BLOG PARIS PROMENADE 

HIER VINDT U IEDERE WEEK EEN NIEUWE BLOG OVER HET LEVEN VAN UW GIDS IN PARIJS. AVONTUREN EN VERHALEN DIE OOK U KAN BELEVEN ALS U MET ONS MEEGAAT OP ONZE WANDEL TOURS. 

LEESTIJD PER BLOG: 3 à 4 MINUTEN
ALVAST VEEL LEESPLEZIER!


Suzanne Valadon, de minnares van Montmartre (1865-1938)

De componist Eric Satie had weinig affaires in zijn leven. Maar in 1893, 27 jaar oud, was het raak. Hij ontmoette schilderes Suzanne Valadon. Na de eerste nacht samen vroeg hij haar ten huwelijk. Ze gaf niet toe, maar ging wel naast hem wonen. Satie was volledig betoverd door haar. Hij noemde haar Biqui en prees “haar lieflijke ogen, elegante handen, kleine voeten… alles wat ze in zich heeft.” Hij componeerde voor haar Danses gothiques, zij schilderde hem. Die weelde duurde 5 maanden. Toen was ze plots verdwenen. Al wat overbleef was “niets anders dan ijskoude eenzaamheid dat het hoofd opvult met leegte en het hart met smart”. Hij zou er nooit meer overheen komen. 

Satie was niet de enige. De lijst met geliefden is lang, zo lang als de opeenvolgende treden omhoog naar de Sacre Coeur. Renoir, Toulouse Lautrec, Degas, Puvis de Chavannes…  Wat was er toch zo onweerstaanbaar aan deze Suzanne Valadon? 

Ze werd geboren op 23 september 1865 in Bessines. Op haar 5de nam haar moeder haar mee naar Montmartre. Zij ontvluchtte de provincie, omdat ze daar als alleenstaande moeder gestigmatiseerd werd. Suzannes vader was onbekend. Het rustige, lieflijke, idyllische dorp op de heuvel vol windmolens deed haar denken aan waar ze vandaan kwam. De jonge Suzanne voelde zich als een vis in het water in de straten van Montmartre, vol met prostituées en pooiers, kunstenaars en bohémiens. Opwinding lag op iedere kassei te glanzen. 

Al als jong meisje droeg Suzanne de karaktereigenschappen in zich die zich later zouden uitvergroten. Toen ze zelf schilder was geworden en ze exposeerde in de Paris Salon stelde een meer academische collega met een gelijkende naam voor om elkaars schilderijen te signeren. Om wat opschudding te veroorzaken. Als antwoord kreeg hij van haar: ‘Dan kan jij ondertekenen met “merde” (rotzooi, troep).’ Suzanne was niet op haar mondje gevallen. 

Ze was marginaal en rebels. Ze noemde zichzelf een duivel en gedroeg zich als een jongen met de charmes van een meisje. Suzanne was koppig, onafhankelijk en heetbloedig. Gevoelig, charmant en vol energie… Een fatale combinatie voor iedere man die op zoek is naar avontuur in zijn leven. Een ideaal medicijn om het bloed weer te laten stromen door de aderen die al bijna waren dicht geslipt. Suzanne was als champagne. Ze had grote blauwe ogen waarin je kon verdrinken en goudbruine krullen als de zon. 

Op haar 11de begon ze met werken om haar moeder financieel bij te staan. Op haar 15de werd ze acrobaat in het populaire Molière circus. Maar een pijnlijke val uit de trapeze maakte snel een einde aan deze droom. Daarop ambieerde ze een carrière als kunstenares. En de snelst mogelijke manier om dat te worden was door te poseren. En zo stond ze vanaf haar 15de model voor schilderijen die nu in musea over de hele wereld hangen. Door dat modellenwerk wist ze zich binnen te murwen in kunstenaarssociëteiten waar ze anders geweigerd zou zijn. Onder andere Puvis de Chavannes, Pierre-Auguste Renoir en Henri Toulouse-Lautrec maakten van haar diensten gebruik. 

Er was één die het serieus bedoelde: de Spaanse schilder Miguel Utrillo. Ze ontmoetten elkaar in Le Chat Noir. Zij was 15, hij 3 jaar ouder en hij viel onmiddellijk voor haar. Suzanne zei later over hem: ‘Hij stimuleerde mij, hij gaf me aandacht en moedigde me aan. De beste jaren van mijn jonge leven heb ik met hem beleefd: een klassiek artistiek en bohémien leven.’ 

Maar zoals het altijd in haar leven zou blijven gaan, was Utrillo niet de enige. Dat bleek wel toen hij Parijs verliet. Suzanne was zwanger. Alleen wist ze niet van wie. Ze vroeg aan Degas of hij de vader zou kunnen zijn. Zijn antwoord was kort maar vastberaden toen hij een blik wierp op het kind: ‘Die contouren? Die kan nooit van mij zijn!’ Vervolgens ging zij verhaal halen bij Renoir. De impressionist zei resoluut: ‘Die kleur? Nee, dat is zeker niet mijn kind!’ Toen kwam ze bij Utrillo uit. Hij wist het zeker: ‘Het kind is niet van mij, maar ik heb er niets op tegen om mijn naam te zetten onder een werk van Degas of Renoir.’ En zo kreeg het kind, Maurice, de naam van Utrillo mee. 

Samen met een andere partner van haar, André Utter, haar zoon Maurice en haar honden en katten en een geit woonde ze in een groot huis dat nu dienst doet als het voor iedereen toegankelijke Musée de Montmartre – met een prachtige tuin naast de enige overgebleven wijngaard. 

Maar ook deze relatie hield geen stand. De laatste jaren van haar leven voelde ze zich wat verloren zonder mannen om zich heen. Maar ze bleef doorschilderen. Haar werk wordt geprezen als openhartige studies van familierelaties, seksualiteit en ouder worden. Geheel in overeenstemming met haar levensloop. Een kunstcriticus schreef ooit: "Deze buitengewone vrouw ademt leven in alles wat ze schildert; ze is de vleesgeworden passie.” 

Het oudste geheim van Parijs

In 1869… aan de rand van Quartier Latin… werd er een doorgaande weg aangelegd, tegenwoordig bekend als Rue Monge. De gemeente was ook bezig met een tramremise aan te leggen toen ze op een gigantische vondst stuitte: een archeologische site uit de Romeinse tijd. Historici wisten wat dit betekende. Dit kon niets anders zijn dan die oude arena. 

De antenne van de historisch bewuste schrijver Victor Hugo ging onmiddellijk af. Hij richtte met anderen La société des Amis des Arènes op, een stichting ter behoud van de arena. En hij schreef in de zomer van 1883 een brief aan de gemeente: “Het is onmogelijk dat Parijs, de stad van de toekomst, het levende bewijs van zijn rijke verleden zomaar zou opgeven. Het verleden brengt namelijk de toekomst. De arena's zijn het oude kenmerk van de grote stad. Ze zijn een uniek monument. Bewaar ze ten koste van alles.” 

Waar had Victor Hugo het precies over in deze brief? Hoe oud was oud? De site was ouder dan dat de stad zijn naam droeg. 

 


De eilanden in de Seine (toen nog anders van vorm dan tegenwoordig), het huidige Quartier Latin, en het gebied ten zuidoosten daarvan was ongeveer de omtrek van Lutetia. In het frans: Lutèce. Degenen die regelmatig Astrix en Obelisk lezen zullen de naam herkennen. De naam Parijs stamt oorspronkelijk van de Keltische stam Parisii, die sinds de 3de eeuw vóór Christus dit stukje aarde rond de Seine bewoonde. De Parisii dolven het onderspit toen Julius Caesar de Gallische stammen in de pan hakte. Na deze zuivering met meer dan een miljoen doden in enkele jaren, namen de Romeinen de macht over. Ze zorgden niet alleen voor een nietsontziende uitroeiing in Gallië, ze gaven de stad van de Parisii ook een andere naam. “Lutetia” zou verwijzen naar het Keltische woord voor moeras. 

Lutitia was een Romeins centrum, misschien niet zo groot als Lyon en zeker niet zo indrukwekkend als Rome, het toenmalige centrum van de wereld. Lutetia was geen politieke hoofdstad, maar toch was er genoeg economische bedrijvigheid om de stad te laten groeien tot een aantal van 8000 inwoners. 2 restanten uit deze tijd zijn nog altijd te bezichtigen. Dat zijn de termen in het museum van Cluny (aan de kruising van boulevard Saint-Germain en boulevard Saint-Michel) en de oude arena (Arènes de Lutèce). 

Het amfitheater werd gebouwd aan het einde van de 1ste eeuw na Christus en is daarmee het oudste nog bestaande gebouw in Parijs. Het ontwerp week af van de bekende Romeinse amfitheaters. De tribunes omringden ruim de helft van de arena, terwijl er aan een zijde een lang podium van 41 meter was aangelegd. Kennelijk was dit ontwerp een Gallisch model, want het kwam meer voor in dit gebied. Maar die in Lutetia was hoogstwaarschijnlijk de grootste in zijn soort. In de arena werden theatervoorstellingen en gladiatorengevechten gehouden. Op de tribunes konden 15.000 toeschouwers plaatsnemen. Een groot zeil diende, net als in het Colosseum in Rome, als afweer tegen de zon. Er waren ook speciale stallen voor de roofdieren die werden ingezet tijdens venatio’s, zogenaamde gevechten van mens tegen dier of dieren onderling. 

 

In de 3de eeuw kwam er de klad in. Het Romeinse Rijk verbrokkelde, verzwakte, de Germaanse volkeren zagen hun kans schoon. In 212 gaven de Romeinen de oorspronkelijke naam terug: Lutetia Parisiorum. Daaruit ontstond de huidige naam Parijs. De linkeroever, van oudsher het centrum van de stad, werd verlaten en de andere kant van de Seine nam voortaan het voortouw. 

In 280 werd Lutetia Parisiorum geplunderd door de barbaarse stammen. Stenen van het amfitheater werden gebruikt om het eilandje in de Seine te beschermen. De arena zelf raakte in onbruik en kreeg in de Middeleeuwen zelfs de functie van begraafplaats. En uiteindelijk, met de komst van de beroemde stadsmuur van Philippe August, verdween de arena in 1210 onder de aardoppervlakte. Zo gaat dat met de geschiedenis, die is laagje op laagje opgestapeld. Vandaar dat archeologen als ze gaan graven zoveel terugvinden van honderden jaren geleden, meters diep in de grond. 

Pas 750 jaar later, alsof het niets is, ontdekten de Parijzenaren de arena. Puur bij toeval, toen ze dus die tramstandplaats wilden aanleggen. Ze wisten uit overleveringen dat die daar ergens moet hebben gelegen. Maar toch, ze zullen die dag in 1869 vreemd hebben opgekeken. Uiteindelijk nam de gemeente Parijs – onder meer na de brief van Victor Hugo - het initiatief tot restauratie. De arena werd geopend in 1916. Een deel van de tribunes, diametraal tegenover het podium, werd opgeofferd aan het appartementencomplex aan Rue Monge. De oude kooien bleven bestaan. De tribunes daarboven zijn dan weer niet authentiek, maar gereconstrueerd op de oude fundamenten. 

Sinds enkele jaren zijn die tribunes groener en groener geworden met boompjes, planten en een heuse wijngaard. Op het middengedeelte spelen kinderen en jongeren voetbal en volwassenen petanque. Tijdens een privétour is de verleiding te groot om niet even te passeren langs de arena. Ooit op een zondag, het was 1 mei, Dag van de Arbeid, werden de nationale kampioenschappen petanque gehouden. Vrijwel de hele oppervlakte van de arena was ingenomen door fanatieke spelers. Die dag werd ik vriendelijk doch dringend verzocht om mijn uitleg héél kort te houden. 

 

Arènes de Lutece is dagelijks te bezoeken volgens de openingsuren van de Parijse parken. Je neemt de poort aan 49, rue Monge, of de grote oprijlaan vanuit de zijstraat. 

Over het ontstaan van de baguette

Dit verhaal zou eigenlijk over het ontstaan van de metro gaan, maar bij nader inzien gaat het toch over eten. Met name over stokbrood, of liever: baguette

Maar we beginnen bij de metro. Die is in 1900 aangelegd voor de Wereldtentoonstelling. De Parijse metro is fameus vanwege de korte loopafstand naar de halte. Er is altijd wel een stop binnen 300 metro. Dat is dichterbij dan in andere wereldsteden. Dat is heel praktisch, maar de eerlijkheid gebiedt mij toe te geven dat de haltes zelf heel onpraktisch kunnen zijn. Dat heb je misschien zelf wel eens ervaren als je met zware koffers van Gare du Nord naar je hotel ging. Trap op, trap af is geen makkie. Weinig haltes zijn voorzien van liften. Dat komt omdat de Parijse metro een van de alleroudste ter wereld is. De meeste rijken gingen meer dan 100 jaar geleden van a naar b met hun privé-voertuigen, zoals een koets of de eerste automobile. 

Het woordje ‘metro’ komt oorspronkelijk uit het Engels. In Londen reed de eerste ondergrondse ongeveer 40 jaar eerder dan in Parijs, in 1863, en kreeg de naam Metropolitan Railway (grootstedelijke spoorweg) mee. Dat hebben de Fransen overgenomen: Chemin de Fer Métropolitain, kortweg: metro. Uiteindelijk bleef die naam hangen. 

Je vraagt je misschien af: wanneer komt het stukje over het eten? Nog even geduld... 

De eerste lijnen die werden aangelegd waren lijn 1, 2 en 6. Dat is dus een cirkel met een middellijn erdoorheen. Lijnen 2 en 6 gaan in elkaar over bij stations Nation en Place de l’Étoile. Zij markeerden daarmee de oude stadsmuur uit 1840 (Adolphe Tiers). De huidige Périphérique was toen nog verre toekomstmuziek.  

De architect die de eerste metro verwezenlijkte was meneer Fulgence Bienvenüe. Het huidige, immense station Montparnasse-Bienvenüe is naar hem genoemd. Maar eigenlijk waren het de bouwvakkers die de metro aanlegden. Diep onder de grond, hard werkend in nauwe donkere gangen. De arbeiders kwamen van heel Frankrijk naar Parijs om te graven. Omdat iedere arbeider zijn eigen dialect sprak en er veel misverstanden waren, was een frustratie of een ruzietje aan de orde van de dag. De arbeiders grepen daarbij snel naar een alledaags wapen: de opinel. De opi-wattes?! De opinel is een vlijmscherp mesje dat wereldberoemd is in Frankrijk. Iedere scoutsjongen krijgt een opinel, de jeugd groeit ermee op. Om touw, eten of hout mee te snijden. Zo kerfde Picasso bijvoorbeeld een houten sculptuur met zijn opinel.


Die bouwvakkers liepen diep onder de grond met zo’n opinel rond. Waarom, vraag je je misschien af? En nu komt het eten om de hoek kijken… Die bouwvakkers gingen ‘s morgens vroeg diep de schachten in om er pas tegen de avond weer uit te komen. Ze namen dus hun eigen brood mee voor de lunch. Grote ronde broden en die moesten gesneden worden. Met de opinel. Maar die opinel diende ook voor hele andere doeleinden. Zo zijn meerdere bouwvakkers levenloos naar boven getakeld na afloop van een fatale ruzie. 

Daarop heeft de baas, meneer Bienvenüe, het initiatief genomen om die opinels onder de grond te verbieden. Maar ja, hoe moesten die hongerige arbeiders dan hun eten bereiden? Men paste de vorm van de broden aan. In plaats van ronde broden ging men nu langwerpig bakken. Het deeg werd aan een stok geregen en in de oven geplaatst. Vandaar de naam baguette, wat ‘stokje’ betekent. 

De opinel zou dus aan de oorsprong van de baguette staan. Er bestaat nog andere lezing over het ontstaan van de baguette die merkwaardig genoeg al een kleine 100 jaar eerder gebeurde. Tijdens de Europese veldtochten van Napoleon was het veel te onhandig om van die ronde broden als proviand in zakken mee te nemen; stokbroden waren veel makkelijker om te vervoeren. En dus begonnen boulangers massaal een andere, langwerpige vorm te bakken. Maar dit verhaal is minder populair in Frankrijk, omdat die omslag naar de baguette ten hoogte van Wenen zou zijn gebeurd en niet in Frankrijk zelf. 

 

Nog even over die opinel. Die is inderdaad vlijmscherp, weet ik uit ervaring. Op menig tour de dégustation gebruik ik die en dat gaat (heel) soms een klein beetje mis. Ik heb gelukkig al mijn vingertoppen nog. Als ik over die opinel begin dan schieten onze gasten soms een winkeltje binnen om een exemplaar aan te schaffen. Als souvenir of als gebruiksvoorwerp. Kan altijd van pas komen. Om eten te snijden - uiteraard. 😉


Meer blogs van PARIS PROMENADE 
                    en nog véél meer over uw favoriete stad leest u op...