BLOG PARIS PROMENADE 

HIER VIND JE IEDERE WEEK EEN NIEUWE BLOG OVER HET LEVEN VAN JE GIDS IN PARIJS. AVONTUREN EN VERHALEN DIE JE OOK KAN BELEVEN ALS JE MET ONS MEEGAAT OP ONZE WANDEL TOURS. 

LEESTIJD PER BLOG: 3 à 4 MINUTEN
VEEL LEESPLEZIER!


OS2024: Wonen in het Olympische dorp

Het is zaterdagmiddag. Komende week, begin maart, wordt het Olympische dorp geopend. Dat is nochtans de bedoeling. De meeste voorbereidingen op het Olympische feest deze zomer staan op schema, maar er zouden 2 uitzonderingen zijn. Grand Palais, omdat de restaurateurs van dit gebouw uit 1900 in iedere hoek weer een andere onvoorziene uitdaging tegenkomen. Het andere zorgenkindje zou het Olympische dorp zijn. Het is zeer de vraag of de deadline voor de oplevering gehaald zou worden.


Op deze winderige zaterdagmiddag eind februari wandel ik er rond. De site ziet er typisch uit als een nieuwbouwwijk uit de 21ste-eeuw. Of een nieuwe pensionado’s wijk aan de Spaanse kust. 51 hectare groot, meer dan 14.500 atleten kunnen hier verblijven. Er is een trainingsaccommodaties op 20 minuten afstand van het dorp. Het complex van de filmstudio ‘Cité du Cinéma’ huisvest de restaurants, in de Maxwell Hall komen een fitness centrum, een café en een servicecentrum. De sporters kunnen van de rust en de omgeving genieten langs de oevers van de Seine. Het Stade de France, het grote stadion dat al meer dan 25 jaar oud is en waar de atletieknummers worden afgewerkt, is letterlijk op 10 minuten lopen. Het dorp ligt pal naast de snelweg. 85% van alle atleten zouden binnen 30 minuten op hun wedstrijdlocatie zijn. Speciale rijstroken worden vrijgemaakt. 


De contouren van Cité du Cinema-complex is in de verte te zien. Tussen blokken appartementsgebouwen in een drassig gebied dat nog grotendeels aangelegd moet worden. De site is – ook op zaterdagmiddag - goed bewaakt: overal dranghekken en kotjes waar bewakers zitten die de boel in de gaten moeten houden. De ene alerter dan de andere. Enkele stratenmakers zijn steentje voor steentje een trottoir aan het aanleggen. Een klein groepje belangstellenden wordt met een gids rondgeleid.


Het Olympisch dorp ligt aan de noordkant van Parijs: Saint-Denis, Île Saint-Denis en Saint-Ouen. Dat is niet zonder een reden. Bij gasten uit mijn tours heerst vaak het beeld over de banlieue van Parijs dat het kommer en kwel is daar. Dat klopt lang niet overal. Maar de voorsteden waar problemen het gemeentelijk beleid beheersen zijn inderdaad in deze contreien te vinden: ten noorden van Parijs. Er is een aanzienlijk deel van het hele Olympische budget – sommigen beweren zelfs 85 procent! – dat naar deze voorsteden gaat. De Spelen zouden indirect ook een stimulans moeten worden voor de sociale omstandigheden hier. 


Onze burgemeester, Anne Hidalgo, vatte het kernachtig samen: “We bouwen niet voor dertig dagen sport, maar voor dertig jaar.” Dat betekent dat het dorp na ruim een maand topsport niet zal verpauperen. Zoals het gebruikelijk is, is er een 2de bestemmingsplan. Deze appartementen zouden naar 6000 van de plaatselijke bewoners moeten gaan. Scholen zouden moeten verrijzen op dit terrein, en ook parken en sportgelegenheden worden voor de inwoners aangelegd. 


Klinkt heel nobel in theorie, maar dat gaat wel wat voeten in aarde hebben. Er zijn met name 2 moeilijkheden. Architect Dominique Perrault heeft getracht een compact en duurzaam dorp neer te zetten, zodat ook de banlieues voordeel gaan hebben van de Olympische Spelen. Maar onder de lokale bevolking heerst er angst dat zij zelf niet zullen profiteren. De huizen zullen zeer duur worden, ondanks het feit dat er ook sociale huur tussen zal zitten. Om een flat te kopen in het Olympisch dorp ligt de prijs op 7.000 euro per vierkante meter. Dat betaal je ook in (de minder duren delen van) de stad Parijs. Je hoeft geen Nostradamus te zijn om te voorspellen dat er vooral rijke mensen hiervan gaan profiteren: gentrificatie. En dat is niet de bedoeling als je de plaatselijke bevolking sociaal-economisch wilt ondersteunen en ontwikkelen.


Daar komt bij dat de kamers van de atleten geen keukens bevatten. De organisatie wil het sociale aspect onder de Olympiërs stimuleren door hen allemaal te laten eten in het grote complex van Ciné de Cinéma. Dat betekent dat na afloop van OS2024 duizenden slaapkamers verbouwd moeten worden tot een keuken. Ten slotte zijn de kamers ook niet voorzien van een airconditioning. Dit zou echter opgelost worden door de gebruikte bouwmaterialen, die zich aanpassen aan het klimaat. De accommodaties worden zo voorzien op hittegolven. 


We gaan het deze zomer (en herfst) allemaal zien. Eerst moet nog het terrein afgewerkt worden. Langs de dranghekken liggen de plantjes in plastic bakjes en de grasrollen uit de plaatselijke tuincentra op hun bestemming te wachten. Laat de lente maar komen!

Cité Malesherbes: gevel als een kunstwerk

Hoeveel geheime pareltjes zijn er te vinden in Parijs? Soms moet je ze met een loep gaan zoeken en dan liggen ze eigenlijk om de hoek van een groot bekend gebouw. Niet al te ver van de Moulin Rouge, om de hoek van Place Pigalle bestaat een privé straatje: Cité Malesherbes, in het charmante 9de arrondissement. Gelegen aan de rand van Nouvelle Athènes, een wijk die door de meesten jammerlijk over het hoofd wordt gezien. 


Als je Cité Malesherbes verkent, zul je versteld staan van de architectonische rijkdom van de particuliere herenhuizen en pittoreske gebouwen die er te vinden zijn. Maar één huis verbleekt alle andere. Dat is het huis op nummer 11, één van de mooiste gevels van heel Parijs. 


De namen van de architect en van de schilder van de gevel staan sierlijk vermeld. De architect heet Anatole Jal, de schilder is Pierre-Jules Jollivet. Wat is zo bijzonder aan die voorgevel? 


De buitenmuur is versierd met geëmailleerde lavaschilderingen die verschillende Bijbelse scènes uitbeelden. Deze prachtige keramiek was oorspronkelijk bedoeld voor de Saint-Vincent-de-Paul-kerk (op loopafstand van Gare du Nord). In het oog van de strenge christelijke moraal was de fresco een schandaal; enkele maanden na de installatie is het uit het gebouw verwijderd. De oorspronkelijke polychrome panelen zijn vandaag de dag weer te bewonderen aan de voorkant van de kerk.  


Na die verwijdering dacht Jollivet: als mijn schildering niet op de kerk mag, dan gebruik ik ze wel voor de gevel van mijn eigen huis. En zo gebeurde het. 


De drie centrale ramen op de eerste en tweede verdieping zijn rijkelijk versierd met neorenaissance elementen zoals pilasters, krullen, arabesken, lijsten, vazen en kandelaars. Wat is er precies te zien op schilderingen? Op de eerste verdieping zijn er drie voorstellingen van het Oude Testament: De schepping van Eva uit de rib van Adam, de erfzonde met de slang en de appel, en tot slot Adam en Eva die uit het paradijs worden verdreven. Eén verdieping hoger vinden we drie voorstellingen uit het Nieuwe Testament: De aanbidding van de Wijzen bij de pasgeboren Christus, de Doop van Christus en het Laatste Avondmaal. Het Laatste Avondmaal, de belofte van verlossing, vormt een tegenwicht voor de erfzonde van Adam en Eva. 


Zoals gezegd is Cité Malesherbes een privé-straat met een hek eromheen. Als je een beetje geluk hebt, er moet iemand naar binnen heb je een kans dat je mee binnen kan glippen. Je kan ook meelopen met je Nederlandstalige gids. Dan is de kans net iets groter om binnen te komen. 

 

Ps: in dezelfde straat op nummer 3 zag Jean-Philippe Smet het levenslicht. Smet zou uitgroeien tot de grootste volkszanger van het land, ook wel de Franse Elvis, beter bekend onder zijn artiestennaam Johnny Hallyday. 

In de sferen van Mark Rothko

Compleet is natuurlijk niets in het leven. Hoewel, ik herinner me de 2 albums uit mijn jeugd vol met smurfenplaatjes uit de Avro Televizier die ik na maanden sparen en plakken eindelijk compleet had, maar dit even terzijde… Wat ik eigenlijk wil zeggen: de huidige tentoonstelling van Mark Rothko in Fondation Louis Vuitton schurkt opvallend dicht bij een quasi compleet overzicht van zijn ontwikkeling. Met een verrukkelijke hoeveelheid vlakken. 


In Fondation Louis Vuitton zien we dat Rothko – geëmigreerd vanuit Letland (toen onderdeel van het Russische tsarenrijk) naar Amerika - aanvankelijk figuratieve kunst maakte. Simpelweg omdat dat toen mode was in Amerika, zoals hij ons zelf uitlegt tijdens de expositie. Zijn vroegere schilderijen doen mij denken aan Edward Hopper, die ook zo treffend de vooroorlogse Verenigde Staten kon weergeven. Maar voor Rothko was dat niet voldoende. Hij ging steeds abstracter schilderen. In zijn surrealistische werk herkennen we in de verte Pablo Picasso. 


Maar daarna, na de Tweede Wereldoorlog, gaat hij zich meer en meer toeleggen op het monumentale werk waar hij beroemd om zou worden: gekleurde vlakken. Ik zou eerder willen spreken van sferen. De doeken zijn vrijwel een schaamteloze toestemming om je gedachten heerlijk te laten afdwalen. De zalen in Fondation hangen vol met vlakken zoals de ovale muren van de Orangerie versierd zijn met de alomvattende waterlelies van Claude Monet. Even sferisch en even grootschalig. Hoe groter, hoe intiemer, aldus Rothko, zeker in een kleine ruimte. Rothko: ‘Ik schilder grote schilderijen omdat ik een toestand van intimiteit wil scheppen. Een groot schilderij neemt je mee een schilderij in. Ik realiseer me dat grote schilderijen vaak iets pompeus hebben. Maar de reden waarom ik ze toch schilder, is juist dat ik erg intiem en menselijk wil zijn. Als je een klein schilderij maakt, plaats je jezelf buiten je eigen ervaring. Als je echter een groot schilderij maakt, zit je er middenin.’


Enige artistieke luxe, wat typisch bohemien wordt gevonden, was Rothko vreemd. Geen Perzische tapijten of nutteloze gitaren in zijn atelier. Nee, enkele gigantische doeken, verf en verplaatsbare steigers. Het ging Rothko duidelijk om de essentie. Zijn hoogste doel was de benadering van het vormloze. Muziek wordt vaak aangehaald als de hoogste kunstvorm omdat het vormloos is. Muziek is hooguit trillingen in de lucht. Meer heb je niet om vast te grijpen. Die abstractie, die ons dichter bij het onvergankelijke brengt, wilde Rothko ook vastleggen in zijn doeken. Met dit nobel streven haalde hij zich een haast onmogelijke opdracht op de hals. 


Naar het einde toe werden Rothko’s doeken donkerder. Navenant zijn gemoedstoestand. Die laatste periode, de jaren ’60, mondde uit in zogenaamde Blackforms: donkere, soms zelfs volledig zwarte vlakken. Dat was voor mij dan weer een sentimental journey: als tiener las ik graag Het Zwarte Licht van Harry Mulisch. De cover van die roman is exact wat Rothko ook probeerde te vangen. Hij zei zelf: “Ik heb niets met kleuren, ik ben op zoek naar het licht.” Het licht in het zwarte. Dat is bijzonder treffend gedaan in de expositie. Zoals sneeuw in een winternacht, zo zorgt een lichtbron op het zwarte doek ervoor dat zwart licht wordt. 


Mocht je nog aarzelen of je zou komen, stop met die knagende twijfel. Zowel kwalitatief als kwantitatief is de tentoonstelling van een overvloedige rijkdom. Het zal zeker nog een lange tijd duren voordat zovele kunstwerken van Mark Rothko weer zo dicht bij ons te bewonderen zullen zijn. Je hebt nog de kans tot in april. 


Meer blogs van PARIS PROMENADE 
                    en nog véél meer over uw favoriete stad leest u op...