Emily in Paris 

Dé tophit van dit toeristenseizoen is Emily In Paris. Hoe vaak ik er naar gevraagd ben sinds het vroege voorjaar is amper te tellen. Sterker nog, ik ben het gaan omkeren: “Zijn er in deze groep fans van Emily In Paris?” Die zijn er altijd. Soms uitgesproken, soms wat voorzichtig en zich verontschuldigend. 


Tientallen miljoenen mensen over de hele wereld hebben via Netflix kennis gemaakt met Emily die door haar werkgever naar Parijs is gestuurd. Emily - gespeeld door Lily Collins, de dochter van poplegende Phil Collins – spreekt amper frans en spartelt in de Parijse jungle. Maar niet té meedogenloos, want - uiteraard – vindt ze ook de liefde. Die woont een etage onder haar, maar zoals dat betaamd in een serie duurt het even voordat de daad bij het woord wordt gevoegd. Genoeg onderhuidse spanning dus – zowel op het beeldscherm als bij de kijker thuis. 


Tijdens al die avonturen passeren de vooroordelen en de clichés over beide bevolkingsgroepen – Fransen en Amerikanen – de revue. Vooral de Franse critici konden er niet mee lachen dat de Parijzenaars zo op de korrel worden genomen. De meningen over de kwaliteit van de serie variëren sowieso. Niettemin is de reeks gigantisch populair. 


Dat bleek wel toen ik in de zomer met gasten door Montmartre liep. We naderden het steile stukje richting Place Emile Goudeau. Even na 1900 werkte Picasso hier in zijn atelier Le Bateau Lavoir aan zijn kubistische meesterwerken. Enkele meters daarvoor is er een populair terrasje van de brasserie Le Relais de la Butte met een schitterend uitzicht op Hotel des Invalides (waar de restanten van Napoleon in een tombe liggen). Altijd een hoogtepunt in onze Montmartre tour. Maar deze ochtend konden we er naar fluiten om ook maar in de buurt te komen van dit plein. Het hele plein van Picasso was met lint afgesloten. Er waren opnames bezig. Inderdaad van de 3de serie van Emily In Paris. Pas in dit najaar op je Netflix. 


Dat is nu een extra verhaal in onze Montmartre tour, maar een eigen Emily In Paris-tour organiseren is een ander verhaal. De plek waar ik meestal de bovenstaande vraag stel aan de Emily-fans is voor het Panthéon in Quartier Latin. Want op het pleintje ernaast, het charmante Place de l’Estrapade, vinden we 2 waardevolle plekken uit de serie: de bakkerij waar Emily haar brood koopt èn het restaurant waar haar onderbuurman werkt op wie ze een oogje heeft. Overigens serveert dat restaurant in het echte leven geen Franse maar voornamelijk Italiaanse gerechten. Maar het echte Sancta Sanctorum, het heilige der heilige, is aan de overkant op nummer 1: het appartementsgebouw waar Emily woont. Vrijwel altijd als ik daar passeer, staan er meisjes van rond de 20 leeftijdsgenootjes in pose op de foto te zetten. 


Om haar conditie op peil te houden loopt Emily haar rondjes in Jardin du Luxembourg, op loopafstand van haar huis. 


Van deze 3, 4 plekken valt nog wel een Emily-tour te fabriceren. Maar andere herkenbare locaties zijn vaak op totaal andere plekken in Parijs te vinden, zoals de bloggers van Wegwijs Naar Parijs schrijven. Zij halen bijvoorbeeld de tuin van Palais Royale aan waar Emily luncht met een collega, en op Pont Alexandre III is ze getuige van de opnames van een commercial. Met een taxi of de metro zijn al die verschillende plekken van Emily wel haalbaar. Kilometers lopend afleggen door de stad, wat op zich geen straf is, is echter vooral gegeven aan de echte die-hard fan. 

Musée Yves Saint-Laurent


21 was hij. Het jaar daarvoor was Yves als gevolg van een fatale hartinfarct van Christian Dior de creatieve directeur geworden van het gelijknamige, gerenommeerde modemerk. En nu, in het voorjaar van 1958, stond hij op het punt zijn eerste grote collectie te presenteren. Het werd de Trapezium-lijn genoemd. Centraal stond een jurkje dat anders was dan al het andere dat vrouwen kenden en droegen. Om de schouders zat het jurkje strak, om de taille en de heupen niet meer. Het gaf de vrouw veel meer comfort en vrijheid. Vrouwen waren er onmiddellijk dol op. Yves kreeg een staande ovatie tijdens de modeshow en de modebladen prezen zijn creatie. Het type jurk, ontworpen als een A-vorm, is na de zoveelste heropleving nog altijd in de winkels te vinden. 


8 jaar later. De Swinging Sixties barstten uit hun voegen. De wereld was aan de durvers en de verbeelding aan de macht. Yves gaf vrouwen (een aanzet tot) de macht, zoals Coco Chanel hen ooit de eerste prikkels van vrijheid had gegund. De couturier introduceerde Le Smoking. Vrouwen in kleding die traditioneel was voorbehouden aan mannen. Kom daar maar eens om! Le Smoking is nog altijd een adrenalinestoot van rebellie, androgyn en chic tegelijk. Yves verklaarde zichzelf later: “Ik wilde de vrouw dezelfde garderobe geven als de man. Blaser, broeken en pak. Zij zijn functioneel. Ik geloofde dat vrouwen daarnaar snakten en dat bleek te kloppen.” Catherine Deneuve, Liza Minnelli, Lauren Bacall en Bianca Jagger. Het zijn slechts enkele dames die wegliepen met zijn creaties – letterlijk en figuurlijk. 


Lange tijd was de mode-industrie vol van vooroordelen en arm aan tolerantie. Gekleurde modellen kregen vaak niet dezelfde kansen als hun blanke - of witte zoals je tegenwoordig zegt – collega’s. Naomi Campbell, een van de zogenaamde supermodels uit de jaren ’90, kon daarover meepraten: “Mijn eerste keer op de cover van Vogue heb ik te danken aan Yves. Ik zei tegen hem: ‘Ze zullen me nooit een Franse cover gunnen, ze zullen nooit een zwart meisje op de cover zetten.’ Zijn enige antwoord was: ‘Wacht maar, ik zal daar wel voor zorgen.’ And he did it!” 


Het zijn slechts 3 voorbeelden waarom Yves Saint-Lauren tot de buitencategorie behoort in de modegeschiedenis. Als je geen genoeg van hem krijgt, bezoek dan het officiële Yves Saint-Laurent museum.


Het museum is eigenlijk zijn voormalige studio die in 2017 openging voor publiek. Je vindt daar vele van zijn creaties terug die hij in de loop van zijn carrière heeft gemaakt. En vooral op de hoogste etage loop je zo zijn atelier binnen. Het heilige der heilige. Alles is nog in dezelfde staat als toen de grootmeester in 2008 stierf. Zijn bureau, de scharen en potloden, zijn schetsen en het textiel, de boeken en de tijdschriften. Dit creatieve laboratorium is te lezen als een weerspiegeling van zijn gepassioneerde geest. Het museum is niet te groot, dus heerlijk onderhoudend. Wandel een uurtje door een ander universum en kom er bezield weer uit om meteen zelf creatief aan de slag te gaan! 


Het Yves Saint Laurent museum vind je aan 5, Avenue Marceau. Vlakbij de vlam van Lady Diana. 

Het leukste gay dorp van Europa


Wat Castro is voor San Francisco is Le Marais voor Parijs: dé gaywijk bij uitstek. 

Als je door Le Marais loopt kan je er niet omheen: de wijk is een uiterst creatieve omgeving. De gaywijk vind je in de kleine straatjes tussen het joodse kwartier en Centre Pompidou, alsof ze zich genesteld heeft tegen dit kleurrijke mastodont. In de jaren ’80, na de komst van dit modernekunstmuseum, begon de gaywijk enorm te floreren. Etalages vol extravaganza met kleding die de Toppers niet zou misstaan. Tattooshops en barbieren die gespecialiseerd zijn in modieuze baarden. Hypermoderne en groteske (toegepaste) kunst in populaire galeries. En op vrijwel iedere hoek kroegen en leuke terrasjes. Dan heb ik het over met name de omgeving rond Rue des Archives en Rue Saint-Merri. De locatie is onmiskenbaar: straatnaamborden en zebrapaden in regenboogkleuren. We noemen ze ook wel gaybrapaden. De Parijse gayscene behoort tot de opwindendste van de wereld, samen met die van New York, Londen, Sydney en Berlijn. Niet minder dan 140 bars om er te vinden waar je naar op zoek bent, zoals in Freedj, L’Open Café, Le Cox of La Mine.  

 

Ik begon de blog met: “Wat Castro is voor San Francisco is Le Marais voor Parijs: de gaywijk bij uitstek”. Zo’n geconcentreerde wijk nodigt uit voor hevige discussie of dit nu wèl of juist niet de integratie van LGBT’s en dus hun emancipatie in de samenleving bevordert. Juist omdat er een aparte, afgescheiden wijk speciaal is ingericht. Dan blijf je je toch onderscheiden of zelfs deels isoleren? Aan de andere kant is het ook heel menselijk: mensen die iets overeenkomstig hebben zoeken elkaar op, of dat nu een seksuele voorkeur is, een religie, een dance festival of juist metal, of je nu graag bridge speelt of toch liever bingo… Gelijkgezinden zoeken elkaar altijd op. Logisch. 

Maar er is een achterliggende gedachte voor een gaywijk. In de jaren ’60, toen Parijs prat ging op zijn open seksuele cultuur en houding, waren er genoeg mensen die schande spraken van de gay-scene. Het zou de internationale reputatie van de stad alleen maar ondermijnen. Zelfs uit de politiek waren geluiden te horen dat de politie de homo’s maar stevig onder controle moest houden. Allicht dat deze tegenstand zijn uitwerking niet gemist heeft en de gays zich vanaf de jaren ’80 vooral ontmoetten in Le Marais. 

Dat de volledige emancipatie en acceptatie nog niet was volbracht, bleek ook na de eeuwwisseling. In 2001 kreeg Parijs met de socialist Bertrand Delanoë zijn eerste burgervader die openlijk uitkwam voor zijn homoseksualiteit. Ook dat riep bij sommigen weerstand op. Een jaar later, tijdens Nuit Blanche, een nacht vol festiviteiten in de stad, werd Delanoë neergestoken. Als motief zei de dader dat hij niets moest hebben van politici en al helemaal niets van gays. Gelukkig voor Delanoë kwam hij er met lichte verwondingen vanaf. Hij zou tot 2014 burgermeester blijven totdat Anne Hildago hem opvolgde.  

 

Juni is traditiegetrouw het jaarlijkse hoogtepunt voor de LGBT-gemeenschap tijdens de Gay Pride, in het Frans prachtig verwoord met Marche des Fiertés. Letterlijk vertaald: “De mars van trotse(n) (mensen).” Op notoire gayknooppunten, zoals bars, musea, pleintjes, galeries… kan je deelnemen aan activiteiten. Een centrale plek is pal naast de gaywijk: het plein vóór l’Hôtel de Ville, daar waar de burgemeester woont. 

De LGBT-gemeenschap viert zijn bestaan, diversiteit en gelijke rechten voor iedereen, en deelt dit ook graag met de rest van de stad als onderdeel van de Parijse cultuur. Marche des Fiertés begint doorgaans bij Jardin du Luxembourg en eindigt aan de andere kant van de stad op Place de la République. 700.000 mensen lopen mee of staan langs de kant. Doe je ook mee dit jaar? De gay pride is op zaterdag 25 juni. 

Palais de Tokyo 


Tussen 1855 en 1937 waren er niet minder dan 6 grote Wereldtentoonstellingen in Parijs. Een Exposition, zoals ze officieel heetten, was typisch een vrucht van de 19de eeuw waarin de Europese landen heersten over de hele wereld. Vanuit hun koloniën brachten ze allerlei exotische grondstoffen en (kunst)goederen terug naar het vaderland. Doordat deze landen de hele wereld tot hun beschikking hadden stak er een verzamelwoede op. Denkt u bijvoorbeeld aan dierentuinen – een verzameling van exotische dieren – die ook een enorm opgang kenden in deze tijd. Ook de Industriële Revolutie bracht vele vernieuwingen met zich mee. Op zo’n Wereldtentoonstelling staken de landen elkaar de loef af met de nieuwste uitvindingen, attracties en (exotische) producten. Vandaag de dag noemen we die evenementen Expo’s.

De laatste Wereldtentoonstelling in Parijs was in 1937 - 3 jaar voordat de Duitsers de stad zouden bezetten. De dreiging uit die richting was al overal voelbaar. Een jaar eerder had nazi-Duitsland de Olympische Spelen georganiseerd. De Wehrmacht was zich volop aan het bewapenen.

De vorige echte grote Exposition was alweer 37 jaar geleden, die van het Grand Palais en de nieuwe metro. De architectuur, die de toon aangeeft bij zulke enorme evenementen, kenmerkte zich door flamboyante frivoliteit met veel versieringen. Veel torentjes, sierlijk uitgehouwen ramen en andere decoraties. In 1937 was dat heel anders. De tijden waren danig veranderd en zo ook de architectuur. Die was minimalistisch geworden, rechttoe-rechtaan, frivool op een afgemeten manier. Bauhaus, Nieuwe Zakelijkheid, De Stijl, Amsterdamse School, Chicago School… dat waren de stromingen zo vlak voor de Tweede Wereldoorlog.

De toonaangevende gebouwen van de 1937 Wereldtentoonstelling behoren tot de Art Deco. Palais de Chaillot op Trocadéro is hiervan het bekendste voorbeeld. Het pompeuze gebouw met twee armen als een kom waar u tussen staat op het mooiste uitkijkpunt op de Eiffeltoren. Een beetje verderop in dezelfde straat - Avenue de Président Wilson - staat een gebouw in dezelfde stijl: Palais de Tokyo. Op 24 mei 1937 opende de toenmalige Franse president Albert Lebrun Palais de Tokyo. De naam ontleende het gebouw aan de straat aan de Seine-kant : Avenue de Tokio. Na 1945 veranderde de naam in Avenue de New York. Zodoende staat Palais de Tokyo midden in de Amerikaanse wijk. 

Pas in 1961 kreeg Palais de Tokyo zijn uiteindelijke bestemming en werd gevuld met moderne kunst, onder andere uit Petit Palais (dat te klein werd). Het museum opende zijn deuren om het grote publiek te ontvangen. Officieel kreeg het gebouw de naam Museum voor Moderne Kunst mee (Musée d’art moderne de la ville de Paris; MAM).

Palais de Tokyo bestaat uit twee vleugels. De oostelijke kant is het museum voor moderne kunst, terwijl de westvleugel - eigendom van de staat - zich vooral richt op hedendaagse stromingen met veel schilder- en beeldhouwkunst, maar ook: design, mode, videokunst, literatuur en dans. En daarmee is Palais de Tokyo het grootste museum in Frankrijk dat eigentijdse kunst herbergt. 

Wat is dan precies het onderscheid? Moderne kunst is kunst van begin 20ste eeuw tot aan ongeveer de jaren ‘60. Dan denkt u het beste aan: Henri Matisse, Fernand Léger, George Braque, Pablo Picasso, Amedeo Modigliani. Na de jaren ‘60 volgt de hedendaagse kunst tot op de dag van vandaag, met namen zoals Jörg Immendorff, Jan Voss, Per Kirkeby en Marcel Broodthaers. Ook wordt er in het museum meer en meer aandacht geschonken aan de Amerikaanse, Afrikaanse en Chinese kunst. 

In 2010 verscheen Palais de Tokyo in het nieuws vanwege een schilderijenroof. 5 schilderijen met een gezamenlijke waarde van 100 miljoen euro werden ontvreemd. 
Het museum heeft een permanente collectie van meer dan 15.000 werken van zo’n 2000 verschillende kunstenaars. Als u van de 20ste en 21ste-eeuwse kunst houdt, dan is dit adres absoluut een tripje naar Parijs waard. 

In het volle licht van Vincent Van Gogh


Op mijn laatste verjaardag viel ik pardoes terug in mijn jeugd. Dat gebeurde in Ateliers des Lumières. Er was een tentoonstelling van Vincent van Gogh. Een projectie van bewegende beelden overal om me heen, onder mijn voeten, hoog boven mijn hoofd. Overal was Vincent van Gogh. Waar ik keek en overal waar ik niet kon kijken. Maar het was niet Vincent die mij terugbracht naar mijn jeugd. Net als bij de Petit Madeleine van Proust zorgde het onverwachte voor die sensatie. Van de projecties wist ik immers dat die zouden komen. Ik had een jaar eerder Gustav Klimt gezien op dezelfde locatie. 

De schilderijen schoven over de muren. Vaak gegroepeerd per kleur. Het blauw van La Nuit étoilée (Starry Night). Het gouden geel van het korenveld. Het oranje geel van de zonnebloemen. Zoals bij Mozart melodie zich in je hart boort, zo geeft Van Gogh kleur aan je leven. Een appel waaraan je moet toegeven. Anders blijft spijt de rest van je leven zich aan je opdringen. Nina Simone zong in de zaal Don’t Let Me Be Misunderstood. Dit lijflied werd Vincents ondergang, lang voordat het nummer was gecomponeerd. Het onbegrip en het gebrek aan erkenning doopten hem in de absint, sneden hem zijn oor af, schoten hem in de borst.

Het schuiven ging maar door, een galerie van portretten: dokter Gachet die hem tevergeefs van zijn zenuwziekte wilde genezen, de bardame Agostina Segatori, de familie die aardappels at. En ook de kerk van Auvers-sur-Oise: vervormd, blauw en dansend. Hoezeer ik ook mijn best doe, de mooiste woorden die ik kan bedenken doen geen recht aan alle kleuren die ik toen zag. Je verwacht er zoveel van, je kijkt er al maanden naar uit, dan kan het alleen maar tegenvallen. En dat gebeurt dan niet. Het is minstens even mooi als dat je stiekem hebt gehoopt. Leven zonder verwachtingen is in werkelijkheid zoveel moeilijker dan het lijkt in woorden. 

Het gebeurde eigenlijk al vroeg in de show, dat ik opeens een melodie hoorde die mij al volkomen in haar bedwang had toen ik vijftien jaar was. In die hete zomer in de jaren negentig, toen ik op mijn slaapkamer de wereld aan het ontdekken was. De klanken die zo goed bij Vincent pasten waren van Janis Joplin. Haar allermooiste: Kozmic Blues. Zoveel verdriet dat je de hele kosmos zou kunnen opvullen met je tranen. Dat zou een (tijdelijke) liefdesexplosie hebben opgeleverd: Janis Joplin en Vincent van Gogh! Alhoewel: waar hij heel serieus en fijngevoelig op de dingen inging, zou zij het allemaal weer schaterend hebben weggelachen. Misschien niet zo’n goede combinatie bij nader inzien.

Bij de intro schoot ik vol. Vier minuten lang heb ik als een kind staan huilen om de kleurenpracht in mijn ogen en oren. Wat een alchemie, wat een moment, wat een herkenning. Janis, Vincent en ik. Ik toen ik vijftien was, ik die nog amper mijn reis was begonnen. Op zoek naar mezelf, op zoek naar iets. De grote afstand tussen toen en ik nu, gestrand in Parijs. Ik begreep Vincent niet ineens beter, evenmin Janis of mijzelf. Het overkwam me gewoon. Ik voelde wat intenser deze dag.

Enkele weken later zat ik in de RER, de interregionale trein die Parijs verbindt met Île de France. Ik was op weg naar Auvers-sur-Oise. Ik zag de oorspronkelijke kerk: veel rechter, niet blauw en ook niet dansend. Naast het kerkje waar een uitvaart bezig was, lagen, omringd door een lage muur, de dorpsgenoten die alleen nog in de harten van nabestaanden voortleven. Of zelfs dat niet meer, omdat ze er al te lang liggen. Afgelegen tussen de onwetende akkers van Noord-Frankrijk, daar naast elkaar, liggen de twee broers, Vincent en Theo. Uit Zundert, Brabant, tien kilometer van waar ik ooit ben geboren. Toen het allemaal nog moest gebeuren. Ze liggen in graven van een eenvoud die genoeg is. Omgeven door een rust die Vincent in zijn leven nooit heeft kunnen vinden.

Jim Morrison: al 50 jaar Parijzenaar


Zo aan het eind van het jaar worden altijd overzichten gemaakt. Nieuwsoverzichten, in memoriams, top 1000, top 2000, top 4000… - wie biedt meer? Ook de Amerikaanse rockzanger en tekstdichter Jim Morrison staat meestal met zijn bandje in die eeuwigheidslijstjes. 2021 was een bijzonder jaar voor Jim Morrison. Want hij was – of eigenlijk is - 50 jaar dood.

 

Jim had met zijn makkers van de Doors net opnames afgerond in Los Angeles. Dat was eind 1970, begin 1971. De plaat zou L.A. Woman gaan heten, stond vol met bluesrock, zoals Love Her Madly, Riders On The Storm en het wervelende L.A. Woman (Mr. Mojo Risin’)

In maart kondigde Jim aan dat hij naar Parijs zou gaan. Om tot zichzelf te komen. Zijn vriendin, Pamela Courson, 24 jaar, woonde daar intussen ook. De andere bandleden vonden het een uitstekend idee. Het werk voor de nieuwe elpee zat er immers op. Jim kon licht geven, maar op momenten vrat hij ook aan je energie.

Wat deed hij zoal in Parijs, nu hij niet met de band hoefde te touren? Hij schreef dagelijks poëzie, maakte vele wandelingen en zat een groot deel van de tijd op het terras. Zoals op een van de mooiste plekken van de stad, Rue de Barres. Jim verbleef zelf in Rue Beautreillis 17-19, een beetje verderop in het summier overgebleven Middeleeuwse Parijs. Hij woonde in le Marais, dat toen nog niet zo hip was als tegenwoordig.

Ondanks dat het leek alsof hij een nieuwe balans had gevonden in deze esthetische stad, waren de drugs nooit ver weg. Het jonge koppel was nog altijd verslaafd. Jim leefde slechts 4 maanden in de Franse hoofdstad. Op 3 juli werd zijn lichaam levenloos gevonden. In de badkuip. Door Pamela. Zijn dood is in hasjnevelen gehuld. De officiële doodsoorzaak zou een hartstilstand zijn geweest. Zomaar? Op je 27ste? Er zou geen autopsie zijn gepleegd. Maar ik heb ook wel eens gehoord dat een anatoom dacht dat hij te maken had met het lichaam van iemand van ver in de 50. Jim had zijn lichaam als een laboratorium gebruikt. Die zelfdestructie was een van zijn drijfveren, als we zijn biografie mogen geloven. Boze tongen beweren dat zijn dood het gevolg was van een overdosis heroïne. 

Dat hij stierf wilde niet zeggen dat hij Parijs verliet. Integendeel. De begraafplaats Père Lachaise werd nog beroemder doordat Jim daar zijn laatste rustplaats kreeg. Zijn bescheiden graf verdrinkt tussen de praalgraven en monumentale tempels uit de 19de eeuw. Toch weten fans van over de hele wereld zijn plekje feilloos te vinden, getuige de vele voorwerpen en graffiti die zijn tombe decoreren. Niettemin heb ik het idee dat hij enigszins over het hoogtepunt van zijn roem heen is. Dat lijkt voor die hele flowerpower-generatie op te gaan. Vorig jaar, op dierendag, was zangeres Janis Joplin 50 jaar overleden. Veel minder dan ik hoopte werd daar door de media aandacht aan besteed. De hippies die het allemaal hebben meegemaakt, babyboomers dus, beginnen langzaam uit te sterven. Het lijkt erop dat het grote publiek (waar adverteerders zich vaak op richten) en de hedendaagse jongeren de idolen van toen minder en minder kennen. Het lijkt alsof we echt in een ander tijdperk zijn beland. De progressieve idealen van de bloemenkinderen zijn definitief begraven. De wind waait nu uit een andere richting. 

PARIS PROMENADE neemt u graag mee terug in de tijd. Als u dat wilt, organiseren wij een Jim Morrison-tour voor u. Afgelopen jaar heb ik nog mensen laten passeren langs het appartement in le Marais. Daarna namen we de metro naar zijn laatste rustplaats in het 20ste arrondissement. Uiteraard ontbreekt op een van onze mooiste tours (Père Lachaise) het graf van Jim Morrison niet.

 

Na Jims dood keerde Pamela weer terug naar waar ze vandaan kwam, Los Angeles. Omdat ze niet officieel getrouwd waren, was de afhandeling van de erfenis een litanie zonder einde. Pamela stierf drie jaar later. Aan een overdosis heroïne. Ze was 27 jaar. Ook zij.

W.F. Hermans in Parijs


Deze maand is het 100 jaar geleden dat schrijver Willem Frederik Hermans werd geboren. In Amsterdam. De laatste jaren van zijn leven woonde hij in de Belgische hoofdstad, en daarvoor, tussen 1973 en 1991, woonde hij in de lichtstad. 

 

Waar in Parijs woonde Hermans?  

Voor de liefhebbers die graag de sporen van beroemdheden volgen: Hermans nam aanvankelijk zijn intrek in Rue Théodule Ribot in het deftige 17de arrondissement, tussen Place de l’Étoile en het prachtige Parc Monceau. Later verhuisde hij met zijn vrouw Emmy en zoon Ruprecht even verderop naar 86, Avenue Niel, tegen de rand van de Périphérique. Verwacht geen plakkaat tegen de muur, zoals bij de grote Franse schrijvers. Zoveel Franse lezers kennen Hermans, die in zijn vaderland als één de grootste schrijvers van de 20ste eeuw bekendstaat, niet. 

 

Waarom woonde Hermans in Parijs?  

De Franse cultuur was hem met de paplepel ingegoten. Zijn beide ouders waren leerkrachten met een onderwijsakte Frans. De jonge Willem hield van Franse films en Franse auteurs, zoals Louis Ferdinand Céline en zijn woeste meesterwerk Voyage au bout de la nuit. Na een levenslang verlangen vatte hij in 1973 de koe bij de horens. Hij nam als gevolg van een conflict op de Groningse Universiteit ontslag én de benen naar de Franse hoofdstad. Toen was hij al de gevierde schrijver van klinkende titels als Ik Heb Altijd Gelijk, Het Behouden Huis, De Donkere Kamer van Damocles, Nooit Meer Slapen en Herinneringen van een Engelbewaarder. Eindelijk was de eeuwige querulant verlost van Nederland.  


Wat vond Hermans in Parijs?  

Hij zocht geen contact met eigentijdse Franse schrijvers; hij was niet onder de indruk van hun kwaliteiten. En als hij al hoopte op een Franse doorbraak dan moet hij teleurgesteld zijn geweest. Veel van zijn tijd ging vooral op aan het schrijven van boeken en polemieken – in het Nederlands. Hij kreeg bezoek van mensen zoals zijn Belgische vriend Freddy de Vree, actrice Sylvia Kristel en zijn collega schrijver Cees Nooteboom. Die laatste vertelde later dat Hermans gelukkig was in Parijs, maar dat hij het leven er ook moeilijk vond. Hermans: “Maar ik heb wel het voordeel, boven andere toeristen, dat ik, als ik in Parijs wil wandelen, alleen maar met de lift naar beneden hoef.’ Hij bleef met andere woorden een Hollandse toerist onder de Parijzenaren. Hij was druk bezig en tegelijkertijd geïsoleerd. “De functie van een roman is de fundamentele eenzaamheid van alle mensen op te heffen”, zei hij ooit tegen Nooteboom. 

 

Toch is Parijs niet alleen een romantische stad, het was voor hem ook een bron van verleiding. Hermans schrijft: ‘In het straatje waar ik mijn boodschappen doe, zijn wel acht bakkers, wel tien slagers, die ieder twintig soorten brood tweemaal per dag vers bakken, die vijfentwintig soorten vlees verkopen, plus kippen (echte, met geel vel) en ganzen, kalkoenen, korhoenders, kwartels, duiven, hazen, reeën, wilde zwijnen, enz. Als je ziet wat hier te koop is, besef je onthutst dat de Nederlanders driekwart van alle smakelijke dingen die de lieve natuur oplevert, helemaal niet kennen, nooit hebben gezien.’  

 

De openingszin van Au Pair, een van zijn laatste romans, die zich afspeelt in Parijs luidt: "Het eerste waar Nederlanders aan denken, als ze iets willen verkrijgen dat hun eigen land niet oplevert, is niet het zelf te gaan maken, maar het te zoeken in den vreemde." Hermans stond bekend om zijn messcherpe opmerkingen die even esthetisch als confronterend waren. Een Parijzenaar word je als buitenstaander nooit. Ook Hermans niet. Niettemin legt het vaderland het bij hem telkens af tegen de lichtstad. Misschien was hij wel, zoals zovelen onder ons, verliefd op een droom, op een geïdealiseerd beeld… Wat mag je anders verwachten van een schrijver? 

 

Informatie ontleend aan: Bart Koetsier en Margot Dijkgraaf, Met Parijse Pen

Gainsbourg


Wat heb ik die mensen veracht in mijn jeugd! Mensen op feestjes die heel ongemakkelijk begonnen te ginnegappen en te grinniken als Je T’aime Moi Non Plus gedraaid werd. Niet wetend waar ze met zichzelf moesten blijven onder het gekreun van Jane Birkin.

Als kind vond ik de melodie al prachtig, in dezelfde trant als de Mediterraanse smartlap Do You Love Me van Sharif Dean. Maar Je T’aime Moi Non Plus is uit een ander vaatje getapt. Die melodie is zó vurig en zó romig. De sfeer, de productie, het lied ademt vrijheid uit. De Franse vrijheid van de jaren zeventig. Weerklinkend in liedjes als Une Belle Histoire van Michel Fugain en Été Indien van Joe Dassin. Die gouden jaren dus.

Pas twee decennia later kwam ik erachter wat voor ongelofelijk kracht Serge Gainsbourg had en was. Ik werd op slag, nadat ik een dubbele compilatie-cd had gekocht, fan van hem en verliefd op vele van zijn chansons. La Chanson de Prévert, La Javanaise, Initials B.B., Melody Nelson, Elisa, Marilou Sous La Neige, Sorry Angel, Aux Enfants De La Chance… en natuurlijk veel en heel vaak 69 Année Erotique. De lijst is eindeloos! Zijn liedjes getuigen van kwaliteit. Vanaf zijn begin in de jaren ‘50 tot aan zijn laatste productie voor Vanessa Paradis in 1990, een jaar voor zijn dood.

En daar wil ik zijn, bij zijn dood. Want er zijn verschillende sporen van zijn dood in Parijs. Natuurlijk is er zijn graf. Daar ligt hij samen met zijn ouders in. Dat komt overigens vaker voor in Frankrijk. Niet op het beroemde Père Lachaise, maar op Cimetière Montparnasse. Zijn tombe is vaak bedekt met beertjes, bloemen, sigarettenpeuken en metrokaartjes.

Metrokaartjes, zult u zeggen? De echte fan weet natuurlijk waarom. Zijn doorbraak in 1958 heet Le Poinçonneur des Lilas. Het chanson gaat over een kaartjesknipper op de tramlijn tussen Parijs en Lilas, aan de oostkant van de metropool, die zijn leven zo zinloos acht dat hij uiteindelijk een gaatje in zijn eigen schedel schiet. Dat was Gainsbourgs eerste succes. De toon was gezet. (Voor de liefhebbers: aan de rand van Lilas, aan het einde van Rue de Belleville, aan de buitenkant van de Périphérique, vinden we sinds enkele jaren Jardin Serge Gainsbourg.)

Aan een andere rand, die van Saint-Germain-des-Prés, meer bepaald in Rue de Verneuille vinden we het huis waar Gainsbourg tussen 1971 en 1991 woonde. Gelukkige, maar ook minder gelukkige momenten kende hij daar met Jane en de kinderen. Serge was een liefdevolle, verlegen, onzekere minnaar en vader. Jane wilde haar kinderen structuur geven in het leven. Serge maalde er niet om om om vier uur ’s nachts al rokend en drinkend met zijn kleine kinderen op te blijven in zijn volledig zwarte interieur. Het fauteuil, de asbak, de tafel, de muren, letterlijk alles was zwart. Toen Serge in 1973 de eerste van zijn vijf hartinfarcten kreeg wilde hij niet naar buiten gebracht worden op de brancard onder de kleurloze ziekenhuisdeken, maar onder zijn eigen Hermès-deken. Zwart van kleur. 

Om een lang verhaal kort te houden: aan het einde van de jaren '70 vluchtte Jane het huis uit, omdat zij verstoord werd in een normale opvoeding voor de kinderen. Ze bleef wel voor Serge zorgen. In de laatste maanden van zijn leven warmde ze zijn diepvriesmaaltijden op. Op 2 maart 1991 stierf hij in dit lage en lege huis. 

En daar versteent de geschiedenis van het huis. 

Als u wilt leid ik u langs de woning. Op nummer 5 is het uit duizenden te herkennen: de gevel is een grote muurschildering van graffiti met Serges beeltenis en andere referenties aan zijn oeuvre. Ik vertelde u daarnet over de geschiedenis die er versteend is. Dat zit zo: de deuren zijn nog altijd 'hermetisch' gesloten. Binnenin is het in exact dezelfde staat als in maart 1991. Niets is veranderd. Dochter Charlotte Gainsbourg, in Frankrijk net als haar charmante moeder nog altijd een graag geziene gast in de media - allebei opvallend evenwichtige vrouwen - laat de poorten gesloten. Meer dan eens is ze gevraagd of het huis geen museum kan worden. Tot op heden is het er niet van gekomen. Als we voor de deur staan blijft het een groot mysterie. Ook voor menig gast tijdens mijn privétours. 

De dag dat het gebouw openbaar zal worden gesteld komt iedere dag een dagje dichterbij. En toch is diezelfde dag weer eens uitgesteld tot begin 2022. Wordt vervolgd…

Kunt u een geheimpje bewaren? 


Toen Oscar Wilde een homoseksuele relatie aanging met lord Douglas was zijn lot bezegeld. Hij ging de gevangenis in en zou nooit meer echt herstellen van die vrije val. Financieel raakte hij aan de grond en hij begon te kwakkelen met zijn gezondheid wat ervoor zorgde dat zijn inspiratie, welbespraaktheid en humor verdampten. Eind 19de eeuw treffen we hem aan in Parijs. Zijn laatste dagen bracht hij door in een hotel dat geen ster waard was.  

Het hotel droeg de naam Hôtel d’Alsace en was goedkoop. Het hotel bestaat nog altijd en heet nu even simpel als verwarrend L’Hôtel. Het hotel veranderde zijn naam. En de tarieven. Maar Oscars kamer kunt u nog altijd boeken. Voor 600 euro per nacht. De kamer baadt in exorbitante luxe, inclusief een privéterras. Het hotel telt inmiddels vijf sterren.  

Als 600 euro per nacht u te veel is, maar u voelt wel een speciale band met de Ierse schrijver dan wil ik wel een geheimpje met u delen. Want zonder rekening zult u de kamer niet van binnen te zien krijgen. Máár de sfeer kunt u er wel opsnuiven. Volgt u mij. U begeeft zich in de richting van Saint-Germain-des-Prés, een straat parallel met de Seine. Naast de Academie voor Schone Kunsten vindt u in een klein straatje een wonderlijk hotelletje. Binnen heerst er een overdaad aan schoonheid. Het personeel is vriendelijk op een Parijse manier: correct, ingehouden, comme il faut. Dan vraagt u aan de receptie in uw beste Frans of u een drankje mag nuttigen. U loopt door langs de lobby en de bar naar de serre. Die is prachtig verruimd met overal spiegels. Op tafel liggen oude boeken van de beroemde Ierse gast van weleer. Voor een gemiddeld Parijse prijs drinkt u hier een heerlijk kopje thee of een goed glas wijn. 


Als u binnen gaat, beperkt u dan het aantal personen tot drie à vier. Grotere gezelschappen gaat het personeel mij dat niet in dank afnemen. De plek hou ik graag ‘exclusief’. Eenmaal onderweg naar achteren vergeet u dan vooral niet naar boven te kijken: een gat in het plafond als een lange cilinder leidt per verdieping naar de verschillende kamers. Het diepe gat is bijna hypnotiserend. Als u daar toch staat, en u voelt de behoefte - na een lange wandeling, of preventief - van het toilet gebruik te maken, dan daalt u de trap af. Zelfs als u niets van toiletten moet hebben, doe het gerust. De kelder, geïnstalleerd als een minibibliotheek, zal u niet teleurstellen. 

Als Oscar Wilde had geweten dat meer dan honderd jaar na zijn dood dit hotel zo luxueus was geworden, had hij het er waarschijnlijk langer uitgehouden. Want toen hij er woonde, hielp zijn kamer niet bepaald aan zijn fysieke herstel. Integendeel. De decoratie daagde hem onverbiddelijk uit. “My wallpaper and I are fighting a duel to the death. One of us has got to go.” Wilde hield de eer aan zichzelf. Op 30 november 1900 stierf hij aan hersenvliesontsteking. Zijn nieuwe thuis werd het kerkhof van Père Lachaise. 

Shakespeare in Parijs


Twee van de beroemdste titels van de 20ste eeuwse wereldliteratuur zijn onlosmakelijk verbonden met Parijs: A La Recherche De Temps Perdu van Marcel Proust, wat een universum op zich is. En die andere klassieker is Ulysses van de Ier James Joyce. Zonder Parijs zouden we dit laatste boek misschien wel nooit hebben kunnen lezen.

Een van de plekken in Parijs waar Ernest Hemingway het liefste kwam was de boekhandel Shakespeare and Company. Het ontstaan kende een lange geschiedenis. Na een treinongeval keerde de verzekering een mooi bedrag uit aan de heer Clovis Monnier. Met dit geld wist hij de droom van zijn 23-jarige dochter te verwezenlijken: een eigen boekenwinkel. In 1915 opende Adrienne Monnier "Maison des Amis des Livres" in Rue de l’Odeon, in Saint-Germain. Twee jaar later liep de Amerikaanse Sylvia Beach haar winkel binnen. Het was liefde op het eerste gezicht tussen de twee jonge vrouwen. Toch kwam Beach pas terug na de oorlog. Monnier stimuleerde haar om haar droom te vervullen door een eigen boekhandel te beginnen. Gespecialiseerd in Engelstalige boeken. Dat werd Shakespeare and Company, in dezelfde straat als het "huis van de boekenvrienden".

Schrijver Ernest Hemingway was diep onder de indruk van de eigenaresse: ‘Sylvia had a lively, very sharply cut face, brown eyes that were as alive as a small animal’s and as gay as a young girl’s, and wavy brown hair that was brushed back from her fine forehead and cut thick below her ears and at the line of the collar of the brown velvet jacket she wore. She had pretty legs and she was kind cheerful and interested, and loved to make jokes and gossip. No one that I ever knew was nicer to me.’

De sympathie was zeker wederzijds, maar Beach’ grootste bewondering ging uit naar James Joyce. In haar memoires tekende zij op: ‘Mijn liefdes waren Adrienne Monnier, James Joyce en Shakespeare and Company.’ Joyce woonde met zijn gezin rond 1920 in Zürich, maar dichter Ezra Pound overtuigde hem ervan dat hij meer kans zou maken op publicatie in Parijs. Dat viel nog maar te bezien. Een deel van de onvoltooide roman Ulysses was gepubliceerd in The Little Review. Het literaire tijdschrift kreeg onmiddellijk een proces aan de broek wegens obsceniteiten. Iedere geïnteresseerde uitgeverij trok zich onmiddellijk terug. Maar een persoon niet; Sylvia Beach stond erop het baanbrekende werk uit te geven. Als een liefdesverklaring. Voor Joyce was het eerder een geschenk uit de hemel. De publicatie werd een verjaardagscadeau. Het eerste gedrukte exemplaar gleed op zijn verjaardag, in februari 1922, van de pers. Hetzelfde jaar waarin Proust overleed en het vierde deel van zijn A La Recherche De Temps Perdu verscheen. Net als die Franse romancyclus zou Ulysses de geschiedenis ingaan als een van de grootste meesterwerken van de 20ste eeuw, hoe hermetisch soms ook.

Vanaf de jaren zestig is Shakespeare and Company gevestigd aan de linkeroever van de Seine. Met het zicht op de Notre Dame. Het gebouw uit de 16de eeuw is krap en voorzien van een laag plafond. Om de trap op te gaan moet je je adem inhouden. Op de eerste verdieping vindt u luie fauteuils, een piano en de kat die snoezig ligt te slapen. Als u haar ziet liggen stoort u haar dan niet. Ze moet nodig bijslapen, ze is namelijk de hele nacht bezig geweest met lezen.

Informatie deels ontleend aan: Ernest Hemingway, A Moveable Feast.

Hemingway in Parijs


Een van de sfeervolste pleintjes van Parijs is Place de la Contrescarpe, aan de rand van Quartier Latin. Zowel in de uitbundige zomerzon als onder een plafond van feeërieke lichtjes in de winter. Als ik daar ben, en dat overkomt me vrijwel wekelijks, kan ik de neiging om de bocht om te gaan naar rue Cardinal Lemoine niet onderdrukken. Dan stop ik altijd bij nummer 74 en kijk omhoog. Daar hangt een van de meest troostrijke plakkaten van een stad die behangen is met plakkaten over voormalige bewoners. Ik lees een citaat uit A Moveable Feast van Ernest Hemingway, de Amerikaanse schrijver die hier in 1921 en 1922 woonde met zijn eerste vrouw: ‘Tel était le Paris de notre jeunesse au temps où nous étions très pauvres et très heureux.’ Het ontroert me elke keer weer.

De Hemingways woonden in Parijs aan de goede kant van de Seine als je van cultuur en het goede leven hield; het leven zonder zorgen en een feest dat bijna tien jaar zou duren. Tot aan de verwoestende crisis van de jaren dertig. Op de straten van Montparnasse op de tonen van de jazzmuziek werd gedanst tot in het holst van de nacht. Les années folles. De bohemiens nestelden zich in de restaurants, zoals le Dôme en la Rotonde, zonder eruit gezet te worden. Ook al veroorzaakten ze regelmatig vechtpartijtjes. La Coupole en le Select noemden zichzelf “Bar Americain”. In drie jaar tijd rees het aantal expats van de andere kant van de oceaan van zes duizend in 1921 tot dertig duizend in 1924! Een ander etablissement, la Closerie des Lilas, was de vaste stek van Ernest om even bij te tanken. De praatgrage schrijver was al snel populair bij het personeel.


Een andere plek waar hij kind aan huis was, was in Saint-Germain, bij Sylvia Beach. Zij opende het boekenwinkeltje Shakespeare and Company dat toen nog in Odéon was gevestigd en niet, zoals nu, tegenover de Notre Dame. In die tijd, toen Hemingway nog zeer arm was kocht hij geen boeken bij Beach, hij ‘leende’ ze van haar. Die armoede was tien jaar later verdwenen als sneeuw voor de zon. Hemingways eigen pennenvruchten begonnen te verkopen, het geld begon binnen te stromen. De schrijver reisde de hele wereld over. Hij woonde aan het onderste puntje van Florida, Key West, en ook aan de overkant, op Cuba. Hij leefde zich uit bij diepzeevissen en op safari, en beleefde als journalist avonturen in de Spaanse burgeroorlog. Zolang het maar een adrenalinestoot gaf. Hij probeerde het leven aan te houden zoals hij die beleefd had tijdens de Eerste Wereldoorlog. Echt be-leefd; of liever: dóór-leefd. Het was alles of niets. En het werd héél veel voor hem: vele bestsellers, vele avonturen, veel geld, vier huwelijken, vele depressies en veel, heel veel alcohol. Zijn laatste vrouw Mary klaagde over zijn alcoholwalm. Daarom vroeg Ernest aan de barman van het Ritz Hotel om een cocktail te maken waardoor de alcoholgeur geneutraliseerd zou worden. De man mengde tomatensap met wodka en dat werkte als een tovermiddel. Het geklaag was voorbij en de Bloody Mary cocktail was geboren. Genoemd naar zijn vrouw. Volgens de legende althans.


Na de Tweede Wereldoorlog begonnen depressies steeds meer zijn dagen te verduisteren. Een van de laatste werken die Hemingway tussen de depressies in schreef was de kleine memoires A Moveable Feast (‘een verplaatsbaar feest’, vertaald als: Dag en nacht feest). Hij beschreef zijn leven in Parijs van zijn jonge jaren nu hij meer en meer in de schaduw leefde van zijn naderende dood. Op de ochtend van een julidag in 1961 koos hij niet voor zijn schrijfmachine, maar laadde hij zijn favoriete dubbelloops jachtgeweer met twee kogels. Hij liep naar boven in de hal van zijn kapitale villa, nam de loop in zijn mond en haalde de trekker over. Kort daarvoor, in A Moveable Feast, had hij nog geschreven: ‘Ik weet niet hoe het er nu is, maar dit was het Parijs van onze jeugd toen we heel arm en heel gelukkig waren.’ 


Informatie deels ontleend aan: Ernest Hemingway, A Moveable Feast.

Joop Zoetemelk en de afwezigheid van Parijs

“Parijs is nog ver.”


Nee, niet alle wijsheden komen op het conto van Johan Cruijff. Joop Zoetemelk heeft er minstens ook één op zijn naam staan.  De uitdrukking is even indrukwekkend simpel als universeel. Je kunt hem voor alles gebruiken: Je hebt pas een taak tot een goed einde volbracht als het volledig klaar is. Geen seconde eerder. Er kan nog altijd iets mis gaan.

In 1980 won Joop de Tour de France. De filosofie volgens Joop was dat hij de wielerronde won in bed. Rust, rust, rust, dat is wat het lijf nodig heeft. Met drie weken lang afbeulen op de fiets in een gemiddeld tempo van 35 kilometer per uur pleeg je roofbouw op je lichaam. 

Als een 3000-koppig monster raast de tourentourage drie weken lang door het land. Gekkenwerk. Enorme infrastructuur om het sportspektakel in de huiskamers te brengen: kilometers lange files op smalle bergpaden, hotels vol met journalisten, technici, security, wielerploegen, sponsoren… Le Grand Boucle noemen ze dat hier. Letterlijk vertaald: de grote lus. Het vreemde, en dat is ook het mooie, is dat die tour in die drie weken als vier seizoenen in één dag van sfeer veranderd. De eerste week vaak ergens in de regen in het noorden, waar het relatief vlak is. Niet zelden een week later zwetend in subtropische hitte in het Alpenlandschap. En dan na drie weken zwoegen, drie weken ergens anders geweest te zijn en tegelijk toch altijd in datzelfde peloton dat zich als een razende rups door de “Hexagoon” verplaatst, komt op die laatste dag de tourkaravaan aan tussen die immense bebouwing. Daar moet je als televisietoeschouwer altijd even aan wennen na vooral platteland met kasteeltjes en landhuizen te hebben gezien. Van die drie lange weken tour spelen zich amper drie uur af in Parijs. 

Op die regenachtige zondagmiddag in 1980 ging aan de meet de arm van Joop omhoog. Met dank aan Gerrie Kneteman. Anders had hij de arm waarschijnlijk niet omhoog gedaan, las ik ooit in een boekje van Mart Smeets. Zoetemelk noemde hem altijd Mark – maar dat even terzijde.

100.000 landgenoten namen de moeite om dat weekend in 1980 zuidwaarts te gaan. Parijs sprak Nederlands. Filmpjes met uitzinnige wielerfans en het Grand Palais op de achtergrond. Allen met dat ultieme gevoel dat je even niet alleen staat, maar iets deelt met elkaar. Trots op onze Joop, de vleesgeworden Hollandse nuchterheid. Een ‘normalere’ man vond je niet in Nederland. In zwartwitbeelden van jaren daarvoor zag je al zijn ingehouden enthousiasme. Hij ontsnapt een glimlach lang uit het keurslijf om daarna meteen weer terug in de plooi te vallen. De Beatles bezorgen je een gevoel van verbroedering in Liverpool, Joop Zoetemelk verbond die julidag 1980 in Parijs. 

Uit handen van toenmalig burgemeester Jacques Chirac kreeg hij een bokaal overhandigd. De breedsprakerige, aandachtgevoelige Dries van Agt, toen Minister-President van Nederland, stond als een verlegen mecanicien in zijn schaduw. Na de officiële plichtplegingen trok Joop zich terug in een deel van het Grand Palais. Aan de kant van de Champs-Elysées, tegenover het Théâtre du Rond Point. Daar stond een juichende menigte zoals je die in Studio Sport gewoonlijk in het voorjaar op de Coolsingel of op het Leidseplein zag. Joop getooid in een gele onderbroek wierp zijn gele trui naar het publiek. Als piranha’s naar een prooi werd de trui aan stukken gereten. De meeste fans hielden niet veel meer over dan een snipper maillot jaune.

Joop zou Frankrijk nooit meer echt verlaten. Hij koos voor een Franse vrouw: Françoise. Of liever: zij koos hem. Joop is nooit het assertieve type geweest. Hoe dan ook, hij kwam bij haar en kreeg de schoonfamilie erbij. Dat gaf wrevel. Joop uit de Rijp leek altijd duizend keer Hollandser dan dat hij ooit Fransman had kunnen zijn. Toch voelde hij zich thuis in Frankrijk. Hij was liefhebber van jagen en de Franse keuken. 

Het huwelijk met Françoise was niet altijd even gemakkelijk. Net als haar ouders was zij het dominante type. En ze hield van drank. Wielrennen bleek voor Joop een uitvlucht te zijn. Hij werd steeds stiller. Françoise overleed in 2008. Met een nieuwe vrouw aan zijn zijde, Danny, bloeide Joop open. Naast diep verdriet kan een overlijden soms ook een bevrijding betekenen. 

Joop woont intussen al jaren samen met Danny in het dorpje Germigny-Évêque. Dat is volop Île de France, de landelijke gordel rond de hoofdstad. Toch lijkt Parijs, daar in het oorverdovend stille groen, oneindig ver weg.

Jaarlijkse feestje van de Tour de France


Heel lang geleden, toen deze eeuw nog jong en fris was (maar al lang niet meer onschuldig) en ik nog in Nederlandstalig gebied woonde, omarmde ik het idee om op één dag met de auto op en neer naar Parijs te gaan. Het Tourpeloton kwam die dag aan. Het was niet mijn eerste keer in de Franse hoofdstad, maar de weg kende ik nog niet zo goed. Iets wat ik me nu niet meer kan voorstellen. 

Zoals dat toen al 40 jaar lang de gewoonte was kwam de Tour de France aan op Avenue des Champs-Elysées. Wij daar naartoe. Rond een uur of twee ‘s middags naderden we de Périphérique. Na een autorit van vier uur. Ik was toen al wel zo verstandig om niet te diep met de auto het centrum in te rijden. We zouden de auto net binnen de Périphérique zetten en dan onze weg met de metro naar het centrum vervolgen. De auto parkeerden we vlakbij Saint-Chapelle. Een wijk waar ik nu toch twee keer zou nadenken om mijn auto daar achter te laten… alhoewel overdag is het er wel veilig. 

Ik herinner me dat we vervolgens richting Concorde gingen. Dat was minder verstandig. Hoe zal ik het zeggen: we waren niet de enige. Understatement van het jaar. Ik herinner me nog de plek waar we stonden. Aan de flauwe binnenbocht voor Jeu de Paume, tegenover het Hotel de la Marine. Dus pal naast de uitgang van metrostation Concorde. Volgepropt met honderden andere wielerliefhebbers.

Ik schrijf nu over de dagen dat de Amerikaan Lance Armstrong het tourpeloton domineerde zoals enkel de allergrootsten dat eerder hadden gedaan. Denk aan legendes zoals Jacques Anquetil, Eddy Merckx, Bernard Hinault en Miguel Indurain. Op deze dag zou Armstrong hun record evenaren. Een speciale dag dus. Tussen al die honderden mensen stonden we naast een Amerikaans koppel dat de ontdekking van de dag deed. Een landgenoot zou de tour winnen! Het koppel van middelbare leeftijd raakte overenthousiast.

Het tweede gedenkwaardige moment was waarop ze doorkregen dat hij in een “yellow jersey” reed. U weet dat de coureurs enkele rondjes rijden om het Jardin des Tuileries. Dat gaf het koppel meerdere kansen om de gele trui te ontwaren in het in moordend tempo voortschrijdende peloton. Soms twijfelden ze of het wel goed begrepen hadden. Maar iedere keer dat ik beaamde dat de gele trui passeerde, veerden ze weer op. “Oh yeah, there he is!! What’s his name again?” Enorm trots waren ze op het succes van hun landgenoot, ook al hadden ze amper door wie hij was en naar welke wedstrijd ze eigenlijk aan het kijken waren.

Destijds moest ik er wel om gniffelen. Ik was een stukje jonger en sneller veroordelend... U kent dat wel. Zo'n houding van: Die Amerikanen toch weer! Maar nu zie ik het toch anders. Ze waren onvoorwaardelijk aan het supporteren voor hun landgenoot. Geef ze eens ongelijk. Denk aan de oranjekoorts in Nederland. Dat gedrag was de Belgen altijd een doorn in het oog. Totdat de Rode Duivels ineens het beste voetbal van de wereld gingen spelen. Toen is er zelfs iets van die uitbundigheid ook bij hen ingeslopen. ;-) Met andere woorden wie wordt er niet enthousiast van succes van een landgenoot?

Enfin, Armstrong won de etappe op de Champs-Elysées niet. Maar hij won wel La Grand Boucle, zoals de Fransen de tour noemen. La Grand Boucle, omdat de renners in drie weken tijd min of meer een grote ronde, een lus, door het land rijden. Wij gingen na afloop weer op huis aan. Dat wil zeggen op zoek naar ons autootje. Die stond nog altijd keurig op ons te wachten in het 19de arrondissement. Laat in de avond waren we weer thuis met de vaststelling dat we die dag langer in de auto hadden gezeten (acht uur) dan in Parijs geweest te zijn. Maar de ervaring om in één dag op en neer naar Parijs te gaan ben ik nooit meer vergeten. U heeft het namelijk net gelezen.

 

Ik heb later nog verschillende malen de Tour gezien bij Place de la Concorde. In plaats van met de auto, altijd wandelend vanaf de plek waar ik woonde. En altijd weer won de gele trui.  

 

Merci, Les Blues! 


Ongeveer deze week had Nederland het EK 2020 moeten winnen. Of België. Of Frankrijk. Ze hadden alle drie een kans gehad. In plaats daarvan was het deze week twee jaar geleden dat het volgende werd waar gemaakt: “Lijkt 2018 niet een beetje op 1998?”

Overal aan de muren van Parijs was deze slogan al wekenlang te lezen. Het was reclame dat verwees naar de grote triomfen van het Franse voetbalelftal tijdens het wereldkampioenschap in eigen land aan het einde van de vorige eeuw. In 2018 zou “Les Blues” weer kans maken. En in tegenstelling tot de Nederlanders hielden de Fransen zich wel aan hun woord. (Ik herinner me dat het Oranje in de afgelopen dertig jaar vooral vaak net niet lukte.)

De finale van dat kampioenschap wilde ik niet missen, want het was exact dertig jaar geleden dat er nog iets te vieren was geweest. Ik herinner me een zaterdagmiddag in juni 1988. Nu, dertig jaar later, keek ik de finale in de stad. Die wedstrijd was een formaliteit: vier twee tegen Kroatië. Dat is het voordeel om een groot land te zijn. 

Daarna was het feest in de stad. De wedstrijd hadden we vlak bij de Champs-Élysées gezien. Het is traditie om ‘monter les Champs-Élysées’. Dat wil zeggen: je loopt en masse richting Arc de Triomphe, want dat is het hoogste punt van de lange avenue. De Champs is bijna twee kilometer lang dus dat duurt wel even. Wij kwamen via Rue la Boetie de Champs op, dat is al vrij ver omhoog. Even na zevenen was het al gezellig druk. Maar binnen een half uur werd het voller en voller. Het lijkt onvermijdelijk dat jongeren van deze uitzonderlijke omstandigheden gebruik maken om stennis te schoppen. Dat gebeurde helaas ook. 

Arc de Triomphe is in west en ik woonde in oost. Lopend kost je dat anderhalf tot twee uur. Uit voorzorg waren de metro’s gesloten die avond. Dus gingen we lopen. Dat kostte ons de rest van de avond. De sfeer in de stad was uitbundig. Place d’Étoile, waar de Arc de Triomphe op staat, werd Place Deux Étoiles gedoopt. Dit naar aanleiding van de tweede ster op het shirt na twee gewonnen wereldkampioenschappen. En iedereen danste, zong en scandeerde vrolijk: “Merci, les Blues, merci, les Blues!” Het is het liefkoosnaampje voor Franse equipes vanwege het blauwe tenue, zoals in België de Rode Duivels hun naam ontlenen aan het rode shirt. En ieder Nederlands elftal dankzij de shirtkleur in de volksmond Oranje wordt genoemd.

Halverwege de route gingen we eten bij een Italiaans restaurant in Rue de Montmartre. Van pure vreugde kwam de chef uit zijn keuken om op straat tussen de tafeltjes een serenade te brengen. Weer een uurtje of twee later hadden we eindelijk Place de la Bastille bereikt. We kwamen in de juiste richting. Het was inmiddels middernacht, tijd voor een ijsje. De shift van een jonge medewerker was afgelopen dus hij kon zich in het feestgedruis begeven. Ik hoor hem nog vol ongeloof zeggen: “Nous sommes les champions du monde!”

De volgende dagen deed ik tours op de fiets. Overal in de stad lagen de straten bezaaid met glas. Groen glas. Een Amsterdamse bierbrouwer laat overal zijn sporen achter. Onuitwisbare marketing. Dat heeft mij die zomer acht lekke banden gekost. Merci, Les Blues!