er waarschijnlijk langer uitgehouden. Want toen hij er woonde, hielp zijn kamer niet bepaald aan zijn fysieke herstel. Integendeel. De decoratie daagde hem onverbiddelijk uit. “My wallpaper and I are fighting a duel to the death. One of us has got to go.” Wilde hield de eer aan zichzelf. Op 30 november 1900 stierf hij aan hersenvliesontsteking. Zijn nieuwe thuis werd het kerkhof van Père Lachaise. 

In het volle licht van Vincent Van Gogh

Op mijn laatste verjaardag viel ik pardoes terug in mijn jeugd. Dat gebeurde in Ateliers des Lumières. Er was een tentoonstelling van Vincent van Gogh. Een projectie van bewegende beelden overal om me heen, onder mijn voeten, hoog boven mijn hoofd. Overal was Vincent van Gogh. Waar ik keek en overal waar ik niet kon kijken. Maar het was niet Vincent die mij terugbracht naar mijn jeugd. Net als bij de Petit Madeleine van Proust zorgde het onverwachte voor die sensatie. Van de projecties wist ik immers dat die zouden komen. Ik had een jaar eerder Gustav Klimt gezien op dezelfde locatie. 

De schilderijen schoven over de muren. Vaak gegroepeerd per kleur. Het blauw van La Nuit étoilée (Starry Night). Het gouden geel van het korenveld. Het oranje geel van de zonnebloemen. Zoals bij Mozart melodie zich in je hart boort, zo geeft Van Gogh kleur aan je leven. Een appel waaraan je moet toegeven. Anders blijft spijt de rest van je leven zich aan je opdringen. Nina Simone zong in de zaal Don’t Let Me Be Misunderstood. Dit lijflied werd Vincents ondergang, lang voordat het nummer was gecomponeerd. Het onbegrip en het gebrek aan erkenning doopten hem in de absint, sneden hem zijn oor af, schoten hem in de borst.

Het schuiven ging maar door, een galerie van portretten: dokter Gachet die hem tevergeefs van zijn zenuwziekte wilde genezen, de bardame Agostina Segatori, de familie die aardappels at. En ook de kerk van Auvers-sur-Oise: vervormd, blauw en dansend. Hoezeer ik ook mijn best doe, de mooiste woorden die ik kan bedenken doen geen recht aan alle kleuren die ik toen zag. Je verwacht er zoveel van, je kijkt er al maanden naar uit, dan kan het alleen maar tegenvallen. En dat gebeurt dan niet. Het is minstens even mooi als dat je stiekem hebt gehoopt. Leven zonder verwachtingen is in werkelijkheid zoveel moeilijker dan het lijkt in woorden. 

Het gebeurde eigenlijk al vroeg in de show, dat ik opeens een melodie hoorde die mij al volkomen in haar bedwang had toen ik vijftien jaar was. In die hete zomer in de jaren negentig, toen ik op mijn slaapkamer de wereld aan het ontdekken was. De klanken die zo goed bij Vincent pasten waren van Janis Joplin. Haar allermooiste: Kozmic Blues. Zoveel verdriet dat je de hele kosmos zou kunnen opvullen met je tranen. Dat zou een (tijdelijke) liefdesexplosie hebben opgeleverd: Janis Joplin en Vincent van Gogh! Alhoewel: waar hij heel serieus en fijngevoelig op de dingen inging, zou zij het allemaal weer schaterend hebben weggelachen. Misschien niet zo’n goede combinatie bij nader inzien.

Bij de intro schoot ik vol. Vier minuten lang heb ik als een kind staan huilen om de kleurenpracht in mijn ogen en oren. Wat een alchemie, wat een moment, wat een herkenning. Janis, Vincent en ik. Ik toen ik vijftien was, ik die nog amper mijn reis was begonnen. Op zoek naar mezelf, op zoek naar iets. De grote afstand tussen toen en ik nu, gestrand in Parijs. Ik begreep Vincent niet ineens beter, evenmin Janis of mijzelf. Het overkwam me gewoon. Ik voelde wat intenser deze dag.

Enkele weken later zat ik in de RER, de interregionale trein die Parijs verbindt met Île de France. Ik was op weg naar Auvers-sur-Oise. Ik zag de oorspronkelijke kerk: veel rechter, niet blauw en ook niet dansend. Naast het kerkje waar een uitvaart bezig was, lagen, omringd door een lage muur, de dorpsgenoten die alleen nog in de harten van nabestaanden voortleven. Of zelfs dat niet meer, omdat ze er al te lang liggen. Afgelegen tussen de onwetende akkers van Noord-Frankrijk, daar naast elkaar, liggen de twee broers, Vincent en Theo. Uit Zundert, Brabant, tien kilometer van waar ik ooit ben geboren. Toen het allemaal nog moest gebeuren. Ze liggen in graven van een eenvoud die genoeg is. Omgeven door een rust die Vincent in zijn leven nooit heeft kunnen vinden.

 

 

In 2020 is in Atelier des Lumières een volgende projectie te zien, een combinatie van Monet, Renoir en Chagall.

Hemingway in Parijs

Een van de sfeervolste pleintjes van Parijs is Place de la Contrescarpe, aan de rand van Quartier Latin. Zowel in de uitbundige zomerzon als onder een plafond van feeërieke lichtjes in de winter. Als ik daar ben, en dat overkomt me vrijwel wekelijks, kan ik de neiging om de bocht om te gaan naar rue Cardinal Lemoine niet onderdrukken. Dan stop ik altijd bij nummer 74 en kijk omhoog. Daar hangt een van de meest troostrijke plakkaten van een stad die behangen is met plakkaten over voormalige bewoners. Ik lees een citaat uit A Moveable Feast van Ernest Hemingway, de Amerikaanse schrijver die hier in 1921 en 1922 woonde met zijn eerste vrouw: ‘Tel était le Paris de notre jeunesse au temps où nous étions très pauvres et très heureux.’ Het ontroert me elke keer weer.

De Hemingways woonden in Parijs aan de goede kant van de Seine als je van cultuur en het goede leven hield; het leven zonder zorgen en een feest dat bijna tien jaar zou duren. Tot aan de verwoestende crisis van de jaren dertig. Op de straten van Montparnasse op de tonen van de jazzmuziek werd gedanst tot in het holst van de nacht. Les années folles. De bohemiens nestelden zich in de restaurants, zoals le Dôme en la Rotonde, zonder eruit gezet te worden. Ook al veroorzaakten ze regelmatig vechtpartijtjes. La Coupole en le Select noemden zichzelf “Bar Americain”. In drie jaar tijd rees het aantal expats van de andere kant van de oceaan van zes duizend in 1921 tot dertig duizend in 1924! Een ander etablissement, la Closerie des Lilas, was de vaste stek van Ernest om even bij te tanken. De praatgrage schrijver was al snel populair bij het personeel.


Een andere plek waar hij kind aan huis was, was in Saint-Germain, bij Sylvia Beach. Zij opende het boekenwinkeltje Shakespeare and Company dat toen nog in Odéon was gevestigd en niet, zoals nu, tegenover de Notre Dame. In die tijd, toen Hemingway nog zeer arm was kocht hij geen boeken bij Beach, hij ‘leende’ ze van haar. Die armoede was tien jaar later verdwenen als sneeuw voor de zon. Hemingways eigen pennenvruchten begonnen te verkopen, het geld begon binnen te stromen. De schrijver reisde de hele wereld over. Hij woonde aan het onderste puntje van Florida, Key West, en ook aan de overkant, op Cuba. Hij leefde zich uit bij diepzeevissen en op safari, en beleefde als journalist avonturen in de Spaanse burgeroorlog. Zolang het maar een adrenalinestoot gaf. Hij probeerde het leven aan te houden zoals hij die beleefd had tijdens de Eerste Wereldoorlog. Echt be-leefd; of liever: dóór-leefd. Het was alles of niets. En het werd héél veel voor hem: vele bestsellers, vele avonturen, veel geld, vier huwelijken, vele depressies en veel, heel veel alcohol. Zijn laatste vrouw Mary klaagde over zijn alcoholwalm. Daarom vroeg Ernest aan de barman van het Ritz Hotel om een cocktail te maken waardoor de alcoholgeur geneutraliseerd zou worden. De man mengde tomatensap met wodka en dat werkte als een tovermiddel. Het geklaag was voorbij en de Bloody Mary cocktail was geboren. Genoemd naar zijn vrouw. Volgens de legende althans.


Na de Tweede Wereldoorlog begonnen depressies steeds meer zijn dagen te verduisteren. Een van de laatste werken die Hemingway tussen de depressies in schreef was de kleine memoires A Moveable Feast (‘een verplaatsbaar feest’, vertaald als: Dag en nacht feest). Hij beschreef zijn leven in Parijs van zijn jonge jaren nu hij meer en meer in de schaduw leefde van zijn naderende dood. Op de ochtend van een julidag in 1961 koos hij niet voor zijn schrijfmachine, maar laadde hij zijn favoriete dubbelloops jachtgeweer met twee kogels. Hij liep naar boven in de hal van zijn kapitale villa, nam de loop in zijn mond en haalde de trekker over. Kort daarvoor, in A Moveable Feast, had hij nog geschreven: ‘Ik weet niet hoe het er nu is, maar dit was het Parijs van onze jeugd toen we heel arm en heel gelukkig waren.’ 


Informatie deels ontleend aan: Ernest Hemingway, A Moveable Feast.

Jaarlijkse feestje van de Tour de France


Heel lang geleden, toen deze eeuw nog jong en fris was (maar al lang niet meer onschuldig) en ik nog in Nederlandstalig gebied woonde, omarmde ik het idee om op één dag met de auto op en neer naar Parijs te gaan. Het Tourpeloton kwam die dag aan. Het was niet mijn eerste keer in de Franse hoofdstad, maar de weg kende ik nog niet zo goed. Iets wat ik me nu niet meer kan voorstellen. 

Zoals dat toen al 40 jaar lang de gewoonte was kwam de Tour de France aan op Avenue des Champs-Elysées. Wij daar naartoe. Rond een uur of twee ‘s middags naderden we de Périphérique. Na een autorit van vier uur. Ik was toen al wel zo verstandig om niet te diep met de auto het centrum in te rijden. We zouden de auto net binnen de Périphérique zetten en dan onze weg met de metro naar het centrum vervolgen. De auto parkeerden we vlakbij Saint-Chapelle. Een wijk waar ik nu toch twee keer zou nadenken om mijn auto daar achter te laten… alhoewel overdag is het er wel veilig. 

Ik herinner me dat we vervolgens richting Concorde gingen. Dat was minder verstandig. Hoe zal ik het zeggen: we waren niet de enige. Understatement van het jaar. Ik herinner me nog de plek waar we stonden. Aan de flauwe binnenbocht voor Jeu de Paume, tegenover het Hotel de la Marine. Dus pal naast de uitgang van metrostation Concorde. Volgepropt met honderden andere wielerliefhebbers.

Ik schrijf nu over de dagen dat de Amerikaan Lance Armstrong het tourpeloton domineerde zoals enkel de allergrootsten dat eerder hadden gedaan. Denk aan legendes zoals Jacques Anquetil, Eddy Merckx, Bernard Hinault en Miguel Indurain. Op deze dag zou Armstrong hun record evenaren. Een speciale dag dus. Tussen al die honderden mensen stonden we naast een Amerikaans koppel dat de ontdekking van de dag deed. Een landgenoot zou de tour winnen! Het koppel van middelbare leeftijd raakte overenthousiast.

Het tweede gedenkwaardige moment was waarop ze doorkregen dat hij in een “yellow jersey” reed. U weet dat de coureurs enkele rondjes rijden om het Jardin des Tuileries. Dat gaf het koppel meerdere kansen om de gele trui te ontwaren in het in moordend tempo voortschrijdende peloton. Soms twijfelden ze of het wel goed begrepen hadden. Maar iedere keer dat ik beaamde dat de gele trui passeerde, veerden ze weer op. “Oh yeah, there he is!! What’s his name again?” Enorm trots waren ze op het succes van hun landgenoot, ook al hadden ze amper door wie hij was en naar welke wedstrijd ze eigenlijk aan het kijken waren.

Destijds moest ik er wel om gniffelen. Ik was een stukje jonger en sneller veroordelend... U kent dat wel. Zo'n houding van: Die Amerikanen toch weer! Maar nu zie ik het toch anders. Ze waren onvoorwaardelijk aan het supporteren voor hun landgenoot. Geef ze eens ongelijk. Denk aan de oranjekoorts in Nederland. Dat gedrag was de Belgen altijd een doorn in het oog. Totdat de Rode Duivels ineens het beste voetbal van de wereld gingen spelen. Toen is er zelfs iets van die uitbundigheid ook bij hen ingeslopen. ;-) Met andere woorden wie wordt er niet enthousiast van succes van een landgenoot?

Enfin, Armstrong won de etappe op de Champs-Elysées niet. Maar hij won wel La Grand Boucle, zoals de Fransen de tour noemen. La Grand Boucle, omdat de renners in drie weken tijd min of meer een grote ronde, een lus, door het land rijden. Wij gingen na afloop weer op huis aan. Dat wil zeggen op zoek naar ons autootje. Die stond nog altijd keurig op ons te wachten in het 19de arrondissement. Laat in de avond waren we weer thuis met de vaststelling dat we die dag langer in de auto hadden gezeten (acht uur) dan in Parijs geweest te zijn. Maar de ervaring om in één dag op en neer naar Parijs te gaan ben ik nooit meer vergeten. U heeft het namelijk net gelezen.

 

Ik heb later nog verschillende malen de Tour gezien bij Place de la Concorde. In plaats van met de auto, altijd wandelend vanaf de plek waar ik woonde. En altijd weer won de gele trui.  

 

Merci, Les Blues! 

Ongeveer deze week had Nederland het EK 2020 moeten winnen. Of België. Of Frankrijk. Ze hadden alle drie een kans gehad. In plaats daarvan was het deze week twee jaar geleden dat het volgende werd waar gemaakt: “Lijkt 2018 niet een beetje op 1998?”

Overal aan de muren van Parijs was deze slogan al wekenlang te lezen. Het was reclame dat verwees naar de grote triomfen van het Franse voetbalelftal tijdens het wereldkampioenschap in eigen land aan het einde van de vorige eeuw. In 2018 zou “Les Blues” weer kans maken. En in tegenstelling tot de Nederlanders hielden de Fransen zich wel aan hun woord. (Ik herinner me dat het Oranje in de afgelopen dertig jaar vooral vaak net niet lukte.)

De finale van dat kampioenschap wilde ik niet missen, want het was exact dertig jaar geleden dat er nog iets te vieren was geweest. Ik herinner me een zaterdagmiddag in juni 1988. Nu, dertig jaar later, keek ik de finale in de stad. Die wedstrijd was een formaliteit: vier twee tegen Kroatië. Dat is het voordeel om een groot land te zijn. 

Daarna was het feest in de stad. De wedstrijd hadden we vlak bij de Champs-Élysées gezien. Het is traditie om ‘monter les Champs-Élysées’. Dat wil zeggen: je loopt en masse richting Arc de Triomphe, want dat is het hoogste punt van de lange avenue. De Champs is bijna twee kilometer lang dus dat duurt wel even. Wij kwamen via Rue la Boetie de Champs op, dat is al vrij ver omhoog. Even na zevenen was het al gezellig druk. Maar binnen een half uur werd het voller en voller. Het lijkt onvermijdelijk dat jongeren van deze uitzonderlijke omstandigheden gebruik maken om stennis te schoppen. Dat gebeurde helaas ook. 

Arc de Triomphe is in west en ik woonde in oost. Lopend kost je dat anderhalf tot twee uur. Uit voorzorg waren de metro’s gesloten die avond. Dus gingen we lopen. Dat kostte ons de rest van de avond. De sfeer in de stad was uitbundig. Place d’Étoile, waar de Arc de Triomphe op staat, werd Place Deux Étoiles gedoopt. Dit naar aanleiding van de tweede ster op het shirt na twee gewonnen wereldkampioenschappen. En iedereen danste, zong en scandeerde vrolijk: “Merci, les Blues, merci, les Blues!” Het is het liefkoosnaampje voor Franse equipes vanwege het blauwe tenue, zoals in België de Rode Duivels hun naam ontlenen aan het rode shirt. En ieder Nederlands elftal dankzij de shirtkleur in de volksmond Oranje wordt genoemd.

Halverwege de route gingen we eten bij een Italiaans restaurant in Rue de Montmartre. Van pure vreugde kwam de chef uit zijn keuken om op straat tussen de tafeltjes een serenade te brengen. Weer een uurtje of twee later hadden we eindelijk Place de la Bastille bereikt. We kwamen in de juiste richting. Het was inmiddels middernacht, tijd voor een ijsje. De shift van een jonge medewerker was afgelopen dus hij kon zich in het feestgedruis begeven. Ik hoor hem nog vol ongeloof zeggen: “Nous sommes les champions du monde!”

De volgende dagen deed ik tours op de fiets. Overal in de stad lagen de straten bezaaid met glas. Groen glas. Een Amsterdamse bierbrouwer laat overal zijn sporen achter. Onuitwisbare marketing. Dat heeft mij die zomer acht lekke banden gekost. Merci, Les Blues!