BLOG PARIS PROMENADE 

HIER VINDT U IEDERE WEEK EEN NIEUWE BLOG OVER HET LEVEN VAN UW GIDS IN PARIJS. AVONTUREN EN VERHALEN DIE OOK U KAN BELEVEN ALS U MET ONS MEEGAAT OP ONZE WANDEL TOURS. 

LEESTIJD PER BLOG: 3 à 4 MINUTEN
ALVAST VEEL LEESPLEZIER!


Tour de Chanson: Aristide Bruant (1851 – 1925) 

Het komt wel vaker voor dat een beeld van een artiest beroemder is dan zijn liedjes. Hoeveel jongeren kunnen nog spontaan een liedje van Elvis neuriën? Terwijl ze Presley ongetwijfeld herkennen van een foto. Misschien gaat dat intussen ook al op voor de Beatles. Maar er is vrijwel geen enkele zanger bij wie zijn portret zo zijn repertoire overstemt als bij Aristide Bruant. Weinig mensen hebben zijn stem ooit gehoord, terwijl zijn afbeelding algemeen bekend is. 


Twee redenen zijn daar debet aan. Bruant zong zijn liedjes in een periode waarin de eerste geluidsdragers (fonograaf en grammofoon) nog in de kinderschoenen stonden. Zijn liedjes hadden bestaansrecht door bladpapier en live-uitvoeringen. Daarom zijn er weinig opnames bekend en die zijn van een abominabele kwaliteit voor 21ste-eeuwse oren. De andere reden danken we aan de schilder Henri Toulouse-Lautrec. Hij maakte de iconische illustratie van Bruant met de rode sjaal en de zwarte mantel en baret. Die is nooit meer van het netvlies verdwenen – ook niet bij 21ste-eeuwse ogen.


Bruant werd in 1851 in de provincie geboren. Na de dood van zijn vader verdween het enorme familiekapitaal als sneeuw voor de zon en de 15-jarige Aristide zocht zijn heil in Parijs. Meer bepaald in Montmartre. De wijk op de heuvel begon toen als een magneet te werken op kunstenaars. Bruants diepste wens was om zanger te worden. In die periode was Montmartre een arme wijk, zoals zoveel dorpen aan de noord- en oostkant. Aristide wist zich feilloos aan te passen. Hij was een socialist in hart en nieren. Zo zong hij over de armetierige Zone ‘waar de oogst er een was van gebroken flessen en porseleinscherven.’ Hij bekwaamde zich in de straattaal (“argot”) van Montmartre. 


Bruant begon op te treden in zogenaamde café-concerts, in de volksmond ook wel les caf’conc’ genoemd. De bekendste van die caf’conc’s waren Alhambra, de Ba-Ta-Clan (inderdaad, daar waar in november 2015 de bloedige aanslag was) en de Moulin Rouge. Een andere van die café-concerts luisterde naar de naam Le Lapin Agile. Bruant woonde om de hoek en was vaste gast. Maar naast Le Lapin Agile wordt Aristide Bruant vooral geassocieerd met het beroemde cabaret Le Chat Noir van Rodolphe Salis. Toen Salis de deuren sloot in 1885 nam Bruant met behulp van het geld van een fan het etablissement over en veranderde de naam in Le Mirliton. De bar was slechts 4 uurtjes open, van 10 tot 2 uur ‘s nachts. Bier kostte er slechts 13 cent, een proletarische prijs. Maar op vrijdag was er de zogenaamde chique avond met aangepaste prijzen (bier vijf frank). Dat lokte heel ander volk naar zijn café. Hij werd bejubeld en vergeleken met François Villon, de grote Middeleeuwse dichter. Elk cabaret had zijn eigen krant. Zo ook Le Mirliton, die Bruant zelf bestierde. 


De act van Bruant bestond uit een rood shirt, zwarte fluwelen jas, daarover een zwarte cape, hoge laarzen, een wandelstok en de beroemde rode sjaal. Hij maakte er een gewoonte van om het publiek af te snauwen en tijdens het zingen met zijn laarzen fel op tafel te stampen. Dat was nieuw. Salis was een man die stond voor standing, een typische gastheer die aankondigde met “Madamonsieurs.” Bruant was daarentegen grofgebekt: “De stapel idioten die niet begrijpen wat ik voor ze zing, die niet kunnen begrijpen, niet wetend wat het is om van de honger te sterven, degenen die ter wereld zijn gekomen met een zilveren lepel in hun mond… Ik wreek mezelf door ze te beledigen, door ze slechter te behandelen dan honden. Dat maakt ze tot tranen toe aan het lachen; ze geloven dat ik grappen maak alsof het een briesje uit het verleden is.” 


De mensen vonden het prachtig! Dit was een ander register en het paste perfect in het décor van Montmartre. Tussen zijn laatdunkende opmerkingen zong hij de prachtigste liedjes, zoals La Ballade du Chat NoirNini Peau d’Chien en À Saint-Lazare. Het zijn liedjes die nu bij vrijwel niemand een belletje doen rinkelen. Het is te lang geleden. 


En dat is jammer, want Aristide Bruant was een vernieuwer waar we nog altijd plezier aan beleven. Het is wat kort door de bocht om sloganesk te roepen: “Geen Édith Piaf zonder Aristide Bruant”. Maar er zit wel een kern van waarheid in. Zijn volkse liedjes, zijn acte de présence, zijn hese en krachtige stem en zijn gestalte zorgden ervoor dat het tragische Franse lied een stevig fundament kreeg waar nog zeker een halve eeuw op voortgeborduurd kon worden totdat dit door Piaf op een internationaal niveau werd getild. Nog altijd zijn echo’s hiervan in de 21ste-eeuwse Franse muziek te horen.  

Le Grand Rex 

Parijs telt tientallen bioscopen. Van hele kleintjes met enkele oude zalen voor slechts tientallen bezoekers tot aan gigantische complexen. Maar er is maar één cinema zoals Le Grand Rex. De grootste van Europa. 

Ik ben er enkele keren geweest - in de jaren voor de confinement (lockdown). De laatste keer was voor een rondleiding. Je leert er alles over de ontstaansgeschiedenis. Het duurde een jaar om de bioscoop te bouwen, in december 1932 werden de deuren geopend. Het gebouw is een typisch staaltje Art Déco, dé toonaangevende bouwstijl van die periode. Strak en geometrisch èn met neonverlichting. Een lichttoren en karakteristieke letters op de zijgevel. De architect luisterde naar de naam Auguste Bluysen. Het idee kwam van filmproducent Jacques Haïk, de man die Charlie Chaplin naar Frankrijk haalde. De inspiratie van zo’n groot filmcomplex kwam uit Amerika. Haïk wilde een bouwstijl dat hem deed denken aan de Radio City Music Hall in New York City. 

Op de eerste roltrappen van Parijs laat je je binnen (ver)leiden door de muurschilderingen van clowns en fabeldieren. Je loopt door de coulissen achter het doek. Dat is niet enkel op het podiumniveau. Je kan enkele verdiepingen op- en aflopen. Op elke verdieping is weer wat anders te vinden, zoals de montagekamer, regiekamer, projectiecabine, special effects, oude originele opnamen... Wat ik me nog het meest herinner was dat het vooral veel fun was tijdens de excursie. Je kon zelf stukjes film maken en zelfs een rolletje spelen in je favoriete film met echte decors. Interactie ten top!  

Maar het hoogtepunt van een bezoek is natuurlijk de grote zaal van Le Grand Rex. De grootste filmzaal van Europa die plaats biedt aan bijna 3000 toeschouwers.  

Ik heb hier ooit de rockzanger Nick Cave gezien, in een hyper-autobiografische documentaire èn in het echt (2015). Want die grote zaal heeft niet alleen een enorm filmscherm, maar is ook een podium op zichzelf, waar artiesten optreden. Ook The Beatles heb ik in Le Grand Rex gezien. Voor het eerst werd een film van het volledige concert in Shea Stadiun vertoond. Dat was het grootste rockconcert tot dan toe. We spreken over 1965 en we spreken over 56.000 toeschouwers! Ongekend voor die tijd. Het mooie was dat de emoties uit de film ook in de zaal voelbaar waren - alsof de Fab Four echt voor ons stonden te spelen. En wij, het publiek, jong waren in de jaren '60. Superecht. 

In de kelder van het complex heerst er een hele andere sfeer. Daar in de Rex Club wordt er tot zonsopgang gedanst op technobeats op een soundsystem met niet minder dan 70 speakers! Daft Punk gaf hier acte de présence voordat ze Daft Punk werden en nog ‘gewoon’ als Thomas Bangalter en Guy-Manuel de Homem-Christo door het leven gingen. 

Het komt wel vaker voor dat als ik toevallig passeer op Boulevard Poissonnière dat er een lange rij voor het gebouw staat. Dat betekent meestal een groots aangekondigde prémière van een blockbuster. Denk aan een nieuwe Star Wars of Hobbit-film. Dus als je cinofiel bent óf je houdt gewoon van films 😉 dan is Le Grand Rex zeker een bezoekje waard. En als je denkt: is dat niet allemaal in het Frans? Steeds vaker worden internationale films in de oorspronkelijke taal geprogrammeerd met ondertitels.  

Speciale evenementen zijn in april het meerdaagse Jules Verne-festival. En in december volgt Féerie des Eaux: een groot waterfeest, inclusief een enorm waterbassin onder Walt Disney-films.  

 

Metrohalte: Bonne Nouvelle 


Informatie deels ontleend aan: Bent van Looy, Mijn Parijs

Einde van een tijdperk voor de metro

Het Parijse metrostelsel is één van de oudste ter wereld. De treintjes begonnen te rijden in 1900. Toen nog alleen op lijn 1, 2 en 6: een cirkel met een lijn erdoorheen. Deze overzichtelijke routes zijn intussen uitgebreid tot een netwerk van ongeveer 15 lijnen die nog altijd verder verlengen en vertakken over groot Parijs. Al dan niet aansluitend op de vele RER-lijnen, de interregionale treinen die vaak naar groene delen in Île de France leiden.

Gedurende al die decennia van uitbreiding en vertakking, sinds 1900, was er één ultieme zekerheid voor de Parijse reiziger: het kartonnen kaartje. Dit ticket is een icoon van de Parijse cultuur. Net zo Parijs als de Eiffeltoren en de Moulin Rouge. Je voelt je dan echt onderdeel van de metro en dus van Parijs. Want dat is het gevoel dat de metro geeft: ik hoor erbij. Waarbij? Een groep individuen op hun eigen eilandje zwijgend naast elkaar, asociaal in hun eigen wereldje in de grootstad. En toch hebben al die mensen, verdiept in hun boek of hun iPhone met hun headphone op vol met muziek, datzelfde gevoel: ik hoor bij de miljoenenstad Parijs. De metro verbindt de slaapplaats van al die individualistische individuen met hun werkplaats èn met elkaar. En altijd was dat kartonnen kaartje de sleutel om mee te mogen met de metro. Natuurlijk hebben de meeste Parijzenaren een Navigo Pass, een soort pas die je wekelijks of maandelijks oplaadt. Maar de dagjesmensen en de toeristen voorzien zichzelf van een individueel ticket voor één ritje. 

Dat iconische ticketje gaat verdwijnen. 

Niet meteen, maar wel binnenkort. In 2025. Een jaar na de Olympische Spelen. Maar al in 2023 zou de omloop van het kartonnen kaartje flink afgenomen moeten zijn. Het ticketje heeft dan 125 jaar trouwe dienst geleverd. Op 19 juli 1900 om één uur werd het eerste kaartje gebruikt. De metro was een onderdeel van de Wereldtentoonstelling, die dat jaar in de lichtstad werd gehouden. Dat was de Wereldtentoonstelling van Grand Palais en la gare d’Orléans, het oorspronkelijk treinstation dat tegenwoordig beter bekend staat als Musée d’Orsay.

Hoezeer het ticketje verweven was met de Parijse cultuur blijkt wel uit de vele liedjes en films waarin het voorkomt. Voorbeeld is het liedje Le Poinçonneur des Lilas van Gainsbourg waarin de kaartjesknipper zijn werk zo uitzichtloos vindt dat hij uiteindelijk een gaatje in zijn eigen hoofd schiet. Zijn graf ligt meestal bezaaid met metroticketjes. Dat van Gainsbourg welteverstaan, op cimetière Montparnasse.

 

Nu dat iconische kaartje verdwijnt, hoe reis je nu nog legaal met de metro? 

Dé ontdekking van 2022 voor mij is toch “Bonjour RATP”. Deze geniale app voor het openbaar vervoer in Parijs en ver daarbuiten is de beste manier om te achterhalen hoe je het snelst en efficiëntst van a naar b gaat met de Parijse metro of bus. Maar het is ook de deur naar een nieuw gebruik van het vervoersbewijs. Ook toeristen kunnen dan voortaan weer een ‘kaartje’ kopen via deze app op je mobiel. Daarvoor heb je wel een zogenaamde Navigo Easy Passe nodig. Die kan je voor 2 euro kopen aan het loket van vrijwel iedere metrohalte. Eenmaal die Navigo Easy pas in handen kan je die pas opladen via de app Bonjour RATP, dus overal waar je bent op eender welk moment, of gewoon aan de automaten in iedere metrohalte.

Een vaste lezer van de blog vult aan: "Via de app bonjour RATP ga je naar tickets (rechtsonder) en dan kies je bovenin "on my phone". Dan kan je tickets kopen, en met je telefoon gewoon inchecken bij de metro. Op deze manier heb je geen navigopas nodig. Je moet nog wel "tickets sans contacts" downloaden. Et voilà! Werkte perfect."

Nog gemakkelijker dan het al was. Alleen dat kartonnen kaartje in je hand... het zal nooit meer hetzelfde zijn.

Het Proustiaanse paradijs

“Het echte paradijs is het paradijs dat we hebben verloren.” Deze troostrijke woorden, uit de mond van schrijver Marcel Proust, geven perspectief aan alle verlieservaringen die we ondergaan. Of dat nu het verlies van een ambitie is, rijkdom, een relatie, de dood van onze ouders of een kind… Vaak hebben we de rijkdom van wat we hebben niet door totdat het ons ontglipt. 

Inderdaad, deze week gaan we iets filosofischer. Over een of ander lekkernij of een Netflix-serie over Parijs schrijf ik de volgende keer wel weer. 

Marcel Proust is vooral beroemd geworden door zijn romancyclus van meer dan 3000 bladzijden: A La Recherche De Temps Perdu (Op Zoek Naar De Verloren Tijd). Over de tijd die achter ons ligt. Over dat deel van ons leven dat herinnering is geworden en waar we net zo makkelijk bij kunnen als bij jeuk tussen de schouderbladen. 

Het beroemdste fragment waarin die ruim 3000 bladzijden worden samengebald in één beeld wordt al na 50 bladzijden aan ons verteld. De ik-persoon is op bezoek bij zijn tante. Zij serveert hem thee met een gebakje, een Petite Madeleine. Hij doopt een klein beetje van die Madeleine op zijn lepeltje waar wat thee op rust en lepelt het in zijn mond. En wat er dan gebeurt… daar zijn bibliotheken over volgeschreven. Daarvoor komen adjectieven, superlatieven, categorieën, inventarisaties en sensaties tekort. Zeggen dat de ik-figuur naar zijn jeugd wordt teruggevoerd is niet krachtig genoeg. Voordat hij het amper zelf doorheeft, valt hij pardoes als het ware enkele verdiepingen lager in zijn bewustzijn. Ineens van het ene op het andere moment is hij terug in zijn jeugd, overweldigd door een gigantisch gevoel van geluk, geborgenheid, iets wat hij is kwijtgeraakt. Het is niet uitsluitend denken aan het verleden… Nee, het is echt samenvallen met dat verrukkelijk gevoel van compleet zijn - gedurende een kort moment. En dat valt niet te manipuleren. De ik-persoon probeert het namelijk opnieuw: hij doopt een nieuw stukje Madeleine in de thee op zijn lepeltje en slurpt het op. Maar de sensatie is al lang niet meer zo sterk. En de derde keer is het intense gevoel vrijwel opgelost – net zoals suiker in thee.

Deze voorgaande alinea, waarin de zogenaamde Proustiaanse ervaring wordt beschreven, is niet alleen van een eindeloze betekenis voor de wereldliteratuur, maar zegt ook ongelofelijk veel over wie we zijn als mens. Het is alomvattend en moeilijk te omschrijven. Want al die woorden die we gebruiken snijden ons juist af van het eigenlijke gevoel èn van onze eigen gevoelens. Het zit heel diep in ons. Het verlangen naar datgene wat we zijn kwijtgeraakt; we kunnen er niet bij. “Het is niet in woorden te vatten”, zeggen we gemakshalve. Dàt is vaak ook zo, maar niet voordat we er eerst over nagedacht hebben, of liever: het gevoeld hebben. Doordat taal niet toereikend is zijn dat momenten die ons eenzaam doen voelen. Proust zei het al: het echte paradijs is het paradijs dat we hebben verloren. 

 

Proust schreef A La Recherche De Temps Perdu grotendeels in bed in zijn met kurk bemuurde kamer. Dat hield het lawaai beter weg uit zijn eigen wereld. Hij bracht namelijk zijn laatste jaren door in huis in peignoir. En hij schreef en hij schreef. Hij beschreef zijn eigen “leven in de breedte”, zoals de Nederlandse schrijver A.F.Th. van der Heijden (De Tandeloze Tijd) dat later zou zeggen. Dat betekent dat vele momenten zo omvangrijk worden beschreven en erbij wordt stil gestaan dat momenten met vrienden, familieleden, liefdesaffaires van een enkele seconden in A La Recherche De Temps Perdu makkelijk enkele bladzijden in beslag neemt met zeer punctuele details en overpeinzingen over wat die ogenblikken eigenlijk betekenen. En soms zijn zinnen anderhalve bladzijde lang!  

A La Recherche De Temps Perdu geeft een fijnzinnig beeld van het sociale leven van de gegoede Parijse burgerij eind 19de, begin 20ste eeuw. En ook plaatsen die Proust vaak bezocht: adressen waar vrienden woonden, openbare plekken zoals restaurants, clubs, zelfs maisons closes (bordelen). Een ding valt meteen op: die adressen zijn voornamelijk gelokaliseerd in het 16de en 8ste arrondissement. Dat was toen al de aristocratische kant van het Haussmaniaanse Parijs met de appartementencomplexen die we allemaal zo goed kennen als het ultieme gezicht van Parijs. Marcels vader was hoogleraar in de medicijnen, zijn moeder was een Jodin van rijke komaf. Het onderscheid tussen rijk en arm opgedeeld in west en oost Parijs was toen nog veel dieper en scherper dan nu, 100 jaar later. Want laten we wel wezen: tegenover de superieure, enorm bevoorrechte wereld van Proust met beschaafde manieren en hypersensitieve personages staat er een Parijs vol met arbeiders en revolutionairen die dagelijks vochten voor betere sociale voorzieningen. Ofwel: een stuk brood of een aardappel. Maar dat is een volslagen andere wereld waar Proust aan voorbij gaat.

 

Toen Proust zijn laatste alinea’s op papier had gezet had hij nog slechts één woord te schrijven: ‘Fin’. Bij het einde van zijn romancyclus had hij nog slechts één mededeling: “Ik kan nu sterven.” Vandaag staan we stil bij die dag waarop Proust zijn laatste adem uitblies. Op 18 november 1922 stierf hij aan longontsteking. Hij werd bijgezet in het familiegraf op Père Lachaise, vlak naast het crematorium. 

Als je ervan uitgaat dat de dood eeuwig is dan liggen er weinig mensen toepasselijker op het kerkhof dan Marcel Proust. Zoals eenieder van ons was hij tijdens zijn leven in hevige strijd met de tijd. Hij ging daar veel bewuster mee om dan velen van ons. 100 jaar lang, zeeën van tijd, ligt hij inmiddels in zijn graf. Zijn levenswerk is uitgegroeid tot een fenomeen op zich. Een monument met een hoge eeuwigheidswaarde. 


Meer blogs van PARIS PROMENADE 
                    en nog véél meer over uw favoriete stad leest u op...