Rue de la Paix en de glans van de Rolex

Wat is de duurste straat op het Franse monopoliebord? Het is niet de Champs Elysées, maar de titel van deze blog: Rue de la Paix. De straat naast Place Vendôme. Dit plein is bekend om het Ritz Hotel en alle dure merken die de buren zijn: Gucci, Louis Vuitton, Dior, Chanel, Van Kleef, Bulgari… Rue de la Paix ligt in het verlengde van dit chique plein. Vooral in de winter blinkt deze straat uit in de kerstverlichting. Kerstbomen staan in het volle licht en de voorkant van Cartier is versierd met een sprankelende grote strik.


Waar deze buurt ook om bekend is, zijn de etalages. Die etalages zijn heel anders dan in bijvoorbeeld Saint-Germain-des-Prés. In die laatste wijk zijn de etalages ware kunstwerken. In de omgeving van Vendôme is wat meer recht-toe-recht-aan. Het gaat vooral om het product dat uitgestald wordt. En daar zijn regels voor. In heel Frankrijk is bij wet verplicht om een prijskaartje in de etalage te leggen. Er zijn 3 uitzonderingen: kunst, antiek en de omgeving van Place Vendôme. Dat betekent dat je je helemaal kunt vergapen aan juwelen en horloges van duizenden euro’s, 10 duizenden euro’s en ook … zonder een bedrag. In dat laatste geval weet je vrijwel zeker dat de kostprijs boven je budget gaat. Althans voor mij toch. Waarom ontbreekt een bedrag? Het is zó ordinair! Het is namelijk geen consumptiegoed dat je koopt, maar een echt kunstwerk. Toegepaste kunst waar je pronkend rond je hals of om je pols mee rond loopt. De tijd lees je maar af van je dure mobiel. 


Ook Rolex is vertegenwoordigd in Rue de la Paix. Enkele jaren geleden zag ik een Rolex van 200.000 euro in de etalage liggen. Als je je er in gaat verdiepen kom je tot wonderlijke bevindingen. Het bedrijf Rolex stuwt de waarde van hun producten op door die kunstmatig schaars te houden. Niet te veel in de etalage, niet te veel op markt, niet te veel van hetzelfde type in roulatie. Dat zou de waarde alleen maar drukken. Sommige exemplaren, de meest exclusieve, worden enkel op uitnodiging verkocht. 


De “klokkies” worden ook gezien als valuta, zoals euro’s, dollars, yens, bitcoins, goud, sigaretten… Je kunt Rolexen omruilen tegen lokale munteenheden, goederen of diensten, zoals een nachtje in een exclusief hotel. Juist doordat de duurste, oorspronkelijke exemplaren zo schaars blijven zijn ook de tweedehands exemplaren gegeerd en dus stijgen ook die naar astronomische waarde. 


Zo zie je, die omgeving van Rue de la Paix onderhoudt haar eigen regels en blijft fascineren. En nadat je je felbegeerde horloge hebt gescoord passeer je Café de la Paix. Een restaurant tegenover de Opéra Garnier met lekker eten. Vooral de hamburger is smullen daar, daar kan geen Big Mac tegenop. 😉

 

Informatie deels ontleend aan: Philip Dröge, Tijdreiziger.

Een tripje naar La Défense

“La Défense, kil en winderig”. Het zou een cynische slogan kunnen zijn van het anti-establishment van het Parijse zakendistrict. Als je hier rondloopt zie je vooral hoogbouw uit de afgelopen 60 jaar om je heen. Klinisch en afstandelijk. Als thuis de plek is waar het hart ligt, dan lijkt La Défense onder de voetzolen te liggen.


Maar dat is te kort door de bocht. Want in de schaduw van het indrukwekkende Grande Arche is er wel zeker van alles te zien. Verschillende sculpturen die de omgeving opsieren. Loop mee langs enkele topstukken.


Ik begin met het oudste beeldhouwwerk. Louis-Ernest Barrias, als kunstenaar ook te vinden in Musée d’Orsay met enkele opmerkelijke werken, beitelde La Défense de Paris (De Verdediging van Parijs). Het epische standbeeld uit 1883 is een eerbetoon aan de soldaten die Parijs verdedigden tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870. De wijk ontleent zijn naam aan deze constructie. Na veel omzwervingen in La Défense staat het sinds 2022 op de esplanade van Place de la Fontaine d'Agam.


Daarover gesproken: de Israëlische kunstenaar Yaacov Agam liet in 1977 een bassin achter van 26 bij 57 meter met 86 verschillende kleuren. De tegels zijn van email, vervaardigd in Venetië. Het water loopt over de rand en vormt een soort waterval (naast de touringcarparkeerplaats). Dit kunstwerk groeide al snel uit tot een levendige en bruisende plek op het plein La Défense. Ooit werd met de door kunstenaar ontworpen waterstralen watershows opgevoerd op muziek van componisten zoals Maurice Ravel.


Even verderop kruipt De Rode Spin (L'Araignée Rouge) van de Amerikaanse beeldhouwer Alexander Calder. Deze monumentale sculptuur werd in 1976 (het jaar van Calders overlijden) op het Place Défense geplaatst. En verwijst naar zijn evenknie Flamingo in Chicago. De Spin is 15 meter hoog, weegt 75 ton en is gemaakt van rood geverfd staal.


Ook de Catalaanse kunstenaar Joan Miro vinden we terug op het plein voor de Grande Arche met één van zijn laatste monumentale werken: de Personnages fantastique (Geliefden spelend met amandelbloesem). Dit werk, een "hommage aan humor en leven", werd in 1976 in opdracht van La Défense gemaakt en leidde tot enige onbegrip toen het op de locatie werd geplaatst. Het is doordrenkt van de surrealistische geest.


Als je bij het congres- en winkelcentrum CNIT links de hoek omgaat zie je in de verte een gigantische… duim. Kunstenaar César Baldaccini noemt als bronnen voor de creatie zijn "narcisme" en het gemak van de directe beschikbaarheid van het model. Namelijk zijn eigen duim. Er zijn meerdere versie van dit nogal fallische beeldhouwwerk in te vinden, maar met 12 meter hoogte is dit de meest massieve versie. 


Al deze beeldhouwwerken staan in de schaduw van één beeld bepalende architectonische creatie. La Grande Arche de la Fraternité (De grote boog van de broederschap). De Deense architect Johan Otto von Spreckelsen wilde een 20e-eeuwse versie van de Arc de Triomphe realiseren. Dit moderne monument heeft de vorm van een deur die zich opent naar de wereld. Met 110 meter hoog, 108 meter lang en een breedte van 112 meter is de Grande Arche vrijwel kubusvormig. Het kunstwerk is overigens een kantoorgebouw met 35 verdiepingen waar 4000 mensen werken.


De Deense architect moest samenwerken met een Franse uitvoerder en dat ging niet van een leien dakje. Spreckelsen stierf in 1987 aan kanker. Zijn Franse collega Paul Andreu maakte het karwei af. La Grande Arche werd geopend op 14 juli 1989, precies 200 jaar nadat de Parijzenaren in verzet kwamen tegen het ancien regime.

 

Mogen wij aan u voorstellen, onze nieuwe burgemeester 

Parijs heeft een nieuwe burgemeester. Zijn naam is Emmanuel Grégoire. Inderdaad, nu hebben we een Emmanuel in het Elysée en eentje in Hôtel de Ville. Ze zijn ook op 3 dagen na even oud: 21 december 1977 (de president) om 24 december. Hoe kunnen we ze uit elkaar halen? Makkelijk, hun politieke kleur. Macron is rechts van het centrum, Grégoire daarentegen is zo rood als de meeste voorgaande Parijse burgermeesters. 


"Parijs heeft besloten trouw te blijven aan zijn geschiedenis", sprak hij zondagavond 22 maart 2026. Hij had het over "de overwinning van een bepaald idee van Parijs, een levendig Parijs, een progressief Parijs, een Parijs voor het volk, een Parijs voor iedereen." Verenigen is zijn missie, hij verzekerde dat zijn "kantoor altijd open zal staan ​​voor de oppositie. Parijs is geen extreemrechtse stad en zal dat ook nooit worden." 


Grégoire was de gedoodverfde opvolger van de sociaal-democratische Anne Hildalgo. De Parijzenaren zien het wel zitten dat het beleid van de afgelopen 10 jaar wordt voortgezet. Sterker nog, van 2014 tot 2024 was Grégoire loco-burgemeester van Parijs. Hij was ook stafchef (2009-2012) van de voorvorige burgemeester, Bertrand Delanoë, die Parijs in 2001 van rechts bevrijdde. Grégoire is dus gepokt en gemazeld in het Parijse bestuur. In die zin is hij een voorspelbare verkozene. Met 50,52% van de stemmen versloeg hij in de tweede ronde de liberale tegenstander en ex-minister Rachida Dati (41,52%). 


Grégoire, afkomstig uit een arbeiderswijk ten noordoosten van de hoofdstad, is sinds 2024 parlementslid voor Parijs. Grégoire, zoon van een schoollerares en een ambtenaar, staat bekend als een harde werker en een conflictvermijder. Volgens collega’s wist hij, als er iets vastliep, iedereen bij elkaar te brengen en een oplossing te vinden. "Om omschreven te worden als 'iemand die behoorlijk nauwgezet, hardwerkend en zeer deskundig is op het gebied van dossiers, dat vleit me'," zei Grégoire in een podcast. "Maar soms krijg ik een nogal saai beeld van mezelf terug, wat niet helemaal overeenkomt met wie ik werkelijk ben." Volgens eigen zeggen is hij ook "ongelooflijk vrolijk, ontzettend levenslustig en ontzettend nuchter." 


Grégoire praat zelden over zijn privéleven, behalve over zijn "stam", een samengesteld gezin met 5 kinderen van 9 tot 20 jaar (3 uit een eerder huwelijk, plus 2 uit zijn nieuwe relatie). Tijdens de campagne waarin de agressieve en uitbundige Rachida Dati, talloze selfies maakte met voorbijgangers en TikTok-video's van zichzelf op de laadbak van een vuilniswagen plaatste, liet hij slechts af en toe zijn masker vallen. Eind december sprak hij zich op sociale media uit over de zelfmoord van zijn broer: "Mijn Juju besloot dat het leven te zwaar was om te dragen," schreef hij. 


Na de ontdekking van seksueel geweld tijdens naschoolse opvang in Parijs, onthulde hij op de radio dat hij zelf slachtoffer was geweest van seksueel geweld, "een stille, innerlijke wond. De afgelopen weken ben ik geconfronteerd met ondraaglijke gebeurtenissen op scholen in Parijs en elders die herinneringen aan mijn eigen verleden hebben opgeroepen (...). Dit verleden is dat van een kind in groep 4 dat maandenlang seksueel misbruikt werd tijdens buitenschoolse activiteiten in een gemeentelijk zwembad," verklaarde hij. Hij beloofde hierover "alles te herzien, alles te veranderen," met de "verplichting om onmiddellijk resultaat te boeken." 


Maar ook op ander vlak is hij uitgesproken. Hij belooft het fietsbeleid van zijn voorganger voort te zetten en meer groene ruimtes te ontwikkelen. Huisvesting ziet hij als zijn "voornaamste strijd" in een stad die te kampen heeft met torenhoge vastgoedprijzen. 


En hij beloofde ook dat Parijs een "toevluchtsoord" zou blijven en een van de "laatste bolwerken tegen rechts en extreemrechts". En dat tegen het decor van Marine Le Pens Rassemblement National als de grootste partij in Frankrijk die de presidentsverkiezingen van volgend jaar kan gaan winnen. Het is duidelijk dat de gemeenteraadsverkiezingen slechts een tussenstation gaan zijn. Want ook landelijk zal er een nieuw tijdperk aanbreken, omdat Macron, die andere Emmanuel, niet nog een keer herkozen kan worden. Spannende politieke tijden. 

Meneer Guillotin en zijn executiemachine

2 dagen nadat hij was gestorven op 26 maart 1814, terwijl Parijs werd belegerd door geallieerden die aasden op wraak op Napoleon, werd Joseph Ignace Guillotin begraven op Père Lachaise.


Guillotin was politicus en dokter. Als parlementariër genoot hij veel macht en als dokter wilde hij de geneeskunde humaner maken. Dat deed hij met zijn uitvinding: de guillotine. Hij introduceerde dit executie-instrument als een heilzame verbetering voor de mensheid. Dat was in de loop van 1789. De guillotine kwam niet uit de lucht vallen. Er bestonden al prototypes. Maar dokter Guillotin was erg enthousiast; de doodstraf zou vrijwel pijnloos worden. Al enkele seconden na de terechtstelling zou de veroordeelde zijn of haar bewustzijn verliezen.


Toen de autoriteiten eenmaal waren overtuigd, kreeg de politicus Guillotin de wind in de zeilen. Zijn uitvinding behoort tot de symbolen van de Franse Revolutie. In enkele jaren tijd kwamen 1000’den mensen op die manier aan hun einde. Soms 70 tot 80 op één dag. Meestal op het huidige Place de la Concorde. Guillotins machine was een industrie geworden. 


Tegen die tijd had hij al spijt als haren op zijn hoofd. Vaak gebeurt het dat uitvinders uiteindelijk slachtoffer worden van hun eigen malafide innovatie. De dokter ontliep dat lot. Guillotin nam op 75-jarige leeftijd heel vredig afscheid van het leven in zijn eigen bed in de Rue Saint Honoré. Dat is tegenwoordig een winkelstraat op hoog niveau waar zelfs de president woont in het Elysée. 


Echter nadat hij was gestorven gebeurde er iets merkwaardigs. Enkele dagen na zijn dood kwam Guillotin te liggen op de beroemde begraafplaats Père Lachaise. Maar daar is nu geen spoor van zijn aanwezigheid meer te bekennen. Tijdens onze Père Lachaise tour komen we vele beroemdheden tegen op ons pad: prefect Baron Haussmann, actrice Sarah Bernhardt, president Adolphe Tiers, zangeres Edith Piaf… Maar geen spoor van Guillotin. 


Hoe komt dat? Is het graf altijd anoniem gebleven? Kunnen we het daarom niet meer terugvinden? Volgens oude kadasters zou het graf van Guillotin de ruimte hebben ingenomen van waar nu het praalgraf van Abelard en Heloïse is gelegen. Dat laatste werd onthuld in november 1817, 3 jaar na de dood van Guillotin. 


Het antwoord op de vermissing is heel prozaïsch: het graf van de politicus met misschien wel de beroemdste naam is verdwenen. Zijn graf is niet omgebouwd tot een permanente tombe, omdat de concessie tijdelijk was. Volgens het begraafplaatsreglement van 1 juni 1817 werden tijdelijke concessies verleend voor 5 jaar en voor een bedrag van 50 frank. Ongetwijfeld kenden grafdelvers van begin 19e eeuw de plek als hun broekzak, maar voor ons, meer dan 200 jaar later is het heel lastig om de locatie van het voorlopige graf van Guillotin terug te vinden. Daarvoor is Père-Lachaise in de afgelopen 200 jaar te veel veranderd.

Ja, ja, ik voel het al… aan mijn natte voeten

Het is eind februari wanneer ik dit schrijf. Dat is meestal een spannend moment op de Parijse kalender. De grote vraag tussen eind januari en begin maart is: wat doet de Seine? Hoe hoog stijgt het waterpeil? Er is de afgelopen weken veel regen gevallen. Dat heeft zijn consequenties. De kaai staat al onder water.


Waarom kan de periode tussen eind januari en begin maart zo kritiek zijn? De Seine ontspringt in de Vogezen, het middengebergte aan de oostkant van Noord-Frankrijk. In het middengebergte is er (nog altijd) smeltend water dat wordt afgeleid door de Seine. Van oudsher kan het hevig regenen in de late winter. Dat is tot daaraan toe, die Seine is immers 776 kilometer lang. Waarom is er dan juist overstroming bij Parijs? Dat komt doordat de rivier bij de stad nauwer wordt. (Dat is waarschijnlijk ook de reden dat juist op deze plek ooit, meer dan 2000 jaar geleden, een nederzetting is ontstaan.) Zo’n vernauwing heeft z’n voor- maar ook z’n nadelen: groter risico op overstromingen. 


Tegenwoordig is la crue, de fameuze overstromingen van de Seine, vooral een zorgenkindje. Ik heb er 2 meegemaakt: een grote in 2018, waarbij zelfs plannen waren om de gigantische depots van het Louvre te ontruimen en de kunstwerken tijdelijk te verhuizen naar het platteland. In de media hoorde je dagenlang “la crue, la crue, la crue!!” In maart 2020 opnieuw, een week voor de confinement (lockdown), nadat de Seine maandenlang al hoog stond. La crue is niet altijd enkel en alleen overlast geweest. In de Middeleeuwen hadden de overstromingen ook nut: ze zorgden ervoor dat de stad, die altijd stonk en smerig was, eens in de zoveel tijd goed gereinigd werd.


In 1910 leverde de Seine vooral overlast op: de halve stad was ondergelopen. Het hoogtepunt tijdens deze moeder aller overstromingen werd bereikt op 28 januari van dat jaar. Al weken daarvoor waren delen van Parijs en andere dorpen aan de Seine onbegaanbaar geworden. Op 20 januari werd de scheepvaart op de Seine stilgezet; boten konden niet meer onder de bruggen varen. Het water stond te hoog. Op 28 januari stonden 22.000 kelders blank. Het water raakte vervuild en het riool verstopt. De consequentie was dat er steeds meer gevallen van tyfus en roodvonk werden gemeld. De oppervlaktedaling duurde nog zeker 35 dagen. Pas tegen half maart was het waterniveau weer enigszins genormaliseerd en stonden alle straten weer droog. Na anderhalve maand!  


Nog altijd, als u in de wijde omgeving van de Seine door de straten van Parijs slentert komt u op verschillende gevels plakkaten tegen die getuigen van het waterpeil tijdens la crue 1910. Zoals in le Marais, Saint-Germain-des-Prés, of in het Middeleeuwse Rue Ursins op Île-de-la-Cité… Dat ziet er zo indrukwekkend uit dat het tijdens een wandeltour weer grappig kan worden. De plakkaten van de overstroming van 1910 hangen zo hoog dat de gemiddelde mens zou verdrinken als hij zijn snorkels niet zou gebruiken.


Tot slot is er één monument in Parijs dat ons altijd feilloos een aanwijzing geeft of we een overstroming kunnen verwachten. Je moet ‘m weten te vinden, je kijkt er makkelijk naast. De man over wie ik het heb is de Zouave du pont de l’Alma. Een beeld onder de Almabrug, vlakbij de vlam van Lady Diana, in het zicht op de Eiffeltoren. 


Deze Zoeaaf heeft heel wat te verduren gehad in de loop der tijden. Hoe vaak hij al niet een natte broek heeft gekregen! Een hele reeks overstromingen heeft hij overleefd, in 1924, 1945, 1955, 1982, 1988, 1995, 1999, 2001, 2013, 2016, 2018, 2020. Ook hier spant die van 1910 de kroon. Toen had Zoeaaf niet alleen een natte broek, hij stond zelfs tot aan zijn schouders in het water. Normaal is het waterpeil van de Seine ver onder zijn voeten. Als ‘de Zouaaf met zijn voeten in het water staat’, dan spreken de Parijzenaars van een lichte overstroming. Tijdens de laatste overstromingen – die van 2018 en 2020 - bereikte het water zijn middel. Hoe het hem dit jaar zal vergaan… we wachten af.

 
Félix Faures fatale vrijage 

De waarheid een beetje toedekken is van alle tijden. Fake news heet dat tegenwoordig. Dit zal over 100 jaar waarschijnlijk in een voetnoot aangemerkt moeten worden als een typisch verschijnsel uit de jaren 20 van de 21ste eeuw. Maar in wezen is het iets dat al bestaat sinds er macht wordt verworven. 


Zo ook aan het einde van de 19de eeuw. Félix Faure, zoon van een meubelmaker, had zich opgewerkt in het politieke metier en wist het tegen het einde van de turbulente 19de eeuw te schoppen tot president van Frankrijk. Hij hield van pracht en praal, was trots om zijn carrière en de bekroning daarvan. Daarbij onderhield hij (minstens) een minnares. 


Faure verkoos zijn maîtresse niet met die titel aan te duiden, ook niet als courtisane. Hij noemde zijn dame een ‘psychologisch adviseur’. Hij doorvoelde hoe zo’n onderhoud een reinigend effect op hem kon hebben. President zijn is natuurlijk een stressvolle baan, en bovendien niet ongevaarlijk. Hoevelen er niet slachtoffer zijn geworden van een intrige of aanslag. 


Maar dat zou Faure niet fataal worden. Nee, hij ging ten onder aan een vrouw. Haar naam was Marguerite Steinheil. Een ‘politiek adviseur’ van de president. Tijdens de liefdesdaad met haar kreeg Faure ineens een beroerte. Hij kon het niet meer navertellen. 


De zeden leken in vroeger tijden losser te zijn dan in onze tijd. Toch was dat niet helemaal het geval. Een maîtresse of promiscuïteit was misschien weliswaar geïnstitutionaliseerd in de hogere kringen, maar een ‘ongeluk’ als dit werd zeker niet aan de grote klok gehangen. Dat bleek wel toen de dood van de president openbaar gemaakt moest worden. Dat was een probleem. In plaats van sociale media werd de dood in die dagen aangekondigd in de courant. Bij zo’n doodsartikel stond vaak een vredige illustratie van het sterfbed en daaromheen vrijwel de hele kernfamilie – met een zakdoek in de hand. Zo ook bij Faure. Terwijl in werkelijkheid nooit sprake was van een sterfbed met familie eromheen. Typisch een geval van een doofpot. 


Toen de geruchtenmachine over de ware toedracht in volle gang was gekomen, rees de verdenking dat hij slachtoffer zou zijn geworden in het web van de Dreyfus-affaire. De onverkwikkelijke rechtszaak tegen de Joods-Franse generaal die ten onrechte van spionage voor Duitsland werd beschuldigd, hield het hele land in zijn politieke greep. En had bovendien alle schijn van antisemitisme. De dood van Faure bleek daar niets mee te maken te hebben. 


Nee, hij was gestorven op een manier zoals misschien velen het zouden wensen. Le petit mort, zoals Fransen het noemen. Dat werd bij Faure dus de echte, ‘grote’ dood. Daarover gesproken, de dame in kwestie, Marguerite Steinheil, werd later beschuldigd van twee moorden: die op haar echtgenoot en op haar moeder. En ze was de facto ook verantwoordelijk voor een derde. Een echte femme fatale, zoals Fransen dat noemen. 

De hondenbegraafplaats van Parijs

De honden van Parijs. Het maakt niet uit voor welk wereldberoemd gebouw je een uitleg ten beste staat te geven. Al sta je voor de Eiffeltoren, als er een hondje voorbijloopt dan gaat direct en bijna automatisch alle aandacht uit naar het dier. Er is iets met de honden van Parijs.


Die fascinatie met de Parijse viervoeters krijgt zijn waardigste èn tegelijk merkwaardigste vorm in een begraafplaats die volledig is ingericht voor dieren, in het bijzonder die in huis lopen. Deze plek ligt in Asnières, even buiten de stad en heet officieel: Cimetière des Chiens et Autres Animaux Domestiques. Ofwel, de hondenbegraafplaats.


Het kerkhof is het oudste in zijn soort. In 1899 werden de poorten geopend door advocaat George Harmois en feministe Marguerite Durand. Voordien werden kadavers van huisdieren bij het huisvuil achtergelaten of in de Seine gegooid dat eeuwenlang een vuilnisbuil op zichzelf was. Naast katten en honden was deze exclusieve begraafplaats ook bedoeld voor vogels en zelfs paarden en leeuwen. En een verdwaalde schaap en aap zijn er ook terug te vinden. 


Als we het kerkhof oplopen valt meteen een groot standbeeld op van een Alpinespaniël – volgens velen de genetische voorloper van de Sint Bernardshond. Barry is zijn naam. Hij leefde in de eerste 14 jaar van de 19de eeuw en zou zo’n 40 mensen hebben gered in de Alpen. Zijn stoffelijk overschot is onderworpen geweest aan taxidermie en te bezichtigen in het Zwitserse Bern. Barry kreeg een indrukwekkend standbeeld centraal op de begraafplaats in Asnières. Met een dramatische tekst: ‘Hij redde het leven van 40 personen. Hij werd gedood door de 41ste.’


Vele grafzerken zijn versierd met kleine stenen beelden van katten en honden. En natuurlijk de vele foto’s van de betreurde beesten ontbreken niet. De gezichten van vooral honden staan vaak triestig – alsof ze al voelden aankomen dat ze op een goede dag hier terecht zouden komen. Sommige zerken hebben de vorm van kattenoren. Soms zitten 3 honden in één graf, een soort familiegraf. Quick I en zijn opvolger in de familie, Quick II, delen een graf. Een hond die Amadeus heette heeft zelfs een viool op zijn steen gekregen. 


Voor een graf wordt gemiddeld tussen de 148 en 297 euro betaald, afhankelijk van de omvang. Als je de graven aandachtig leest dan vallen de geboorte- en de sterftedata op. Die zijn zonder uitzondering uitzonderlijk kort achter elkaar. Meer dan 16, 17 jaar zit er nooit tussen. Dat geeft het lugubere gevoel alsof je op een tienerkerkhof rondloopt. Maar dat is nu eenmaal de lengte van het gemiddelde leven van een kat of hond. 


En dan de namen: vele eindigen op een i-klank. Rocky, Kiki, Wisky, Nikki, Mickey, Tommy, Dolly, Wiky, Bobby… Ze liggen er allemaal. Zolang het maar op een klinker eindigt. 


Er liggen ook beroemde honden, of liever: honden van beroemde baasjes. Zo heeft het hondje Clement van de intussen legendarische schandaalauteur Michel Houellebecq zijn laatste rustplaats gevonden op dit kerkhof. Evenals de trouwe viervoeter van een andere schrijver Alexandre Dumas, die zelf een standbeeld heeft in de statige omgeving van Parc Monceau. 


Je ziet: als je echt iets anders wilt doen dan de Parijse clichés dan is deze unieke bestemming in Parc Robinson langs de Seine jouw bestemming. 

Voor honden verboden.

 

(Lijn 13, halte Gabriel Péri)

Een Parijse uitvaart

Het zijn altijd droevige tijden voor mensen die nostalgisch zijn aangelegd. Immers alles vergaat. Als je de afgelopen 125 jaar de metro van Parijs hebt genomen dan valt er inderdaad een traantje weg te pinken. Wij herdenken het kartonnen kaartje. 


Het Parijse metrostelsel is één van de oudste ter wereld. De treintjes begonnen te rijden in 1900. Toen nog alleen op lijn 1, 2 en 6: een cirkel met een lijn erdoorheen. Deze overzichtelijke routes zijn intussen uitgebreid tot een onontwarbaar netwerk van ongeveer 15 lijnen die nog altijd verder verlengen en vertakken over groot Parijs. Al dan niet aansluitend op de vele RER-lijnen, die interregionale treinen naar groenere delen in Île de France leiden. Gedurende al die decennia van uitbreiding en vertakking was er, sinds 1900, één ultieme zekerheid voor de reiziger: het kartonnen kaartje. Op 19 juli van dat jaar om één uur werd het eerste ticketje gebruikt. De metro was een onderdeel van de Wereldtentoonstelling, die dat jaar in de lichtstad werd gehouden. Dat was de Wereldtentoonstelling van Grand Palais en la gare d’Orléans, het oorspronkelijk treinstation dat tegenwoordig beter bekend staat als Musée d’Orsay.


Dit ticket is een symbool van de hoofdstedelijke cultuur. Net zo Parijs als de Eiffeltoren en de Moulin Rouge. Je voelt je dan echt onderdeel van de metro en dus van de stad. Want dat is het gevoel dat de metro geeft: ik hoor erbij. Waarbij? Een groep individuen op hun eigen eilandje zwijgend naast elkaar, asociaal in hun eigen wereldje in de grootstad. En toch hebben al die mensen, verdiept in hun boek of hun iPhone met hun headphone op vol met muziek, datzelfde gevoel: ik hoor bij de miljoenenstad Parijs. De metro verbindt de slaapplaats van al die individuen met hun werkplaats èn met elkaar. En altijd was dat kartonnen kaartje de sleutel om mee te mogen met de metro. Natuurlijk hebben de meeste Parijzenaren een Navigo Pass, een soort pas die je wekelijks of maandelijks oplaadt. Maar de dagjesmensen en de toeristen voorzien zichzelf van een individueel ticket voor één ritje. 


Als je dit leest dan is dit iconische ticketje nagenoeg verdwenen. Je kunt het bij de metro-ingang niet meer in de gleuf schuiven en het er weer uit pakken. Dit moment doet me eigenlijk nog het meest denken aan de grafzerk van zanger Serge Gainsbourg op cimetière Montparnasse. Die lag altijd bezaaid met die kartonnen kaartjes. Dit was een verwijzing naar zijn doorbraakhit Le Poinçonneur des Lilas, over een kaartenknipper die zo verknipt raakte dat hij uiteindelijk een gaatje schoot in zijn eigen schedel. Dat was uit de tijd toen Gainsbourg nog een liedje zong in plaats van te murmureren. Zowel het met metrokaartjes bedekte graf als het liedje zijn een requiem voor niet alleen de kaartjesknipper maar ook voor het legendarische ticketje zelf. Amen.


Zowel de melancholicus als de praktisch ingestelde mens concludeert na het verdwijnen van een gewenning: “Je weet nooit wat je ervoor terug krijgt”. De hamvraag is dus: hoe reis je vanaf nu legaal met de metro? 


De handige app “Bonjour RATP” voor het openbaar vervoer in Parijs en ver daarbuiten is de beste manier om te achterhalen hoe je het snelst en efficiëntst van a naar b gaat met de Parijse metro of bus. Maar het is ook de deur naar een gebruik van het nieuwe vervoersbewijs. 


Ook toeristen kunnen een ‘kaartje’ kopen via deze app op je mobiel. Daarvoor heb je wel een zogenaamde Navigo Easy Pass nodig. Een digitale of eentje die je kan vasthouden. Die laatste kan je voor 2 euro kopen aan het loket van vrijwel iedere metrohalte. Eenmaal die Navigo Easy pass in handen kan je die opladen via de app Bonjour RATP. Overal waar je bent op eender welk moment. Maar ook gewoon aan de automaten in iedere metrohalte.

 

10 jaar na de Bataclan-aanslag

10 jaar geleden lag ik op een vrijdagavond op mijn bed met de radio aan. Luisterend naar mijn favoriete diskjockey. Ineens via facebook popte er berichtjes op of alles goed met mij was. Alles ging perfect, want ik zat te genieten van de radio. Niet veel later checkte ik het nieuws. Wat bleek er gebeurd te zijn? Verspreid over Parijs waren er aanslagen aan de gang. Slechts 
10 minuten van mij vandaan. 


De volgende dag was Parijs de best beveiligde stad ter wereld. Ik ben gaan fietsen door de stad. Ik had geen doel en kwam uiteindelijk uit bij Jardin du Luxembourg. Maar dat park was gesloten. Dus ik heb een tijdje op een bankje gezeten in de open tuin ernaast, Jardin des Grand Explorateurs. De sfeer was ‘sereen’ - zoals ik het zelden heb meegemaakt in een grote stad. Het was rustig, er ging iets vredigs uit van de stad. Anders dan tijdens de confinement, onze lockdown. Toen was het gewoonweg doodstil, alsof alle leven uit de stad was getrokken, zoals een gezicht spierwit kan vertrekken bij schokkend nieuws. Op die 14de november 2015 was het niet doodstil, integendeel: het was vredig rustig. Alsof de mensen die het hadden overleefd blij en dankbaar waren dat ze het hadden overleefd. Veel mensen bleven binnen. 


Vanaf die dag liepen er overal militairen op straat om onze veiligheid te waarborgen. Altijd in groepjes van vier. In de eerste weken, maanden in vrijwel alle doorgaande straten. In de periode daarna vooral op die plekken in de stad waar veel mensen samenkomen. De toeristische attracties bijvoorbeeld, of drukke pleinen. 


Enkele weken na de aanslagen, het zal december 2015 geweest zijn, wandelde ik op Père Lachaise, het grootste kerkhof van Parijs. Mijn oog viel op een graf zonder steen. Enkel een hoop bloemen, foto’s van een meisje dat was overleden op 13 november. Het kon niet anders zijn dan… Een maand later had ze een grafzerk gekregen. Ze ligt in het licht van Jim Morrison, de dichter en zanger van de Amerikaanse rockband The Doors. Op haar steen staat dat het meisje, Suzon Garrigues, 21 jaar is geworden. Tijdens iedere tour op Père Lachaise sta ik stil bij haar graf. Hetzelfde verhaal vertellend dat je nu aan het lezen bent. Suzon was één van die mensen die op het verkeerde moment op de verkeerde plek was. Toen ze op die avond, op vrijdag de 13de, terwijl ik op bed naar mijn favoriete dj aan het luisteren was, de concertzaal binnen ging, kon ze niet vermoeden dat ze voor altijd 21 zou blijven. 


We zijn nu 10 jaar later. Sinds enkele maanden hebben ze een stukje Parijs dat al jaren onbestemd leek betekenis gegeven. Het betreft het pleintje achter Hôtel de Ville en voor église Saint Gervais Saint Protais. Aan Rue Lobau. Het is een plek die ik in de afgelopen jaren vooral associeerde met een tentenkamp voor dakloze mensen. De plannen voor een monument ter nagedachtenis van de slachtoffers werden al gesmeed in 2016 toen 2 verenigingen de handen in elkaar sloegen: 13onze15 Fraternité et Vérité (13onze15 verwijst naar de datum van de aanslagen: 13 november, de 11de maand, 2015) en Life for Paris. Het is een herdenkingstuin geworden bestaande uit bomen, struiken en plantjes. Parijs zet volop in op meer duurzaamheid en biodiversiteit. Maar hier is het vooral een symbool van voortdurend leven. En daartussen granieten partijen die tevens als zitplaats fungeren. Dat zijn er 6 in totaal, die allemaal verwijzen naar de locaties die de rampspoed op die vrijdagavond overkwam: Le Carillon, de Bataclan, La Belle Équipe, À la Bonne Bière, Le Petit Cambodge en Stade de France. Op die 6 verschillende steenpartijen vinden we de namen van de slachtoffers terug – per locatie. Op die van Bataclan vele namen. Ook de naam van Suzon Garrigues vond ik terug. 

Saint-Pierre-du-Calvaire begraafplaats

Uiteraard zijn er meer geheimen van Parijs die zich heel af en toe ontsluiten. Vaak gebeurt dat op erfgoeddag in september. Er is nog een andere geheime plek voor degenen die verder gaan dan de menigte te volgen naar de Sacre Coeur of naar de schilders op Place du Tertre. 


Want precies tussen deze 2 legendarische locaties ligt de op-een-na oudste kerk van Parijs, Saint Pierre de Montmartre, en het bijhorende kerkhof: Saint-Pierre-du-Calvaire. Deze begraafplaats is de top van Parijs, het hoogste natuurlijke locatie van de miljoenenstad, precies 130 meter en 53 centimeter boven zeeniveau. Met een oppervlakte van ongeveer 600 m² is het de kleinste van alle Parijse begraafplaatsen. Niet meer dan 85 graven vinden we hier terug. Ter vergelijking: Père Lachaise herbergt 70.000 graven.


De begraafplaats, naar verluidt de oudste van Parijs, werd officieel aangelegd in 1688 en geschonken door Marie-Anne d'Harcourt, benedictijner abdis van Montmartre. Op deze locatie stond vermoedelijk eerder een oude Merovingische necropolis. (Waar de Sacre Coeur nu staat, stond in de Romeinse tijd een tempel ter ere van Mercurius, de god van de handel.) Tot aan de Franse Revolutie was deze begraafplaats onderdeel van een kloostercomplex van de Koninklijke Abdij van Montmartre. Ik zeg het altijd tijdens mijn tours: de Franse Revolutie was vooral kwaad op kerk en koning en dus werd de parochiebegraafplaats van Montmartre in beslag genomen door de gemeente. En dat is altijd zo gebleven.


Erg veel nieuwe graven komen er niet bij. Vooral ook omdat op steenworpafstand een andere laatste rustplaats te vinden is, namelijk Saint-Vincent.


Maar wat is nu zo bijzonder aan deze begraafplaats? Niet alleen de prachtige bronzen poort uit 1980 van de Italiaanse beeldhouwer Tommaso Gismondi (die ook de graven in de aangrenzende kerk ontwierp). Wat vooral zeer uitzonderlijk is is de toegankelijkheid. Want die is er nauwelijks. In tegenstelling tot de meeste begraafplaatsen, die iedere dag open zijn, is dit kerkhof nooit open. Nou ja nooit… op één dag na: 1 november. Alleen op Allerheiligen is de rustplaats open. Dat wekt natuurlijk de nieuwsgierigheid nog meer op. Allerheiligen is een logische datum, al hoewel ik een dag later, Allerzielen, nog logischer had gevonden. 


Dus kom morgen, of anders volgend jaar, in de luwte van de gigantische menigte tussen de schilders en de Sacre Coeur. En vind een oase van rust.

Galerie Vero-Dodat 

Rond 1850 telde Parijs niet minder dan 150 passages en galerijen. Daar zijn er vandaag de dag een tiental van over. Ik kom daar zo meteen op terug.


Eerst: wat is precies het verschil tussen een passage en een galerij? 


Een passage vind je overal ter wereld. Het is de verkorte weg om voetgangers van de ene naar de andere straat te leiden. In de loop van de tijd hebben ze vaak een commerciële functie (winkels en cafés) gekregen en er gingen zelfs mensen wonen in kleine appartementen boven de winkels. Het was een plek waar Parijzenaars konden flaneren, ontspannen en zelfs flirten. Een groot deel van het sociale leven speelde zich af in de passages. Die overdekte passages waren fijne plekken om te schuilen tegen de regen. Beeld je ook in dat Parijs omstreeks 1850 nog geen trottoirs had of straatverlichting. 


Naast passages zijn er ook galerijen: een iets luxueuzere variant op de passages. Deze heeft grotere afmetingen, vaak breder, en is rijker in decoratie. Opmerkelijk is dat de galerijen vrijwel allemaal op de rechteroever van Parijs te vinden waren, het kapitaalkrachtige deel van Parijs. Voornamelijk rond de buurt van de Grands Boulevards. 


Er zijn slechts enkele overgebleven. Hoe komt dat? Eén woord: Haussmann.


De grote stedenbouwkundige verandering onder baron Haussmann, in de 2de helft van de 19de eeuw, zorgde ervoor dat heel wat passages en galerijen afgebroken werden. Haussmann legde de grote boulevards aan, waardoor er tal van kleine steegjes, passages en zelfs hele buurten van de kaart werden geveegd. 


Maar niet alleen de prefectuur van de grote vernieuwing van Parijs was hier debet aan. Ook de komst van de grootwarenhuizen (Printemps, Galerie Lafayette, Samaritaine, BHV…) in de tweede helft van de 19de eeuw zorgde ervoor dat de galerijen overbodig werden. Voortaan had men de mogelijkheid om onder één dak gedurende het hele jaar door waren te kopen aan een vaste prijs. Dit ging ten koste van de commerciële functie van de oude passages. 


Het genadeschot kwam door de opkomst van de auto in de 20ste eeuw. Parijzenaars wandelden veel minder en maakten bij gevolg minder gebruik van de passages. Ze bleven meer en meer in de winkelcentra in Parijs of zelfs in de voorsteden.


De passages en galerijen geraakten geleidelijk aan in de vergetelheid. Pas in de late 20ste eeuw werden ze herontdekt en opgewaardeerd. Tegenwoordig bestaat een handjevol prachtexemplaren waaronder de Galeries Vivienne, Grand Cerf, Panorama en ook Vero Dodat. Wat die laatste zo bijzonder maakt is de optische vloer met de zwart-wit tegels en de mahoniehouten constructie, geflankeerd door marmeren zuilen en spiegels. De zuilen zijn versierd met engeltjes en de hoorn des overvloed. Het plafond wisselt af tussen glazen panelen en fresco's van goden en spelende mannen. De galerij Véro-Dodat staat sinds 9 juni 1965 op de monumentenlijst en werd volledig gerestaureerd in 1997. Een aanrader als je je wilt verliezen in de kleine straatjes en steegjes op rive droite.

Lekker fietsen in Parijs

Goed nieuws voor als je deze zomer Parijs passeert vanuit het zuiden terug op weg naar huis. Parijs is een nieuw fietsparadijs. De stad is eerder dit jaar uitgeroepen tot de meest fietsvriendelijke stad van Europa. 


Wie zegt dat? Een rapport van de ngo Clean Cities Campaign. Zij hebben een ranglijst opgesteld op basis van 3 criteria. 1. De hoeveelheid verkeersvrije schoolstraten of straten waarin slechts enkele uren per dag autoverkeer in de straat mag komen (venstertijden). 2. Het aantal straten waarin niet sneller dan 30 kilometer per uur gereden mag worden. 3. Het percentage geïsoleerde fietspaden ten opzichte van de andere rijbanen. Daar is Parijs allemaal kampioen in. En dat gemeten onder 35 Europese steden!


Amsterdam en Antwerpen vervolledigen de top 3. De Nederlandse hoofdstad stond vorig jaar nog nummer 1. Aai! Kopenhagen, nog zo’n stad met een fietsvriendelijk imago, heeft last van de wet van de remmende voorsprong en valt na vele vooruitstrevende fietsjaren zelfs uit de top 10.


Bij Parijs ligt dat dus anders dan bij de Deense hoofdstad; de lichtstad heeft een enorme inhaalslag gemaakt. Vooral dankzij 2 fenomenen. Door de covidomstandigheden zijn meer en meer Parijzenaren gaan fietsen. In de openlucht, met name langs de Seine. De besmetting was hier aanzienlijk minder dan in overvolle metro’s. Onze burgemeester Anne Hidalgo heeft sowieso flink ingezet in een meer leefbaardere stad met minder luchtverontreiniging. Daar is de infrastructuur op aangepast. Daarbij heeft haar tweede verkiezingspunt in 2014 bij geholpen: de Olympische Spelen. Het grootste deel van het budget ging naar de infrastructuur. Veel parkeerplaatsen moesten ruimte maken voor fietspaden. 


Daar komt nog bovenop dat de Parijzenaren dit voorjaar tijdens een referendum er voor gekozen hebben dat meer dan 500 straten in de binnenstad autovrij gaan worden. Dat betekent dat 10.000 parkeerplaatsen verdwijnen (boven de 10.000 die al zijn geschrapt in 2020). Het aantal groene straten in de Franse hoofdstad komt nu in totaal op 700, 1/10 van 
het totaal aantal straten. 


Toch blijft er werk aan de winkel op het gebied van groene infrastructuur, zoals privétuinen, parken en de hoeveelheid bomen in de straten. Dat percentage groen zou 26% zijn, terwijl het gemiddelde van Europese hoofdsteden 41% is. Als mensen aan mij vragen of Parijs een groene stad is sta ik altijd met een mond vol tanden. Sommige gasten zeggen spontaan van wel, andere zijn kritischer. Ik vind het goed meevallen, maar het kan dus nog veel beter. Een zwak punt in Parijs is het gebrek aan groene daken. Door die 19de eeuwse Haussmanniaanse appartementen is dat geen sinecure. Er is een hevige strijd gaande tussen het 19de-eeuwse erfgoed met zijn traditionele regels en de 21ste-eeuwse ecologische lobby. Hoe zich dat in de toekomst gaat ontwikkelen, volgen we met grote belangstelling. 

Kleinste straat van Parijs 

Ik vind het altijd leuk om er langs te lopen: de kleinste straat van Parijs. Mensen vinden zoiets kleinschaligs toch altijd weer bijzonder. Zie het als een onderdeel van het plaatselijke “Guinness Book of Records”. 


Waar is de kleinste Parijse straat gelegen?


Parijs herbergt duizenden straten: grote, kleine, lange, korte, bochtige, steile, rustige, drukke, kleurrijke, bescheiden, straten in het volle zonlicht, straten immer in de schaduw… De kleinste straat, lees ik, is eigenlijk een andere straat dan degene die ik in gedachten heb. De kleinste straat van Parijs zou Rue des Degrés zijn. Ze ligt in het 2e arrondissement, tussen Montorgeuil, één van de delicatessestraten van de stad, en de Grands Boulevards. Het is niet echt een straat zoals alle andere, het zijn eerder 14 treden. Noem het een trapstraat. Ze ligt ingeklemd tussen de Rue Beauregard en de Rue de Cléry. Bovendien is de Rue des Degrés 5,5 meter lang en 3,3 meter breed. Nog een bijzonderheid: er zijn geen ramen of voordeuren. Er woont dus niemand in de Rue des Degrés. En dat terwijl Rue des Degrés al sinds de 17e eeuw bestaat!


De kleinste straat die ik in mijn hoofd heb, zou ik beter de smalste straat van Parijs noemen. Die ligt op een prominente plek, in het toeristische deel van Quartier Latin. Om precies te zijn: een zijstraat van Rue de la Huchette. Deze smalle straat heet Rue du Chat-qui-Pêche. De straat van de vissende kat. Ik krijg dan altijd spontaan het beeld van een kat die in de Seine met zijn krommende pootje probeert vis uit het water te krijgen. Die fantasie ligt niet eens zo ver van de werkelijkheid. Kennelijk was er in de 16de eeuw in deze smalle straat een viskraam gevestigd. Die visboer, kanunnik Dom Perlet, verkocht vis uit de Seine. Zijn zwarte kat stond bekend om zijn vermogen om met één pootbeweging vis uit het water te hengelen. 


Afgelopen jaar was er na aanleiding van de Olympische Spelen veel commotie over de zuiverheid van het water van de Seine. Je kunt je wel voorstellen dat het water in vroeger eeuwen helemaal verontreinigd moet zijn geweest. De Seine werd beschouwd als een open riool waar ook veel huisvuil in gekieperd werd. Sterker nog, met de regelmaat van de dag lagen er lijken in het Seinewater te drijven. Daar kwam dus die vis uit. Hoe dan ook, ik heb altijd de neiging om in het midden van deze steeg te gaan staan met mijn armen gespreid en dan raak ik met gemak aan weerzijden de muren. Zo smal is deze straat, ik schat niet breder dan anderhalve meter.

 

Nog wat bijzondere straten in onze stad:


De langste straat is Rue de Vaugirard, die begint bij Jardin du Luxembourg en eindigt meer dan 4 kilometer zuidwestwaarts tegen de banlieue. 


Voor de sportievelingen noem ik graag de steilste straat van Parijs: de Rue Gasnier-Guy: 106 meter lang met een hellingsgraad van 17%. Deze straat ligt niet in Montmartre, maar naast Père Lachaise in het glooiende Ménilmontant. 


Tot slot zullen natuurliefhebbers zeker de Cité des Fleurs bezoeken, die wordt beschouwd als de groenste straat van Parijs. Of de Villa des Tulipes, die terecht zo genoemd wordt omdat het de meest bloemrijke straat van de hoofdstad is.


Ieder zijn favoriete straat.

Heel instagrammable : hèt pasfotohokje in Montmartre

Vroeger “toen de dieren konden praten” bestonden er op vrijwel elk treinstation of in een supermarkt een hokje waar je pasfoto’s kon maken. Ik kan me herinneren dat je als tieners soms met 2, 3 tegelijk in zo'n hokje van 1 vierkante meter gekscherende foto’s maakten. Daar was het niet voor bedoeld, maar wel leuk. Humor voor de doelgroep die de wereld aan het ontdekken zijn. Al was het maar om de hoek in het winkelcentrum.


Die romantiek is verdwenen. Iedereen vanaf 10 jaar oud heeft tegenwoordig zijn eigen mobiel, cellphone, gsm, iPhone of hoe zo’n apparaat ook mag heten. Daar zit uiteraard een fototoestel op. Dus ieder kind kan 1000’den foto’s maken op een dag. Vroeger was de héle familie heel zuinig met een rolletje van 24 of 36 foto’s die dan pas na afloop ontwikkeld werd bij de Hema of Kruidvat. Na dagen wachten zag je dat een kwart van de foto's was mislukt of vele geportretteerde mensen oranje irissen in hun ogen hadden. Je kent die tijd vast nog wel.


Terug naar de mobiel. Want met 4g beschikt iedereen tegenwoordig over internet en dus sociale media: Instagram, Tiktok… Dan ga je in no time de hele wereld over. Met name door miljoenen influencers die dan ineens zeggen dat ergens de place to be is: de beste croissant in Parijs bij Cédric Grolet, de beste friet ergens in het centrum van Amsterdam of… de ‘beste’ pasfoto’s… En die laatsten zijn te vinden bij Le Photomaton. In een straatje vrij hoog in Montmartre: Rue des Trois Frères. Dit is gelegen tussen de Mur de Je t’aime en het atelier van Picasso. 


In deze etalage van massief eikenhout en glas vind je dus een analoog fotohokje uit de jaren 60, zowel van binnen als van buiten, met gepolijste spiegels en een entree. De plek is speciaal ontworpen en is sinds enkele jaren een verplichte passage, een must-see in de wijk Montmartre. Iedere dag staat hier verloren in een achterafstraatje op de heuvel een rij. Soms een beperkte rij, soms honderd meter lang. Wie staan er? Voornamelijk mensen die de leeftijd hebben om cool te willen zijn in Parijs. Veelal tienermeisjes – lees: doelgroep Emily in Paris – of alternatieve koppels die staan te wachten om pasfoto’s te maken. De bijzonderste van Parijs.

Course de Commerce Saint André 

Eén van de mooiste locaties van Parijs is Course de Commerce Saint André. In deze steeg is geschiedenis geschreven. Tegenwoordig is het vooral één van de mooiste verborgen plekjes om op een terrasje te zitten.


In 1672 was er iets nieuws te vinden op de markt (Foire) van Saint-Germain-des-Prés. Een Armeense man, Pascal, verscheen met een zwarte likeur: caffé! Dat was een lichte sensatie. Na Londen en Amsterdam werd Parijs de 3de stad in Europa waar deze exotische likeur genuttigd kon worden.


Pascal had een houten kiosk op die jaarmarkt van Saint-Germain, maar hij zocht iets dat het hele jaar open kon zijn. Hiervoor kreeg hij de hulp van een kerel uit Sicilië die luisterde naar de naam Francesco Procopio. De Italiaan opende in 1686 zijn eigen koffietent in de straten van Saint-Germain. Een café, de allereerste in zijn soort. Een plek waar alleen koffie werd geschonken. Dat was nog eens iets anders dan die tavernes en cabarets waar goedkope wijn werd gedronken. Van die duistere kroegen met bier, versleten interieur en klanten van een bedenkelijk allooi. Het nieuwe type café nam een enorme vlucht: rond 1700 waren er al 100 in Parijs. Er kwamen steeds meer varianten: literaire cafés, dominocafés, schaakcafés… En in 1709 verscheen het biljart in het interieur.


Deze nieuwe bars, waar enkel koffie werd geserveerd, trokken in de 18de eeuw intellectuelen aan die serieus nadachten over misstanden in de samenleving. Het volk zuchtte en crepeerde onder de regimes van de absolute koningen – de Lodewijken 14, 15 en 16. Filosofen zoals Montesquieu, Rousseau, Voltaire en Diderot zagen dat het anders moest. Zij ontmoetten enkele Amerikaanse Founding Fathers waaronder John Adams, Thomas Jefferson (Amerikaanse ambassadeur in Parijs) en Benjamin Franklin. In Le Procope is er geschreven aan de Onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten en verklaringen die zouden leiden tot de Franse Revolutie. Le Procope, inmiddels het oudste café van Parijs, kun je nog altijd bezoeken. Het koffiehuis is een restaurant geworden. Binnen in het interieur vind je oude portretten van beroemde gasten en documenten die hier zijn voorbereid en geschreven. En de chapeau van Napoleon! Indrukwekkend stukje geschiedenis dankzij koffie. 


Aan de overkant van Le Procope vind je Brasserie de Près. Hier kun je binnen lunchen of dineren naast de Parijse omwalling uit 1200. Een andere aanrader is La Jacobine. Het is er klein en je kunt hier niet reserveren. Vandaar dat er buiten stoelen staan voor mensen die wachten om binnen gelaten te worden. Maar het is méér dan een hype. Ik heb het geluk gehad om een tafel te vinden – in november – om er te eten. Dat viel reuze mee. Uiteraard verwijst La Jacobine naar de revolutionairen van eind 18de eeuw, die in deze straten streden tegen andere bewegingen voor meer rechten en vrijheid voor de Derde Stand. Eén van de helden van de Franse Revolutie was Danton. Hij woonde in deze steeg, op nummer 20. Helaas is zijn woning niet meer zichtbaar. Zijn standbeeld vind je aan de overkant aan de Boulevard Saint Germain. 


De binnenplaats verbergt ook een aantal charmante onafhankelijke boetiekjes, boekwinkels en cafés met een zeer Parijse uitstraling… De kasseien in de steeg dateren van 300 jaar geleden. Heel pittoresk, maar ze staan zo schuin dat als je één verkeerde stap zet die kasseien ook het ‘einde’ van je leven kunnen betekenen. Er bruist hier altijd een heerlijk sfeertje. Jong en minder jong zitten hier tafel aan tafel. Je moet wel heel bitter in het leven staan wil je niet gecharmeerd raken van Cour de Commerce Saint André.

Ontdek je plekje in Parijs : Eglise Saint Serge de Radonege

Als je iets wil ontdekken in Parijs dat echt (vrijwel) niemand kent lees dan vooral verder. Verborgen in een tuin ver van de straten van het 19de arrondissement ligt een Russisch orthodox kerkje verscholen. Het is eigenlijk meer een veredelde hut of een klein chalet. Als je het niet weet, dan vind je het nooit. Het is gelegen aan 93, rue de Crimée. Het gebouw heet officieel Eglise Saint Serge de Radonege. 


De kerk is vernoemd naar Sergius van Radonezj, die leefde van circa 1314 tot 1392. Hij kwam uit Rostov Veliki, ten noordoosten van Moskou. Een groot deel van zijn leven bracht hij in die laatste stad door. Sergius was een spiritueel leider en hervormer van het kloosterleven van het middeleeuwse Rusland. Sergius (of Serge in het Frans) is één van de meest vereerde heiligen uit de Russisch-Orthodoxe traditie. Die andere heilige heet Serafim van Sarov. Ook hij heeft een klein, verborgen kerkje in Parijs - in rue Lecourbe, in het 15de arrondissement. Dat is diagonaal aan de andere kant van de stad.


Je loop eerst door een tuintje en dan zie je een prachtig kleurrijk groot huis in de vorm van een chalet met veel hout opgetrokken. Binnenin vind je één ruimte waarin missen gehouden kunnen worden voor een groep van maximaal 100 personen. Ook binnenin is alles van hout afgewerkt. De oorspronkelijk protestantse kerk voor de Duitse gemeenschap, daterend uit 1861, werd aan het begin van de Eerste Wereldoorlog gevorderd door de Franse regering. Na de oorlog, in 1924, werd het door de Franse regering verkocht aan de Russisch-orthodoxe kerk en in 1925 ingewijd. In 2019 werd het overgedragen aan de Patriarch van de Russisch-orthodoxe Kerk in Moskou. 


Toen ik binnen was, op een zonnige lentedag, was er een vrouwtje met een Oost-Europese achtergrond de boel aan kant aan het maken. Ze was trots op haar cultuur. Ze zal één van de nazaten geweest zijn van de Russen die op de vlucht zijn gegaan voor de gewelddadige Russische Revolutie. Parijs is altijd een pleisterplaats geweest voor aangespoelde mensen. Parijs is een toevluchtsoord voor romantische zielen die hevig verliefd zijn, maar ook voor bange vluchtelingen die zich veilig willen voelen. En dus strandden vele Russen rond 1920 in de Seinestad. Terwijl in dezelfde tijd veel culturele en economische expats zich verzamelden in de bars en restaurants van Montparnasse (vooral Amerikanen), klitten de gevluchte Russen samen in het 15de arrondissement. Op zoek naar werk. Die vonden ze in de fabrieken van Citroën en Peugeot die om de hoek stonden. Maar er was dus ook een kleine gemeenschap in het 19de, waar ik, toen ik er eerder dit jaar in de buurt liep, onverwacht ook veel orthodoxe Joodse mensen in het straatbeeld zag. 


Zo zie je, iedere minderheid krijgt hier onderdak in deze enorme smeltkroes die Parijs heet. We proberen met elkaar overeen te komen en dat gaat in het algemeen best goed.

De Parijse zomer van 2025

De zomer van 2024 in Parijs was uniek. Allemaal dankzij de Olympische Spelen. In totaal deden afgelopen jaar meer dan 100 miljoen bezoekers deden Paris aan. Dat leverde 71 miljard euro aan inkomsten op. Alleen voor de olympische en paralympische competities werden al ruim 4 miljoen tickets verkocht. Volgens kenners zou de olympische vibe nog jaren blijven hangen. In het eerste kwartaal van 2025 vond 8% meer internationale toeristen de Franse hoofdstad. We mochten vooral meer mensen uit Canada en Japan (+30 procent), China (+16 procent), de Verenigde Staten (+15 procent) en Brazilië en India (+7 procent) verwelkomen. Naast OS2024 kan ook de heropening van de Notre-Dame kathedraal op veel belangstelling rekenen: dagelijks 30.000 bezoekers; in totaal in 2025 waarschijnlijk 15 miljoen bezoekers! Vlak ook de groeiende interesse voor Normandië niet uit na de 80ste herdenking van D-Day. Amper 3 uur afstand van de Franse hoofdstad.


De olympische spirit werkt aanstekelijk. Daarom maakt de stad deze zomer een doorstart. Een aantal zaken keert terug, zoals dé verrassing van de openingsceremonie. Vanaf 21 juni kunnen we in Jardin de Tuileries weer na zonsondergang genieten van de inmiddels iconische olympische luchtballon. Elke avond tot 14 september brandt de sierlijke fakkel. De alternatieve torch staat intussen al te pronken voor het Louvre.


Dan gaat er deze zomer een aloude Parijse droom alsnog in vervulling. Dé soapopera van 2024 krijgt een vervolg. Na de zwemwedstrijden in de Seine van vorige zomer, is het nu de beurt aan de Parijzenaren zelf. Ik ben benieuwd wie de stap (en zelfs een duik) gaat wagen. Zoveel schoner is de rivier niet geworden. Ik heb gehoord dat de gemeente op 3 verschillende plekken stukken Seine gaat afbakenen en dat daar gezwommen kan worden. Vanaf 5 juli. Een nieuwe dimensie aan Paris Plage, het jaarlijkse zomerevenement aan de oevers van de Seine. 


Dan hebben we een heuglijk feit te melden: ik heb gehoord dat de gemeente Parijs 1000 kilometer fietspaden heeft aangelegd in de laatste 10 jaar. Het aantal fietsers is verveelvoudigd. Geen slecht resultaat onder de impuls van burgermoeder Anne Hidalgo. 


Over fietsen gesproken, wat al echt leeft is de Tour de France van dit jaar. Met name de laatste etappe. Die is geïnspireerd op de koers van OS2024. Want net als de olympische etappe vorig jaar zal de laatste wedstrijd van de Tour ook over de uitdagende kasseienheuvel van Montmartre gaan. Geen slaap-, capriolen- en champagne-etappe op weg naar de Champs-Élysées dit jaar, maar een spannende rit waar nog het verschil in het (eind)klassement gemaakt kan worden. 


En dan zijn er nog verregaande toekomstplannen voor de noordoostkant van Parijs. Minder toeristisch, maar wel relevant voor de stad. Zo’n 80 procent van het totale olympische budget van 9 miljard euro werd geïnvesteerd in openbaar vervoer, sportinfrastructuur en huisvesting in de banlieues. Met name het olympische dorp had als definitieve bestemming de mensen uit het departement Seine-Saint-Denis te huisvesten. Het plan is om de eerste bewoners eind 2025 hun appartementen te laten betrekken. Uiteindelijk zullen zo’n 6.000 mensen hier gaan wonen. Dan moet je denken aan middenklassegezinnen. Dit leidt tot een 'gentrificatie' in de wijk Pleyel. Maar de Franse overheid benadrukt dat ook de oorspronkelijke bewoners mee zullen profiteren. Eén van de armste regio's van Frankrijk krijgt nieuwe scholen, zwembaden en parken. 


Niet iedereen is even opgetogen. De kritische noot is dat kwetsbare groepen verdrongen worden en het probleem gewoon verplaatst gaat worden. De overheid daarentegen is er zeker van dat de opwaardering van de buurt uiteindelijk iedereen ten goede gaat komen. Dat mogen we hopen, want in deze voorsteden blijven de mensen aan de onderkant van de samenleving zich uitgesloten voelen. Dat hebben we onlangs nog gezien naar aanleiding van de winst van de Champions League door Paris Saint Germain. Die rellen toen hadden niets met voetbal te maken, maar alles met een ongenoegen van de jongeren uit de arme banlieue. Het wordt hoog tijd dat de regering hun uitzichtloosheid op een constructieve en duurzame manier gaat oplossen. In het belang van de hele samenleving.

Wat is er zo bijzonder aan de honden van Parijs?

De honden van Parijs. Ze zijn met velen. Voor iedere 100 Parijzenaren zijn er ongeveer 17 viervoeters. Een hoge hondendichtheid dus. Welke merken komen we het meeste tegen in de straten van Parijs? Kleine Chihuahua’s, natuurlijk ingepakt in een jasje - gekocht in één van de vele petshops die Parijs rijk is. Cavalier King Charles Spaniel, de Franse bulldog en de Duitse Spits. En natuurlijk de Shiba, niet te vergeten!


Wat is er toch met de honden van Parijs? Het maakt niet uit waar ik sta, al is het voor de Eiffeltoren, als er een hond langsloopt gaat ALLE aandacht ineens uit naar dat dier. Je zou toch zeggen: je vindt honden op ieder denkbaar plek van onze planeet. Wat is er dan zo bijzonder aan? Dus ik vraag regelmatig aan mijn gasten wat er zo bijzonder is aan onze honden. Antwoord is dan: ze zijn zo klein en fluffy (pluizig). Klein zijn ze doorgaans zeker. Dat komt omdat Parijzenaren nogal klein wonen. Ik heb altijd medelijden als ik een grote hond over straat zie lopen. Hoeveel bewegingsruimte heeft zo’n beest binnenshuis? Ook in het centrum op straat zijn er amper mogelijkheden om eens voluit te gaan. En in de parken zijn ze helemaal verboden.


Nu zijn er uitzonderingen waar honden zich wel kunnen uitleven. De bekendste plek waar dat gebeurt is zeer prominent: op de heuvel van Montmartre, schuin voor de Sacre Coeur basiliek. Er is hier een hondenuitlaatveld. Vrijwel elke dag zie je hier honden rondlopen. Zij worden uitgelaten door hun eigenaar, of door een dogsitter die dan met een hele roedel door de straten loopt. Op zaterdag is het helemaal feest. Tientallen honden hebben hier dan de tijd van hun leven: rennen en ravotten met elkaar. Voor sommige van mijn gasten is niet de Muur van Je t’aime of de schilders op Place du Tertre het hoogtepunt van de wandeling maar dit tafereel. En – oh ironie! – dat is juist op plek van een mooi uitzicht op de Eiffeltoren. Dat wil je dan als gids aankondigen, maar op de achtergrond hoor je al het geblaf van de viervoeters en dus kan je de Eiffeltoren (opnieuw) op je buik schrijven. 


Tussen de uiteinden van het Louvre (vlak voor Jardin des Tuileries) ravotten ook vaak honden – vooral op vrijdagochtend zijn er veel dogsitters en hondenfluisteraars aanwezig. Soms worden er zelfs trainingen gehouden. Altijd gezellig! Er zijn zeker wel meer van die speelplaatsen voor honden, maar het zouden er nog méér mogen zijn. Ik wil hiermee het volgende zeggen: er is zoals overal in West-Europa een hondenbeleid in Parijs die mijns inziens jarenlang goed werkte. De bezitters hebben zakjes bij zich om uitwerpselen van hun huisdier op te rapen en in de vuilnisbak te gooien. Nu valt mij sinds een jaar op dat dit beleid minder en minder wordt nageleefd. Op meer plekken op het trottoir kom je die uitwerpselen tegen. Het doet mij denken aan het Nederland van mijn jeugd: ‘In Amsterdam is poep op de stoep.’ Inderdaad, de onvolprezen Danny de Munk. Dat euvel lijkt me nagenoeg verleden tijd, maar sinds een jaar zijn de drollen in Parijs weer terug. Het begon heel erg op te vallen toen ik weer eens passeerde op Place Fürstenberg. Iedereen die mij kent of ooit met mij mee op wandeling is geweest weet dat ik een zwak heb voor dit charmante pleintje. Tegenwoordig probeer ik mijn gasten krampachtig omhoog te laten kijken. Want als je bij de 4 bomen op de middenberm kijkt dan zie je… inderdaad hondenontlasting. Dat is gewoon een smet op de schoonheid van deze omgeving. Heel jammer!


Dus ik wens alle honden van Parijs nog meer speelveldjes toe waar ze naar hartenlust kunnen spelen en waar ze ook alle tijd hebben om hun behoefte te doen. Daar worden zowel de Parijzenaren, de (honden)toeristen als de honden zelf blijer van. 

Marché aux Puces 

De grootste vlooienmarkt ter wereld vind je in Parijs. Even ten noorden van Montmartre. De naam komt van een bezoeker die ooit, lang geleden, stelde: “Gezien al die vodden lijkt het hier wel een markt voor vlooien!”


De oorsprong van Marché aux Puces dateert uit de 19de eeuw. Dat kwam door de rand van Parijs, een 300 meter lange strook rond de stad die ook wel La Zone werd genoemd. Het was het armste deel van de stad. Als je hier werd geboren dan kon je het wel schudden. Criminaliteit was nog het meest lucratieve, chiffonier (voddenraper) het meest eerbare beroep. Dan liep je door Parijs om papier op te prikken, dat bundelde je en daar genereerde je inkomsten uit.  


Zelfstandigen uit de provincie (boeren, kleine producenten, gilden…) hadden een tweeslachtige houding ten aanzien van Parijs. De stad was het handelscentrum van het land. Maar om de stad heen lag een barrière. Niet alleen een verdedigingsmuur, maar ook heffingen van hoge taksen. Dat was een spaak in het wiel van de producenten. Daarom begonnen ze meer en meer hun waar te verhandelen net buiten de stadsmuren. Met name aan de noordrand, een deel van de Zone. Dat is eind 19de eeuw uitgegroeid tot een gigantische markt. Niet zomaar enkele kraampjes bij elkaar. Nee, het zijn hele buurten met allemaal kleine winkeltjes: Marché aux Puces. Een markt in de straten van Saint Ouen, bestaande uit 1000 stalletjes vol met mode en vintage kleding, 2500 winkeltjes vol met toegepaste kunst en interieur.


Ik noem drie merkten bij naam. De oudste, oorspronkelijke markt heet Marché Vernaison (eind 19de eeuw). Dit is een heerlijk doolhof van kleine steegjes, vol met stalletjes met antiek, vintage mode, postkaarten, prints, openers, juwelen, tapijten, koffiemolens, kristal, oude kunst en moderne schilderijen, kraaltjes, Afrikaanse artefacten, bestek, zilver- en aardewerk…


Aan de overkant van Rue des Rosiers vinden we een markt met een bovenverdieping: Dauphine (geopend in 1991). De sfeer is hier heel anders: bij de ingang weliswaar kroonluchters, maar dieper in de markt pop-art, artefacten die aan de Amerikaanse cultuur doen denken, raketje van Kuifje, E.T., Mario Brother, Superman, zelfs een vliegende schotel… èn héél veel vinyl.


Een derde grote markt heet Biron. Deze lange statige laan wordt ook wel de Rue Saint Honoré van Marché aux Puces genoemd. Honoré is één van de duurste boetiekstraten van Parijs, waar ook onze president woont. Je loopt hier, in Biron, over een rode loper als het ware door een museum. Met één groot verschil: hier is de kunst wèl te koop. Begin 20ste eeuw liepen schilders als Maurice Utrillo en Pablo Picasso een half uur vanuit Montmartre om beschilderde doeken te kopen. Niet om er naar te kijken, maar om er overheen te schilderen. 
Dat was goedkoper dan een gloednieuw doek aanschaffen.


Misschien vraag je je af: wie kopen hier allemaal? Ik kan een heel rijtje opnoemen: Sharon Stone, Madonna, Catherine Deneuve, Demi Moor, maar ook Starbucks. Het filiaal om de hoek van de Opéra Garnier wordt door vriend en vijand bewonderd vanwege de adembenemende decoratie. Die aankleding komt van Marché aux Puces. Van de vlooienmarkt! Zij zijn slechts enkele van de 11 miljoen bezoekers per jaar. Dat levert 500 miljoen omzet op. 80% daarvan gaat naar het buitenland. De verscheping wordt door de meeste kraampjes zelf voor u geregeld.


Marché aux Puces is een ouderwetse, fysieke ebay voor alles waarnaar je op zoek bent, en vooral voor alles waar je niet naar op zoek bent maar wel mee thuiskomt.

 

Wanneer naar Marché aux Puces? Op vrijdag tussen 8u-12u, in het weekend tussen 10u en 18u en op maandag van 11u tot 17u. Van dinsdag tot donderdag vind je gesloten winkels.

La Zone

Als er één plek is waar ik héél graag een tour zou willen organiseren dan is het wel in La Zone. Dat is niet uit ramptoerisme, maar uit pure, oprechte fascinatie. Er zijn weinig plekken in Parijs geweest zoals la Zone: woest, grillig, levendig, authentiek, letterlijk straatarm... 


Echter die tour zal er nooit komen. Er is namelijk een beletsel. La Zone bestaat niet meer. Vincent van Gogh heeft er nog rondgelopen en de plek vereeuwigd op zijn schilderij Aan de rand van Parijs, toen hij bij zijn broer in Montmartre woonde. Er is nog meer overgebleven: oude grijze foto’s. Ik heb ooit een kleine overzichtstentoonstelling gezien in een veredelde bouwkeet in de banlieue. Die locatie zei alles: het is een verdrongen stukje Parijs. Geen grassprietje of kassei herinnert er nog aan. Deze getto van 100 jaar geleden is onder de huidige Périphérique naar de vergetelheid afgedaald. 


La Zone was werkelijk een niemandsland. Vergelijkbaar met het maanlandschap tussen de linies van de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog. In de jaren 1840 werd een begin gemaakt met een nieuwe verstevigde omwalling van Parijs (Enciente Thiers). Daarbij werd verordonneerd dat een strook van 250 meter, een bufferzone, onbebouwd moest blijven. Zo zou de vijand makkelijker te beschieten zijn. (Dat bleek een illusie toen de Duitsers in 1870 probleemloos Parijs belegerden.)


Die strook van 250 meter om de stad begon een eigen leven te leiden. Die strook werd ook wel La Zone genoemd. Dat was in de praktijk een fantasieloos gebied vol leegte. Een soort toendra, af en toe een armzalig boompje, een kreupel paard of magere kippen. In de verte de fabrieken van de Industriële Revolutie. De ruimte werd ingenomen door mensen die de grote stad waren ontvlucht. Om welke reden dan ook. Dat kon zijn om de gevaarlijke koetsen te vermijden, de hoge kosten of de politie met zijn regels en boetes. Je was pas echt vrij in de Zone. Maar nog veel vaker werd La Zone een perfect onderduikadres voor plaatselijke criminelen, de zogenaamde apache. En zo werd de Zone een mistig gebied vol met dubieuze figuren en ploeterende paupers.


De meest voorkomende beroepssoort was chiffonier, voddenraper. Wat deden zij precies? Ze raapten vodden (oud papier, versleten textiel…) van de straat, brachten dat bij elkaar in balen. Dit beroep kon eerbaar zijn, maar er waren vele collega’s van bedenkelijk allooi die een grijpstuiver bij elkaar ritselden. Toen de prefect, meneer Poubelle, in 1884 ervoor zorgde dat het vuilnis en dus ook papier voortaan door de gemeente werd afgehaald, haalde dat een streep door de rekening van de chiffoniers. Buiten dat meneer Poubelle zijn naam verleende aan het Franse woord voor vuilnisbak, zorgde deze maatregel er ook voor dat de chiffoniers en de lompenboeren hun handel voortzetten op markten buiten de stad. Ofwel: in La Zone. 


De huizen in de Zone waren huifkarren en krotten van hout of blik. Wat je tegenwoordig in achterbuurten van Afrikaanse miljoenensteden ziet. De Zone was een soort bidonville, waar geen riolering was en bittere armoede heerste. Als je in de Zone opgroeide kon je het wel vergeten. Het woord ambitie had hier geen bestaansrecht. Als kind was je toekomst al bij voorbaat verdampt. De Zone was, zoals Aristide Bruant, de beroemde chansonnier uit Le Chat Noir, ooit zong een veld ‘waar de oogst er een was van gebroken flessen en 
porseleinscherven.’ 


Nog voor de Tweede Wereldoorlog walsten de bulldozers La Zone plat. In de jaren ’50 begon de overheid daar de gigantische rondweg om Parijs aan te leggen. De Péripherique heeft alle sporen van de Zone weggevaagd. Wat overblijft zijn bewegende zwartwitbeelden die ervoor zorgen dat die periode niet eens zo gek ver van ons lijkt af te staan. We zien mensen die we ooit konden aanraken, omdat ze qua leeftijd onze grootouders hadden kunnen zijn. 


La Zone is opgeruimd, maar de nieuwe getto’s staan enkele tientallen meters verderop in de Parijse voorsteden. Torenflats die in de decennia na de Tweede Wereldoorlog bij bosjes zijn gebouwd vol met mensen die hun wortels uit andere delen van de wereld hebben. De volgende periode, de volgende generatie, een volgende Zone…

 

Informatie deels ontleend aan: Luc Santé, Het Andere Parijs.

Villa Montmorency

De plek wordt ook wel “L'enclave dorée des ultra-riches” genoemd. De enclave van de superrijken. Villa Montmorency heet deze miniwijk in het 16de arrondissement. Een Parijse buurt bestaande uit verschillende onzichtbare straten. Althans voor de meesten onder ons. Deze wijk is een privéwijk, afgesloten van de buitenwereld. Een oase in de stad.


Aan Rue Poussin zie je een rood bakstenen gebouwtje van de bewaking die iedereen, ook de schrijver van deze blog, vriendelijk duidelijk maakt dat je wel een héle goede reden moet hebben om hier binnen te komen. Die reden is meestal tweeërlei: óf een levering óf een bezoek aan een inwoner. 


Je raadt het al: die bewoners zijn niet armste van de stad. Het is immers het 16de arrondissement. Als je hier wilt komen wonen moet je diep in de buidel tasten. En je wordt ook onderworpen aan een ballotagecommissie. Als je eenmaal geaccepteerd bent, dan kom je een nieuwe barrière tegen: het huishoudelijk reglement, bestaande uit 30 ingebonden pagina's. Geen enkele woning mag kleiner zijn dan 150 vierkante meter, de hoogte van elk gebouw niet hoger zijn dan 9 meter. De decoratie van de gevels moet een zekere harmonie uitstralen, maar ook passen bij de kenmerken van elk huis (een onberispelijke poort, onberispelijke snoei van de bomen et cetera). Op de met lindebomen omzoomde paden bedraagt ​​de maximumsnelheid 25 kilometer per uur. 


Het zal je niet verbazen dat dit oord vele beroemdheden aantrekt. Dat was al in de 19de eeuw toen deze wijk ontstond. Het initiatief kwam van de broers Pereire, oprichters van de spoorwegmaatschappij Parijs-Saint-Germain. Ze kochten een stuk land van gravin van Boufflers-Rouverel, die de gewoonte had om veel mensen te ontvangen. In 1852 begon men met de aanleg van Montmorency. De wijk is ontworpen als een halvemaanvormig dorp en telde aan het einde van de bouw in 1960 ongeveer 50 huizen, afgebakend door glinsterende steegjes. 


De beroemdheden van de 19de eeuw waren onder meer de actrice Sarah Bernhardt, omringd door haar pony's, en schrijver Victor Hugo. Na de eeuwwisseling was filosoof Henri Bergson er kind aan huis. Kunstenaar Marc Chagall trok zich er een lange tijd terug. De celebrities van onze tijd zijn mensen zoals Isabella Adjani, Gerard Depardieu, Nicolas Sarkozy, Johnny Halliday, Mylene Farmer, en de Nederlandse zanger Dave. Dan heb je het wel gemaakt in Frankrijk! (Ik geloof dat in de serie Chansons Rob en Matthijs hier aankloppen om de grote Dave te ontmoeten.) 


Ook zangeres Celine Dion woonde hier. Met de nadruk op woonde. In 2008 kochten Celine Dion en haar man René Angélil een herenhuis met tuin. Toen hij stierf besloot zij het te verkopen. Het huis werd op de website van makelaar Kretz te koop aangeboden voor 14,9 miljoen euro. 


Tegenwoordig kennen de bewakers de kinderen in de Villa stuk voor stuk en zij zorgen ervoor dat ze hun veiligheid gehandhaafd wordt op het zogenaamde ‘Monaco-niveau’. Opgetekend uit “de brochure”: “Hoewel deze beveiliging overdreven lijkt, zorgt het ervoor dat de ongeveer 100 kinderen die hier wonen, kunnen genieten van een unieke vrijheid in het hart van Parijs. Ouders laten hun jonge kinderen fietsen zonder angst voor het verkeer of kwaadwillende voorbijgangers. De huidige bevolking streeft ernaar een levensstijl aan te nemen die in overeenstemming is met het motto 'leven als een goede vader' en streeft ernaar een vredig toevluchtsoord te creëren voor de mensen om hen heen.” Met andere woorden: een paradijs voor curling ouders. 😉

(Misschien wel) de mooiste kerk van Parijs

Je ziet het tegenwoordig minder in het straatbeeld maar 10 jaar geleden kwam je regelmatig een Deens biermerk tegen met de slogan: “Probably the best beer in the world.” Dat vond ik altijd slap. Ofwel ben je ervan overtuigd dat jouw bier het beste brouwsel in zijn soort is. Of je zegt er niets over. Maar “waarschijnlijk de beste”; dan had je beter vergelijkend onderzoek moeten doen. En toch… ben ik nu geneigd hetzelfde te zeggen van een kerk in Parijs. Want dit gebedsgebouw wedijvert met enkele andere om de titel: de mooiste kerk van Parijs. Ik heb het over église Saint-Étienne-du-Mont.


Op de heuvel van Sint Geneviève staat één van de sierlijkste kerken van Parijs. Wat ze noemen een hidden gem, een verborgen pareltje. Quartier Latin klinkt bekend en is centraal gelegen, en toch heb ik de indruk dat weinig mensen in deze wijk komen. De kerk – genoemd naar de heilige Stefanus op de berg - staat in de schaduw van het Panthéon en naast de universiteitsbibliotheek. Op een doordeweekse dag zie je overal studenten rondlopen. Het is een rustgevend deel in de oeverloze stad.


De kerk kent haar oorsprong in de Sainte-Geneviève-abdij. Vorige week heb ik verteld over de krachtprestaties van deze opmerkelijke vrouw. Vanwege de ligging op haar heuvel wordt zij, onze beschermheilige, vereerd in deze kerk. De abdij was oorspronkelijk gewijd aan de maagd Maria en de apostel Johannes. De kapel bleek al snel te klein te zijn om alle gelovigen te kunnen herbergen. In 1222 gaf paus Honorius III toestemming tot de bouw van een zelfstandige kerk, die nu aan Stefanus (ofwel Etienne) gewijd zou worden. Onder impuls van de Sorbonne universiteit en haar scholen groeide de parochie enorm. 


Het huidige, sierlijke gebouw is men beginnen te bouwen onder koning François I. Als we zijn naam opschrijven dan staan we midden in de Renaissance, het begin van de 16de eeuw. Frans I ging altijd onberispelijk en smaakvol gekleed. Zijn hoofd was vol van Italië. Hij bracht zelfs Leonard Da Vinci naar Parijs. En met hem Mona Lisa. Beiden zouden nooit meer terugkeren naar Italië. Enfin, deze koning begon te bouwen aan de kerk van Sint Etienne-du-Mont. Het was koning Lodewijk XIII die pas100 jaar later de realisatie zou meemaken. 


De stijl van de kerk is flamboyante gotiek, zoals ze dat noemen. En dat is te zien: zowel buiten als binnen. Want het interieur is ronduit prachtig en zeer bijzonder. Veel cirkelachtige decoraties, sierlijke trappen, balkons, een indrukwekkende kansel. Het had zo een invloed op Art Nouveau kunnen zijn. Ondanks de ongenaakbare status van de beroemde Notre Dame op het eilandje, is église Saint Etienne-du-Mont samen met de kerk van Saint-Germain-de-Prés, mijn favoriet. 

 

Tot slot nog een kleine post scriptum: in de film Midnight in Paris van Woody Allen wordt de hoofdpersoon opgepikt door een mysterieuze auto die hem naar de jaren 1920 brengt waar hij al zijn culturele helden ontmoet. De plek waar hij de auto opwacht, is hier, op de trappen van église Saint Etienne-du-Mont. Een plek voor dromers in het fantastische Latijnse Kwartier.

Carnaval de Paris 

Alaaaaafff!!!! Het is weer zover. In het Kielegat, Oeteldonk, Lampegat, Kruikenstad en natuurlijk niet te vergeten: het Bosuilendorp! Het is weer Kar-re-na-val!


Het is niet alleen carnaval in Noord-Brabant en Limburg. Maar ook in andere delen van Nederland, Ruhrgebied, en in Vlaanderen. Aalst is natuurlijk beroemd, zelfs immaterieel cultureel erfgoed. Maar ik heb het ook voorbij zien komen in Leuven en Antwerpen. Soms zelfs tijdens de vastenperiode. Maar dat is een ander verhaal.


En ook Carnaval de Paris is wereldberoemd. De herkomst gaat terug tot de Middeleeuwen. Maar zeker in de 19de eeuw vierde de moderne vorm van carnaval hoogtij in de straten van Parijs. Het epicentrum van de feestelijkheden was in Belleville. Zo’n beetje waar nu de gelijknamige metrohalte is gevestigd. Dit gebied heette ook wel La Courtille en lag tot aan 1860 aan de grens van de stad en het landelijke gebied ten oosten daarvan. 


Er werd ruig gefeest in de zogenaamde guinguettes, landelijke wijnbars. Vanuit dit gebied ontstonden spontane optochten in de richting van Hôtel de Ville. De stoet zwengelde onderweg aan: de Descente de la Courtille genoemd. Deze traditie duurde een groot deel van de 19de eeuw en is nog altijd spreekwoordelijk onder oudere Parijzenaars. Zoals vrijwel overal en altijd weet carnaval de muren tussen de verschillende maatschappelijke klassen te slechten; zo ook in Parijs. Een liter wijn kostte vrijwel niets dus de halve stad was al snel laveloos. De rijken probeerden elkaar te overtroeven door aan de feestvierders champagne en oesters uit te delen. Het carnaval in Parijs duurde langer dan enkele dagen. De festiviteiten begonnen met Sint Maarten op 11 november (de elfde van de elfde) en liepen met tussenpozen door tot Aswoensdag.


In de loop van de 20ste eeuw zakte het carnaval in Parijs ver weg. Autoriteiten verboden feesten op zo’n grote schaal te organiseren. Sinds 1998 zijn er initiatieven om de Parijse carnavalsstoet, Promenade du Bœuf Gras (vette os), nieuw leven in te blazen. Promenade du Bœuf Gras verwijst naar een vetgemeste rund die hoogstwaarschijnlijk het carnaval niet overleefde. Vooral het gras-component is fascinerend. Dat brengt mij bij een gigantisch eureka-moment: over de herkomst van mardi gras. De Amerikaanse variant op het carnaval heet mardi gras (met name in New Orleans, in de door de Franse cultuur beïnvloede staat Louisiana). In de voorbereiding van het schrijven van deze blog viel eindelijk na vele decennia het kwartje: Mardi Gras – in het Frans, en verbasterd Amerikaans-Engels - betekent letterlijk “Vette dinsdag”. “Vette dinsdag” is de dag dat al het vet opgegeten werd anders zou het bederven tijdens de 40-daagse vastenperiode die erop ging volgen. En dus is mardi gras een ander woord voor Vastenavond. Zo maak je eindelijk van die connecties waar je al je hele leven overheen kijkt. Terwijl ze gewoon voor je liggen te pronken. 


Jaren geleden ben ik op de fiets op verkenning geweest door een deel van Parijs dat ik nog niet kende. Ik ontdekte de charmante wijk Nouvelle Athènes. En opeens popte voor mijn ogen een klein pleintje op. Het was meer een sierlijke rotonde met prachtige 19de-eeuwse huizen: Saint Georges. Met een eigen metrohalte eronder. 


Midden op deze rotonde prijkt een bescheiden colonne van Paul Gavarni en een centrale fontein, oorspronkelijk bedoeld voor paarden om te laten drinken. In 1906 viel de fontein droog als gevolg van de aanleg van de metro. De fontein is vanaf 1911 versierd met een monument voor Paul Gavarni. Paul Gavarni (1804-1866) was gespecialiseerd in het uitbeelden van de carnavalsfiguren, waaronder een dokvrouw (dock woman) in het midden. Het is (voor zover ik weet) het enige Parijse monument dat direct verwijst naar het carnaval van Parijs. De buste van Gavarni is gemaakt door beeldhouwer Denys Puech (1854-1942). Zeker de moeite waard om dit pleintje te bezoeken. Een minuscuul pareltje onder de tientallen pleinen van Parijs.

 

Informatie deels ontleend aan: Het Andere Parijs van Luc Santé

Camondo: een huis als laatste getuige

Op 27 januari wordt jaarlijks de bevrijding van Auschwitz herdacht. De gebeurtenissen zijn zo omvangrijk dat lang niet alle verhalen verteld zijn. Zo’n verhaal valt er ook te vertellen over de familie Camondo, een aristocratische, Joodse bankiersfamilie. 


Ze hadden al een lange weg afgelegd voordat ze in Parijs arriveerden. Een odyssée van eeuwen langs Spanje en Istanbul, waar ze het familiemausoleum lieten bouwen, naar Triëst. Uiteindelijk rond 1850 kwamen ze aan in Parijs. Hier kon de familie in alle rust haar imperium verder uitbouwen. 


Moïse Camondo was de telg die op dat moment het bedrijf runde - samen met zijn neef Isaac, die later kunstwerken zou nalaten aan het Louvre. Ook Moïse was een groot kunstliefhebber. Hij liet een hôtel particulier bouwen aan de rand van Parc Monceau. Tussen 1911 en 1914, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, bouwde architect René Sergent een stadspaleis à la de 18de eeuw. Het ontwerp was geïnspireerd op Petit Trianon, het buitenverblijf van Marie Antoinette. Badkamer met wit-lichtblauw geblokte tegels, verwarmingsbuizen, een belsysteem van draden… van alle luxe voorzien. De toen vermaarde tuinarchitect Achille Duchêne ontfermde zich over het groen. Hier, in dit sierlijke optrekje, bracht Moïse zijn kunstverzameling onder. 


Moïses zoon, Nissim, was piloot en vocht mee in de Eerste Wereldoorlog. In 1917 bleef hij als een oorlogsheld achter. De familie en in het bijzonder zijn vader waren ontroostbaar. Waar Moïse eerst een succesvol zakenman was en een vooraanstaand lid van de gemeenschap, trok hij zich meer en meer terug in zijn huis troost zoekend bij zijn kunstverzameling. Als balsem op de wonden nam hij het initiatief om van het hôtel particulier een museum te maken: Musée Nissim-de-Camondo, als eerbetoon aan de oorlogsheld. Moïse verzamelde vooral interieur, met name Franse meubels uit de 18de eeuw. Vooral de stijl Louis Quinze en Louis Seize: een stoeltje van Marie-Antoinette, een snuifdoos van Lodewijk XVI, een Japanse fles van Madame de Pompadour, Russisch zilverwerk, tapijten en schilderijen…  


Moïse kwam in 1935 te overlijden. Om zijn collectie veilig te stellen, legde hij vast dat de staat eigendom werd van zijn stadspaleis, inclusief de inboedel. Er mocht niets verplaatst of veranderd worden. L'Union centrale des arts décoratifs waakte erover. Bij iedere expositie moesten de beeltenissen van de zoon prominent te zien zijn. Nissim op oude bruin-grijze sepiafoto’s in zijn uniform. Als onderdeel van de familie.


Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog was er nog maar één directe erfgename in leven. Dat was zijn dochter Béatrice. Zij was getrouwd met de componist Léon Reinach. Samen hadden ze 2 kinderen: Fanny, geboren in 1920, Bertrand 3 jaar later. Ze waren jongvolwassenen toen de nieuwe oorlog uitbrak. Dat monster trok ook deze familie mee in zijn donkerste krochten. Alle vier werden ze gedeporteerd. De componist/vader Léon en de kinderen al in 1943, Béatrice in 1944. Niemand van hen zou het navertellen. 


Met de dood van Béatrice stopt ook de stamboom van de familie Camondo. De enige getuige van het bestaan van de familie vind je aan de rand van Parc Monceau. Dat is het huis, het museum dat de naam draagt van de oorlogsheld. 

 

Musée Nissim de Camondo is dagelijks geopend, herbergt de vaste collectie van Moïse en houdt regelmatig tijdelijke exposities. Meer informatie vind je hier: https://madparis.fr/Musee-Nissim-de-Camondo-125 Adres: 63, Rue de Monceau, in het 8ste arrondissement.

 

Informatie deels ontleend aan Stadsliefde van Adriaan van Dis.

Dromend van Canal Saint-Martin

Water. H2O. Wie drinkt het niet? 


Als al die kleine waterdruppeltjes een massa vormen, gebeuren er wonderlijke dingen. Onmogelijk van elkaar te scheiden vormen ze een rivier of kanaal. En aan het eind verliest de rivier zichzelf in de zee. Er gebeurt van alles als je opgaat in het water. In Parijs kan dat nergens zo comfortabel dan aan Canal Saint-Martin. Hier beleeft het water zoveel meer. Ben je net rustig water aan het zijn, word je ineens door elkaar geschut. Dat overkomt de stroom in het Canal Saint-Martin menigmaal. Het kanaal kent namelijk enkele prachtige sluizen die het water doen borrelen. En in de kalme delen sprankelt het water in het zonlicht. 


Klinkt allemaal heel mooi en aardig, maar misschien bent u gewoon meer geïnteresseerd in andere vloeistoffen dan water. Canal Saint-Martin, geopend in 1825, staat bij Parijzenaren bekend als één van de allerbeste plekken om een goed glas te drinken. Hier en daar zijn er terrasjes, maar nog leuker is gewoon letterlijk aan het water te zitten. Met een glas wijn of een flesje bier. De jonge generatie Parijzenaren zweert al lang niet meer bij wijn alleen. Twee generaties hippe vogels staan langs Canal Saint-Martin net zo gezellig met een biertje in de hand. Als je het echt anders wilt aanpakken, meer trendy, dan kies je voor Saint-Martin in het 10de arrondissement. De lieflijke gietijzeren loopbruggetjes bij de sluizen geven extra cachet en authentieke allure aan je ervaring.  


Je kan de stroom echter niet alleen verkennen langs het kanaal, maar ook op het kanaal. Dan ervaar je ook hoe er door anderen naar het water wordt gestaard. En naar jou! Twee keer per dag vertrekt vanuit het Arsenaal een rondvaartboot die het kanaal stroomopwaarts vaart. Eerst onder de stad ten hoogte van Richard Lenoir (waarboven op zondag een markt wordt gehouden). Na een kwartier kom je met de boot bovengronds. En dan zit je werkelijk tussen de sluizen en de waterhoogteverschillen. Ronduit fascinerend om het water op gelijke hoogte te zien stromen. 


Het Bassin de la Villette, waar de boot uiteindelijk aanmeert, ligt aanzienlijk hoger dan het vertrekpunt bij de Seine. Canal Saint-Martin, 4,5 kilometer lang, ligt goed verstopt aan de oostkant van Parijs, het heuvelachtige deel van de stad. Via 9 sluizen - waaronder 4 dubbelsluizen - wordt een niveauverschil van circa 25 meter overwonnen. Samen met het Canal Saint-Denis vormt het een verbinding tussen 2 delen van de Seine. Zo kan 12 kilometer van de route over de Seine worden afgestoken. Tegenwoordig wordt het water van het kanaal nog gebruikt om de Parijse parken te irrigeren en de straten en riolen te reinigen. 


Het gebied rond het Canal Saint-Martin is pittoresk. Langs het kanaal bevinden zich talrijke fabrieksgebouwen uit de 19de eeuw, waaronder de oudste elektriciteitscentrale van Parijs en een oude papierfabriek, alsmede de Rotonde de la Villette (1786-1792), een classicistisch gebouw van Claude-Nicolas Ledoux.


In 1963 was men nog van plan om het kanaal te dempen en een autoweg aan te leggen. 6000 voertuigen per uur in beide richtingen! Na hevig verzet van de buurtbewoners is men in 1971 wijselijk afgestapt van dit voornemen.


Deze en nog vele andere verhalen vertelt je eigen Nederlandstalige gids die gespecialiseerd is in Canal Saint-Martin. Van harte aanbevolen als je werkelijk een ander stukje Parijs wilt ontdekken dat nog niet tot de clichés behoort.

Omdat we ervaren en betrouwbaar zijn en ons 100% focus op het beste resultaat hebben we al met vele fantastische klanten mogen werken.

Altijd gratis water in Parijs

Voor alles betaal je een prijs. Ook voor gratis water. 


De bloedige Commune-opstand van 1871 kostte niet alleen 20.000 mensen het leven. De burgeroorlog zorgde er ook voor dat aquaducten naar de stad waren vernietigd. Water was niet te vertrouwen. Het vocht uit de Seine was sowieso te smerig om te drinken. Dus zochten Parijzenaars hun toevlucht in het bier. Net als in de Middeleeuwen. Goedkoper en veiliger dan water. 


Aan dat watergebrek moest dus iets gedaan worden. De stinkend rijke Brit Sir Richard Wallace, erfgenaam van een heuse markies, was een filantroop die deze handschoen opnam. Hij gaf het initiatief tot drinkbaar water voor iedereen. Charles-Auguste Lebourg gaf concrete vorm aan Wallaces voornemen. Heel Parijs kwam vol te staan met vier zussen die in de vorm van een ruit samen een fontein hooghielden. Zoals dat gaat met zussen hadden ze allemaal een duidelijk karakter: één vertegenwoordigde vriendelijkheid, een ander eenvoud, één liefdadigheid, en de vierde soberheid. 


De ruimte tussen de vier zussen werd niet bij toeval gemeten. In de tijd van de bouw van de fonteinen reden er in plaats van auto’s nog paard en wagen door de straten van Parijs. Uiteraard hadden paarden ook dorst. Maar zij mochten in geen geval ooit in de buurt komen van dat water. Het water zou vervuild raken. Daarom was de afstand tussen twee zussen te klein voor een paardenhoofd. Een paard had geen schijn van kans.


Toeristen – en zeker Nederlanders, die thuis als een van de weinige volken ter wereld blind water uit de kraan drinken – zijn nooit helemaal zeker van de waterkwaliteit in de Parijse hotels. Het valt inderdaad niet te ontkennen dat er veel kalk in het Parijse kraanwater zit. Water van Wallace is daarentegen heerlijk helder en fris bronwater. Om mensen te overtuigen, pak ik altijd mijn bidon en hang die onder de waterstroom. Daarna neem ik een ferme slok en wat gebeurt er?! Ik kan gewoon mijn tour afmaken. En ook - goed voorbeeld doet volgen - zeker bij warm weer gaat iedereen zijn duur betaalde, plastic supermarkt flesje bijvullen met water van Wallace. Het zijn van die kleine momenten van verbroedering tijdens een tour. Zo zou Sir Richard het graag gezien hebben. 

 


Ps: Wist je dat er ook Wallace fonteinen staan in Bordeaux en Nantes, in Spanje en Italië, in Californië en Quebec? En zelfs in Israël en Macau, het moedige kleine eilandje dat China nooit helemaal onder controle heeft weten te krijgen. Overal vinden we water van Wallace terug. 

Cité Malesherbes: gevel als een kunstwerk

Hoeveel geheime pareltjes zijn er te vinden in Parijs? Soms moet je ze met een loep gaan zoeken en dan liggen ze eigenlijk om de hoek van een groot bekend gebouw. Niet al te ver van de Moulin Rouge, om de hoek van Place Pigalle bestaat een privé straatje: Cité Malesherbes, in het charmante 9de arrondissement. Gelegen aan de rand van Nouvelle Athènes, een wijk die door de meesten jammerlijk over het hoofd wordt gezien. 


Als je Cité Malesherbes verkent, zul je versteld staan van de architectonische rijkdom van de particuliere herenhuizen en pittoreske gebouwen die er te vinden zijn. Maar één huis verbleekt alle andere. Dat is het huis op nummer 11, één van de mooiste gevels van heel Parijs. 


De namen van de architect en van de schilder van de gevel staan sierlijk vermeld. De architect heet Anatole Jal, de schilder is Pierre-Jules Jollivet. Wat is zo bijzonder aan die voorgevel? 


De buitenmuur is versierd met geëmailleerde lavaschilderingen die verschillende Bijbelse scènes uitbeelden. Deze prachtige keramiek was oorspronkelijk bedoeld voor de Saint-Vincent-de-Paul-kerk (op loopafstand van Gare du Nord). In het oog van de strenge christelijke moraal was de fresco een schandaal; enkele maanden na de installatie is het uit het gebouw verwijderd. De oorspronkelijke polychrome panelen zijn vandaag de dag weer te bewonderen aan de voorkant van de kerk.  


Na die verwijdering dacht Jollivet: als mijn schildering niet op de kerk mag, dan gebruik ik ze wel voor de gevel van mijn eigen huis. En zo gebeurde het. 


De drie centrale ramen op de eerste en tweede verdieping zijn rijkelijk versierd met neorenaissance elementen zoals pilasters, krullen, arabesken, lijsten, vazen en kandelaars. Wat is er precies te zien op schilderingen? Op de eerste verdieping zijn er drie voorstellingen van het Oude Testament: De schepping van Eva uit de rib van Adam, de erfzonde met de slang en de appel, en tot slot Adam en Eva die uit het paradijs worden verdreven. Eén verdieping hoger vinden we drie voorstellingen uit het Nieuwe Testament: De aanbidding van de Wijzen bij de pasgeboren Christus, de Doop van Christus en het Laatste Avondmaal. Het Laatste Avondmaal, de belofte van verlossing, vormt een tegenwicht voor de erfzonde van Adam en Eva. 


Zoals gezegd is Cité Malesherbes een privé-straat met een hek eromheen. Als je een beetje geluk hebt, er moet iemand naar binnen heb je een kans dat je mee binnen kan glippen. Je kan ook meelopen met je Nederlandstalige gids. Dan is de kans net iets groter om binnen te komen. 

 

Ps: in dezelfde straat op nummer 3 zag Jean-Philippe Smet het levenslicht. Smet zou uitgroeien tot de grootste volkszanger van het land, ook wel de Franse Elvis, beter bekend onder zijn artiestennaam Johnny Hallyday. 

Cité de la Mode et du Design 

Het gebouw heeft me altijd gefascineerd. Typisch postmoderne architectuur. Langs de Seine op rive gauche, terwijl de Notre Dame uit het zicht verdwijnt. Uit het niets kronkelt een neongroen, wormachtige reptiel en steekt boven het water uit. 


De functie van het gebouw is typisch Parijs: Les Docks - Cité de la Mode et du Design. De modeschool van Parijs, waar ook restaurants, bars en winkels te vinden zijn die van alles met design te maken hebben. De plek is een ontmoetingscentrum voor ontwerpers, ambachtslieden, vertegenwoordigers van topmerknamen en modeliefhebbers. Hier worden de grenzen van de verschillende kunstwerelden verkend en vermengd. Zoals mangastripboeken, filmanimatie, tekenen, schilderen, beeldhouwen, videogames... Aan de basis van dit alles ligt het Franse Instituut voor Mode (IFM)  – met 150 masterstudenten en 2.000 professionals in opleiding in mode, textiel en design. De school organiseert vaak conferenties die toegankelijk zijn voor het publiek en heeft een eigen referentiebibliotheek voor echte modeliefhebbers.


Les Docks ligt in het 13de arrondissement, één van de districten die het meest met de voeten in de 21ste eeuw staan. In de schaduw van de Bibliothèque Mitterrand. Hierbij hoort uiteraard het restaurant met de beste veganistische gerechten in Parijs. Deze geheel natuurlijke namaakhamburgers, hotdogs en andere lekkernijen in Amerikaanse stijl zijn smakelijker dan je zou verwachten. Maar blijf niet alleen eten in de Cité de la Mode; er is hier genoeg te doen op het gebied van nachtelijke activiteiten. Ga naar de bar op het dak, Nuba, waar een tropische cabana-achtige sfeer je naar de andere kant van de evenaar brengt. Nuba kweekt zelfs verse munt achter de bar, en de servers gebruiken het kruid royaal in hun zelfgemaakte cocktails. Klassieke witte tenten en mini-hanglampen zorgen voor de feestelijke sfeer. Dan is er nog de Moon Roof, waar je kunt ontspannen met een gearomatiseerde waterpijp en een drankje met zicht op de Seine.


15.000 m² is opgedeeld in verschillende secties – om te creëren, winkelen, eten en feesten. Een andere club heet Wanderlust met een programma dat verdeeld is over hiphop, electro en funk en ook in het weekend dé place-to-be is. Elk zaterdag beleef je hier activiteiten zoals yoga, tafeltennis en Crossfit op het enorme terras. Zondagen zijn ideaal om de kinderen mee te nemen, wanneer het terras verandert in een gigantische speeltuin inclusief leuke workshops.

1000 meter de lucht in boven Parc Monceau

Ik ben een groot fan van de hilarische Naked Gun-films. Eén van de leukste scènes komt voor in deel 33 1/3 wanneer ‘detective Frank Drebin from Police Squad’ zich als een spion laat insluiten in de gevangenis. Terwijl hij het gevangenisterrein binnen de muren verkent wordt er hier volop gesport. De gedetineerden doen aan basketbal, kogelstoten, touwtje springen, schommelen…  En ook polsstokhoogspringen. De gevangenen springen er lustig op los met de meterslange stok – zelfs over de gevangenismuur heen. 😊


Uiteraard wordt hier de draak gestoken met de ultieme droom van iedere gevangene: het terugkrijgen van je vrijheid. Dat was ook het geval bij ene André-Jacques Garnerin. Geboren in 1769 zat hij tijdens de Franse Revolutie vast in een Hongaarse gevangenis. In zijn hoofd borrelde het idee van iets met een parachute. Hij durfde zijn droom nooit in de praktijk te brengen. Toch verliet het idee hem niet. Eenmaal weer in vrijheid ging hij werk maken van zijn plan. Op 22 oktober 1797 waagde hij zich aan zijn eerste parachutesprong. Dat gebeurde in Parijs, om precies te zijn in Parc Monceau, het 8ste arrondissement.


Die parachute zag er toen heel anders uit dan vandaag de dag. In plaats van het huidige nylon model vastgeklemd op zijn rug, ontwierp Garnerin een 7 meter brede parachute dat kon openklappen als een paraplu. Je zat eigenlijk in een soort mandje, wat tegenwoordig nog het meest doet denken aan de manden voor een ballonvaart. Hij bevestigde het geheel aan een heteluchtballon en steeg op naar een kleine kilometer hoogte (3000 feet). Op die hoogte sneed hij het koord door dat alles bij elkaar hield. De paraplu vouwde zich open en langzaam daalde hij richting aarde. Alleen was de controle over het gevaarte een ware uitdaging. Laten we zeggen dat de landing nogal zwaar was. Met deze waaghalzerij schreef Garnerin geschiedenis door als de eerste persoon ooit een parachutesprong avant-la-lettre te maken.


Het duurde nog meer dan 100 jaar, tot aan de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), voordat het parachutisme zich verder ontwikkelde. De methode werd ingezet om soldaten te laten ontsnappen uit observatieballonnen. Tot die tijd waren er enkele gevallen bekend van stuntmannen die op typische 19de-eeuwse festivals en kermissen capriolen en shows uithaalden door in de lucht te zweven aan een parachute. 


Tot slot nog een romantisch detail: Garnerins vrouw, Jeanne Genevieve, volgde haar echtgenoot als de eerste vrouw die ooit een parachutesprong waagde. 2 jaar na haar man, op 12 oktober 1799. Ook zij liet zich afdalen van een kilometer hoogte. Of het echtpaar ook een gezamenlijke sprong heeft gewaagd, daarover geven de annalen geen uitsluitsel.


Tijdens onze prachtige Bourgeois tour door het 8ste arrondissement lopen we door het park Monceau. Naast een sierlijke, Romantische tuin dus ook de heilige grond van de eerste parachutesprong in de geschiedenis.

Zouave du pont de l'Alma 

Het is eind februari wanneer ik dit schrijf. Dat is meestal een spannend moment op de kalender. Eigenlijk de hele periode tussen eind januari en begin maart is spannend. De grote vraag is dan: wat doet de Seine? Hoe hoog stijgt het waterpeil? Afgelopen december leek het erop dat de Seine ons deze winter natte voeten zou geven. Het waterpeil stond heel hoog. Er is veel regen gevallen sinds september 2022. Intussen ziet het ernaar uit dat een overstroming deze winter aan ons voorbijgaat.

Waarom kan de periode tussen eind januari en begin maart zo kritiek zijn? De Seine ontspringt in de Vogezen, het middengebergte aan de oostkant van Noord-Frankrijk. In het middengebergte is er (nog altijd) smeltend water dat wordt afgeleid door de Seine. Van oudsher kan het ook hevig regenen in de late winter. Dat is tot daaraan toe, die Seine is immers 776 kilometer lang. Waarom is er dan juist overstroming bij Parijs? Dat komt doordat de rivier bij de stad nauwer wordt. (Dat is waarschijnlijk ook de reden dat juist op deze plek ooit, meer dan 2000 jaar geleden, een stad is ontstaan.) Zo’n vernauwing heeft z’n voor- maar dus ook z’n nadelen: groter risico op overstromingen.

Er is één monument in Parijs dat ons altijd feilloos een aanwijzing geeft of we een overstroming kunnen verwachten. Je moet ‘m weten te vinden, je kijkt er makkelijk naast. De man over wie ik het heb is de Zouave du pont de l’Alma. Een beeld onder de Almabrug, vlakbij de vlam van Lady Diana, in de schaduw van de Eiffeltoren. Deze brug is genoemd naar een grootse overwinning van de geallieerden (waaronder de Fransen) in de 19de eeuw op de Russen. Het leger wist De Krim te bevrijden, waar de rivier de Alma doorheen stroomt.

Om deze overwinning luister bij te zetten hebben de Parijzenaars naast deze brug ook een groep standbeelden neergezet. Een sculptuur van de zogenaamde Zoeaven. Zoeaven zijn Franse infanterie-eenheden die behoren tot het Afrikaanse leger. Die eenheden bestonden tussen 1830 en 1962. Zoeaven droegen een bijzonder uniform. Ze gingen gekleed in een fez, een kort en getailleerd jasje zonder knopen, een brede canvas riem, gezwollen broek, beenkappen en leggings. Vincent van Gogh heeft enkelen van die krijgers geschilderd zoals alleen hij dat kan.

En ook de beeldhouwer George Diebolt raakte danig geïnspireerd en vereeuwigde het kwartet. André-Louis Gody (1828-1896), geboren en gestorven in Gravelines, zou model hebben gestaan - aldus Napoleon III, de laatste keizer van Franrijk. Volgens anderen zou het om een Breton gaan, genaamd Nérigot of Bérizot. 

Begin jaren 1970 werd de oude Pont de l’Alma vervangen door een nieuwe. Die nieuwe brug bezat slechts één pier waardoor slechts één Zouaaf van het groepje soldaten overbleef. Dit overgebleven beeld is 5,2 meter hoog. Hij is vooral beroemd geworden door la crue, de overstromingen van de Seine. Want de Zoeaaf heeft heel wat te verduren gehad in de loop der tijden. Hoe vaak hij al niet een natte broek heeft gekregen! Een hele reeks overstromingen heeft hij overleefd, in 1924, 1945, 1955, 1982, 1988, 1995, 1999, 2001, 2013, 2016, 2018, 2020...

Maar die van 1910 spant de kroon. Toen had hij niet alleen een natte broek, hij stond zelfs tot aan zijn schouders in het water. Normaal is het waterpeil van de Seine ver onder zijn voeten. Als ‘de Zouaaf met zijn voeten in het water staat’, dan spreken de Parijzenaars van een lichte overstroming. Tijdens de laatste overstromingen – die van 2018 en 2020 - bereikte het water zijn middel. 

Zoals je ziet, Zoeaaf geeft altijd een antwoord op hoe we ervoor staan in de Seinestad.

Geen Franse Revolutie zonder… koffie 

Waarschijnlijk heb je vandaag al een lekker bakkie gedronken. Of een tas, als u in Vlaanderen woont. Koffie, koffie, koffie. Volksdrank nummer één.


Ook in Parijs is koffie niet weg te denken. De ochtend begint met de drie c’s: cigarette, croissant et café. Maar ook in de Franse geschiedenis is koffie beslissend geweest. Het is zelfs niet overdreven te beweren dat de Franse Revolutie indirect te danken is aan koffie. 


Op de plek van de overdekte markt van Saint Germain (tussen Boulevard Saint-Germain en église Saint-Sulpice) was vroeger, tussen de Middeleeuwen en de Franse Revolutie (1789), een Foire gevestigd. Dat was een jaarmarkt die tussen 3 februari en Palmzondag werd gehouden. Die jaarmarkt was er niet alleen voor de handel in textiel, etenswaren en andere goederen. Nee, het leek meer op een kermis, een klein attractiepark met exotische dieren, freakshows, poppenkast, vuurspuwers. Ook het meer ondeugende vertier was hier te vinden, vooral in de late uurtjes - inclusief prostitutie. In 1672 was er iets nieuws op de markt. Een Armeense man, Pascal, verscheen met een zwarte likeur: caffé! Dat was nog eens lichte sensatie!


Koffie was al eeuwen bekend bij de Arabieren. Het was dankzij de nauwe handelscontacten met Venetië dat het zwarte goedje ook Europa binnendrong. Engeland (Londen) en de Republiek (Amsterdam) met hun connecties over de hele wereld liepen in die 17de eeuw voorop. Ondanks de ban van de Kerk. Het christendom was nog altijd oppermachtig en paus Clemens VIII moest niets hebben van die nieuwe drank. Totdat hij het zelf geproefd had. Als een blad aan een boom waaide hij om. Het zou eeuwig zonde zijn, vond de kerkvader, om de gelovigen zo’n verrukkelijke drank te ontzeggen. 


Pas later volgde ook Parijs. Pascal had een houten kiosk op die jaarmarkt van Saint-Germain, maar hij zocht iets dat het hele jaar open kon zijn. Hiervoor had hij de hulp nodig van een kerel uit Sicilië die luisterde naar de naam Francesco Procopio. De Italiaan opende zijn eigen koffietent in de straten van Saint-Germaine in 1686. Een café, de allereerste in zijn soort. Een plek waar alleen koffie werd geschonken. Dat was nog eens iets anders dan die tavernes en cabarets waar je goedkope wijn kon krijgen, en duistere kroegen met bier, versleten interieur en klanten van een bedenkelijk allooi. 


Dit café werd luxueus aangekleed waardoor je meteen een heel andere clientiel aantrok. Spiegels aan de wand, kroonluchters aan het plafond. Het was een instant succes. De cafés namen een enorme vaart: rond 1700 waren er al 100 in Parijs. Er kwamen steeds meer varianten: literaire cafés, dominocafés, schaakcafés… En in 1709 verscheen het biljart in het interieur.


Maar deze opkomst hielp ook iets anders in de hand. Mensen die iets met elkaar gemeen hadden - naast hun voorliefde voor koffie - kwamen samen. En dat publiek was veel gevaarlijker dan in de kroegen. De klanten in de kroegen werden dronken. Na hooguit een schermutseling werden die zo mak als een lammetje want ze konden amper op hun benen staan. Maar de nuchtere klanten die de cafés bezochten lazen kranten, lieten zich op andere manieren informeren. Die dachten na in plaats van hun hersenen te verzuipen in de alcohol. 


Dat leidde in de 18de eeuw tot hele nieuwe generaties die serieus nadachten over misstanden in de samenleving. Het gewone volk zuchtte en crepeerde onder de regimes van de absolute koningen – de Lodewijken 14, 15 en 16. Filosofen zoals Montesquieu, Voltaire en Diderot zagen dat het anders moest. Dat praten, ideeën maken en opschrijven gebeurde allemaal in dit soort cafés. Met name Le Procope, het café van de Siciliaan Procopio, was een broeinest voor dit soort praktijken. Mede in Le Procope is er geschreven aan de Onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten en verklaringen die zouden leiden tot de Franse Revolutie. En dat allemaal omdat de vooraanstaande cliënten in deze cafés helder bleven denken door die ‘nieuwe’ likeur caffé. Heerlijk helder… koffie!


Le Procope, inmiddels het oudste café van Parijs, kan je nog altijd bezoeken. Het koffiehuis is een restaurant geworden. Binnen in het interieur vind je oude portretten van beroemde gasten en documenten die hier zijn voorbereid en geschreven. En de chapeau van Napoleon! Indrukwekkend stukje geschiedenis dankzij koffie.

 

Deels ontleend aan: Alec van der Horst, Stad Van Ideeën.

 

Een Parijse arc voor/tegen Nederland 

Op een volkomen onmogelijke plek in Parijs staan twee indrukwekkende poorten. Typisch zo’n onnavolgbaar staaltje van bijna willekeurige stadsontwikkeling. Ik heb het over de Porte Saint-Denis en zijn twee-eiige tweelingbroertje Porte Saint-Martin - enkele meters ten oosten van hem. Beide staan nota bene pal naast een van de drukste verkeeraderen van de stad: Boulevard de Bonne Nouvelle. Gelegen in het 10de arrondissement. 


De poorten waren er eerder dan de boulevards. Zij zijn een initiatief van Lodewijk XIV. Ze hebben bombardementen en de Franse Revolutie overleefd. En ook stedenbouwkundige plannen zoals de 19de-eeuwse bulldozers van Haussmann. 


De stad richtte de 2 gigantische bogen op om de oorlog van 1672-1678 te vieren. De meest flamboyante arc, Saint-Denis ligt aan de Rue (faubourg) Saint-Denis, destijds de belangrijkste noord-zuid-ader van de stad. Het monument is versierd met Romeinse trofeeën, zoals harnassen, helmen, scheden en triomfantelijke beeldhouwwerken. De architect was François Blondel. Hij bracht op verzoek van de zonnekoning de inscriptie ‘Ludovico magno’ aan, wat zoiets betekent als de “grote/machtige Lodewijk”. In Parijs vind je ook de straat Rue Grand Louis. Dat allemaal verwijst naar deze koning die 72 jaar lang regeerde. Nog altijd een historisch record waar zelfs de Engelse koningin Elizabeth II haar tanden op stuk beet; zij kwam 2 jaartje tekort. Lodewijk bleek fysiek heel sterk te zijn en regeerde officieel al vanaf zijn 5de. 


Terug naar de boog. Net als bij het woord ‘boulevard’, dat is afgeleid van het Hollandse ‘bolwerk’, zit aan het bestaan van één van de 2 arcs een Nederlands tintje. Ze staan ook niet helemaal toevallig aan de toenmalige noordgrens van de stad, in de richting van de Nederlanden. Porte Saint-Denis is neergezet ter ere van de oorlog tegen de Republiek der Nederlanden. De oorlog was geen onverdeeld succes, maar toch veroverde Lodewijk XIV voldoende grond om deze militaire campagne te vieren. Volgens de beeldvorming op de boog is het tafereel te lezen als een eclatante overwinning. Holland is door beeldhouwer Michel Anguier voorgesteld als een doodsbange oude vrouw en ook als een gevilde leeuw, en de Rijn als een verslagen riviergod. Aan de noordzijde van de boog accepteert de koning met pruik en te paard de overgave van Maastricht. Een inscriptie vermeldt trots dat het Franse leger in 1672 de rivieren Rijn, Waal, Maas en Oude IJssel overstak en in 60 dagen 3 provincies en 40 vestingen veroverde. De Franse aftocht van een jaar later blijft ongenoemd. Lowieke hield wat gebied in Zuidelijke Nederlanden (wat nu België is) eraan over, en ook Maastricht dat toen nog lang niet bij de Nederlanden hoorde. 


Tweelingbroertje Porte Saint-Martin, die een stuk soberder is uitgevoerd, verwijst naar de verovering van Besançon en Franche-Comté en het breken van de Duitse, Nederlandse en Spaanse alliantie. 


Met deze twee mastodonten juichte Lodewijk te vroeg. De vijandelijke legers waren niet definitief verslagen en zinde op wraak. De Nederlanden bleken bepaald geen doodsbange oude vrouw, maar droegen later bij aan de vorming van Europese coalities die uiteindelijk Lodewijk XIV op de knieën kreeg. De Franse schatkist werd leger en leger omdat astronomische bedragen naar het leger gingen. 


Vandaag de dag, tussen al die uitlaatgassen zijn het geen poorten meer, toch niet voor het gemotoriseerd verkeer. Enkel voetgangers en fietsers kunnen onder de beide bogen lopen of fietsen wat ook beter de gelegenheid geeft om ze te bewonderen. Het leuke aan de bescheidenere Porte Saint-Martin is dat je door één van de kleine bogen in de verte Gare de l’Est ziet. Altijd de moeite waard tijdens een stadswandeling. 

Marais in de Mode 

Geen populairdere wijk in Parijs dan Le Marais. Vooral mensen die alles uit het leven willen halen blijven hangen in deze wijk. U ook? 

Le Marais is een prachtige wijk vol Middeleeuwse straten en steegjes. Het oudste huis van Parijs is hier gevestigd. En ook de tempeliers woonden hier. Een echo van hun bestaan vinden we in de naam Rue du Temple, metrohalte Temple en ook het goed verborgen Marché des Enfants Rouges, een gezellige overdekte voedselmarkt met eettentjes van over de hele wereld (in Rue de Bretagne). 

Le Marais wordt nu bevolkt door Joden en gay’s (net als in San Francisco een eigen wijk), Zwitserse klokkenmakers, vintage kleding lovers en andere hippe vogels. Het is er gezellig druk. De mensen lopen er vrij op straat. Heel leuk, tenzij je er, zoals ik, op je fietsje doorheen moet wurmen. Met name in de middagen en in het weekend (dat vaak al op donderdagmiddag begint) is dat vaak onbegonnen werk. Daarmee is mijn haat-liefde-verhouding met de wijk meteen verklaard. Want vanuit Belleville is Le Marais de meest gerichte weg richting rive gauche. Dat levert een hoop gebel en frustratie op en die frustratie wordt dan weer zo potsierlijk dat ik er altijd weer om moet lachen. Parijs moet je ook vooral niet té serieus nemen! 😊 

50 jaar geleden was het wel anders met de drukte en de populariteit. 50 jaar geleden was 1972. Wat gebeurde er toen? Niets bijzonders. Maar in Le Marais stond het nog vol met krotten. Krotten die onbewoonbaar waren verklaard. Schimmel aan de muren, nauwelijks of geen verwarming, één waterpomp voor één verdieping, hurktoiletten in de hal of zelfs buiten! 

Het volledige verhaal is als volgt. In de 16de eeuw was Le Marais in de mode van de nieuwe aristocratie. De hôtels particuliers met een plein aan de voorkant en een gracieuze tuin erachter kwamen als sierlijke paddenstoelen uit de grond. Sommige van deze stadspaleizen, zoals Hôtel de Carnavalet en Hôtel Sully, getuigen nog altijd van deze rijke periode. 

De koning vestigde zich in de stad (vanaf Henri III) en de aristocratie hing als paladijnen om hem heen. Voordien reed de koning als een nomade van plek naar plek door Frankrijk. Doordat Henry III resideerde op een vaste verblijfplaats, werd Parijs nog krachtiger als hoofdstad van het land. De stad werd ook veiliger en Le Marais liep hierin voorop. Henri IV en zijn zoon Lodewijk XIII verwezenlijkte het statige Place des Vosges met die onweerstaanbare rode gevels en frivole arcades. Ooit was dit het best verstopte indrukwekkende plein van Parijs - vóór google maps. 

Vanaf de volgende Lodewijk, nummer 14, verdwenen de koningen uit Le Marais. De aristocratie volgde de koning in dezelfde richting van Saint-Germain-des-Prés en Saint-Honoré. Le Marais bleef achter als een wijk met een gedeukte reputatie. De Franse schrijver Honoré de Balzac liet zijn koppige eenzaten, berooide edelen en andere bedenkelijke personages altijd in Le Marais wonen. Dat was begin 19de eeuw, 200 jaar na de koningen. Mààr Le Marais werd ook iets wezenlijks bespaard: een groot ongeluk dat uiteindelijk in zijn voordeel zou uitpakken. Want toen baron Haussmann later in de 19de eeuw voor zijn hervormingsplannen 60 procent(!) van het oude Parijs met de grond gelijkmaakte, ontzag hij Le Marais. 

Dat had in eerste instantie armetierige gevolgen. Die versleten huizen, waar ik het enkele alinea’s hierboven over had, stonden er 100 jaar later nog. Verkrot tot op het bot. Daarom werd er in 1962 een plan gesmeed. De overheid had de keuze: óf de boel met de grond gelijkmaken en nieuwbouw neerzetten. Óf proberen de wijk in ere te herstellen en de oude architectuur te beschermen. Ze hebben wijselijk voor het tweede gekozen. 

De restauratie van Le Marais werd pas na 30 jaar afgerond. Maar U plukt er nu wel de vruchten van! Want vrijwel nergens in Parijs vindt u zo’n unieke combinatie van een 21ste-eeuwse sfeer met een prachtige Middeleeuwse achtergrond. En op weinig plekken in Parijs is er zoveel levendigheid en modebewustzijn als in Le Marais. Avantgardistische ‘over-the-top’ kostuums of hippe vintagekleding op bijna iedere hoek van de straat. Oorspronkelijke Joodse patisserie en de beste falafel in Rue de Rosiers. Ook het Picassomuseum vindt u in de Marais, evenals het holocaust memorial en natuurlijk Centre Pompidou in Beaubourg. Le Marais is zo divers als Parijs zelf, maar dan in pocketformaat. Als het u bevalt kunt u makkelijk een 3-daagse Marais-trip doen. Daar is geen minuut teveel aan. Máár kijkt u wel uit voor die ene fietser, aub. 😉 

 

Informatie deels ontleend aan: Luc Santé, Het Andere Parijs, en: Alec van der Horst, Stad van Ideeën.  

Goutte d’Or : een ander gezicht van Parijs 

Als gasten mij vragen of het veilig is ‘s nachts door Parijs te lopen, kan ik altijd instemmend antwoorden. Misschien op één wijk na : Goutte d’Or. Over dat gebied zeg ik altijd : als je er niet hoeft te zijn, zou ik daar ‘s avonds laat niet rond dwalen. De ironie is dat veel Nederlandse toeristen juist daar een hotel geboekt hebben – omdat het zo goedkoop is. 

Maar dat is de halve waarheid. Goutte d’Or is ook een paradijs voor observatoren van een andere wereld in Parijs. Never a dull moment. Het middelpunt van de wijk is de altijd levendige metrohalte Barbès-Rouchechouart. In dit deel van Parijs rijdt metro 2 bovengronds (voordat ie weer de grond induikt voor de beroemde stop 'Anvers - Sacre Cœur'). Door het uitzicht valt er niet te ontkomen aan de levendige indruk. 

Afrikaanse vrouwen in kleurrijke gewaden lopen zwaar bepakt door de straten, langs kraampjes die van alles en nog wat verkopen : van fruit en textiel tot aan technische apparaten. Mannen en jongens hangen in groepjes bij elkaar, druk gebarend, met geldbriefjes in hun handen, pakjes sigaretten en metrotickets aanbiedend aan voorbijgangers. Goutte d’Or is nog altijd typisch zo’n paradijs voor straatboefjes. 

Commercieel centrum is de winkelketen Tati, ofwel de Galérie Lafayette voor de minderbedeelden. Denk aan de Zeeman en de Wibra – in mijn jeugd in de jaren 80 was dat hèt toonbeeld van versluierde tweedeling in de Nederlandse samenleving. De vrouwen graaien in bakken naar sokken, broeken, beha’s, ondergoed... Terwijl enkele straten daarachter in Montmartre de gerenommeerde textielgroothandel gevestigd is waar vooraanstaande couturiers en costumières van over de hele wereld hun stoffen inkopen. 

Goutte d’Or betekent ‘Gouden Druppel’. ‘Gouden Druppel’ verwijst naar de kleur van de wijn die hier werd verbouwd. Net zoals in het belendende Montmartre stond het hier vol met wijngaarden. Dat was in de tijd dat deze wijk een dorp was dat niet bij de stad hoorde. Het is het bekende verhaal dat ophield in 1860 toen de oude tolmuren werden afgebroken en de grens van Parijs verschoof naar wat nu de Périphérique is. De drie dorpen in het noordoosten - La Chapelle, Butte Montmartre en Goutte d’Or – waren voortaan het 18de arrondissement. 


Ook in die periode stond deze kant van de stad bekend om zijn armoedige arbeidswijken. De Industriële Revolutie was op haar hoogtepunt: een verschraalde geur van slachthuizen, verkrotting en absint vermengd met smeerolie zette een stempel op het quartier. Émile Zola schreef erover in zijn romans L’ Assommoir en Nana. De beroemde chansonnier Aristide Bruant uit de Chat Noir met zijn zwarte cape en zijn rode sjaal zong over de sociale misstanden in de wijk. Het was het bekende verhaal van een dubbeltje dat in de statische samenleving van toen nooit een kwartje zou kunnen worden. De rijke heren woonden slechts enkele straten verderop, in het 9de arrondissement, maar dat was een andere wereld. 

 

Het is opmerkelijk dat meer dan 150 jaar later de ziel van de wijk nog altijd dezelfde is. Alleen de paupers zijn van kleur veranderd : het zijn vooral migranten uit de Magreb en zwart Afrika. Goutte d’Or wordt ook wel Petite Afrique of Petit Sénégal genoemd. Dat het ook anders kan uitpakken met zo’n wijk bewijst de buurt ernaast : Butte Montmartre. In de 19de eeuw net zo weinig florissant, maar wel met het geluk dat het op een heuvel stond met veel groen. Daar kwamen tientallen schilders op af die de wijk beroemd maakten. Het resultaat is dat Montmartre nu één van de duurste plekken van Parijs is. En dat amper 10 minuten lopen van Goutte d’Or! Dit is een van de meest in het oog springende extremen van Parijs. Zo’n ultiem uiterste maakt deze stad onuitputtelijk interessant.

 

Informatie deels ontleend aan: Adriaan van Dis, Stadsliefde

Omdat we ervaren en betrouwbaar zijn en ons 100% focus op het beste resultaat hebben we al met vele fantastische klanten mogen werken.

Promenade Plantée: de Hangende Tuinen van Parijs 

Ik heb altijd de neiging om het de Hangende Tuinen van Babylon te noemen. Of nog liever: de Hangende Tuinen van Parijs. De eigenlijk naam van de langgerekte groene strook is Coulée verte René-Dumont. Ofwel in de volksmond: Promenade Plantée.  


Promenade Plantée is een groene wandelroute die zich bijna 5 kilometer uitstrekt in het 12de arrondissement. Even voorbij de bocht achter Place de la Bastille volg je Avenue Daumesnil. Aan de linkerkant ga je een trap op en sta je ineens tussen de planten op 10 meter hoogte. En dan ga je lopen, lopen en nog eens lopen. Je loopt over viaducten, spoordijken, bruggen, gelijkvloerse ruimten en door tunnels. Je komt onderweg van alles tegen: plantenbakken, kleine vijvertjes, speeltuinen, architectonische huizenblokken… Het unieke van de Promenade Plantée is dat je door het hoogteverschil een totaal ander perspectief krijgt van het 12de arrondissement.  


De Coulée verte - betekent zoiets als: groen stroompje of gieterij - bevat zowel afgesloten gedeelten doorheen moderne gebouwen als open zichten vanop bruggen die de straten overspannen. Naarmate je langer blijft lopen kom je meer en meer aan de rand van Parijs terecht. Eigenlijk gaat de Promenade Plantée over in het Bois de Vincennes, één van de twee immens grote parken even buiten de Périphérique. Je merkt dat je de stad achter je laat omdat de planten steeds wilder en talrijker worden. Uiteindelijk loop je langs moerassen en kleine boerderijtjes. Mocht u niet zo diep het groen in willen, kunt u op ieder gewenst moment uitstappen. Om de paar honderd meter is er wel een trap naar beneden zodat u weer op het straatniveau uitkomt. 


Eenmaal afgedaald op straatniveau valt er ook van alles te beleven. Je kan onder de promenade winkelen bij juweliers, tapisserieën, meubelmakers, vioolbouwers, modeateliers, galerieën… Waardoor Coulée verte een viaduc des arts wordt. Eenmaal binnen vergeet je spontaan dat je onder al die planten staat. 

 

Dit groene architectonische hoogstandje is aangelegd tussen 1988 en 1993. Het idee ontstond omdat op hetzelfde traject een 19de eeuwse spoorbedding lag die niet meer in gebruik was (zoals je dat op meerdere plekken in Parijs tegenkomt, bijvoorbeeld ook in het 20ste arrondissement). Deze lijn had meer dan een eeuw dienst gedaan om forenzen dagelijks uit de voorsteden zoals Verneuil-l’Étang naar de binnenstad te brengen. Al die bedrijvigheid stopte in 1969. Het station Paris-Bastille verdween en werd in de jaren ’80 vervangen door het moderne operagebouw. Wat te doen met die oude spoorlijn? Die werd afgebroken en het gebied kreeg een nieuwe bestemming. Een ecologische. 


Verantwoordelijk voor deze metamorfose waren landschapsarchitecten Jacques Vergely en Philippe Mathieux. De officiële naam stamt uit 2014 en is ontleend aan de Franse landbouwkundige René Dumont. Hij was ooit presidentskandidaat voor de groenen en stierf in 2001. Promenade Plantée werd geopend in 1993 als wereldwijd de eerste in zijn soort. Inmiddels zijn er ook in New York en Chicago parken op viaducten aangelegd zoals de Promenade Plantée. Goed voorbeeld doet volgen. 

Omdat we ervaren en betrouwbaar zijn en ons 100% focus op het beste resultaat hebben we al met vele fantastische klanten mogen werken.

Parc des Buttes-Chaumont


Sensationeel. Jardin des Tuileries en Jardin du Luxembourg zijn mooi, maar Parc des Buttes-Chaumont is sensationeel. Er is veel hoogteverschil, met een grot en een tempel van Sybille op een heuvel van waar u een prachtig uitzicht hebt op de Sacre Coeur.
   

En dan te bedenken dat dit park is opgetrokken uit een van de meest desolate delen van Parijs. Het gebied heette Montfaucon, het was toen nog ver buiten de stad gelegen en kende een buitengewoon sinistere reputatie. Eeuwenlang, van de 13de tot in de 17de eeuw, eindeloos lang dus, stond op een heuvel een complex opgestapeld van twee tot vier verdiepingen vol met galgen. Montfaucon was een angstaanjagend dreigement aan alle Parijzenaren. Niemand vertoonde zich daar als je er niet persé hoefde te zijn. En toch, omdat het op een heuvel stond kon je je er haast niet aan onttrekken. Hier hingen dag en nacht niet minder dan vijftig terdoodveroordeelden zichtbaar voor de buitenwereld te bengelen als waarschuwing. Zo’n beeld dat je vaak als silhouet ziet in het schemerende licht van een zonsondergang met een kraai die zich te goed doet aan het vlees van de lijken. Deze horror stond bekend als de “Gibet de Montfaucon” (de strop van Montfaucon). De laatste executie vond plaats in 1629, maar de indruk die deze plek had achtergelaten was tot diep in de 20ste eeuw merkbaar. Zanger Serge Gainsbourg kon er in zijn chanson zonder voetnoten naar verwijzen. 

Dit is nog niet alles. Want Montfaucon was ook de vuilnisbelt van Parijs. In de omgeving bevonden zich een vilderij, een fabriek waar een meststof van uitwerpselen, houtskool en gips werd geproduceerd, en andere chemische fabriekjes. Er was een vijfhonderd meter lange open riool waar het stinkende afvalwater werd afgevoerd. Dagelijks werden hier gigantische hoeveelheden menselijke uitwerpselen aangevoerd; duizenden honden-, katten- en paardenkadavers lagen hier te rotten. Over de ratten zal ik maar beter zwijgen. Op zomerse dagen was de stank tot in de Tuilerieën (bij het huidige Louvre) te ruiken. Dan spreken we al snel over een afstad van vier kilometer. Infectieziekten verspreidden zich probleemloos naar gelang de windrichting. Deze weerzinwekkende plek bleef bestaan tot 1849!

Maar vanaf 1864 veranderde alles. Baron Haussmann, de man die het aanzien van Parijs voorgoed zou veranderen, nam het initiatief tot de aanleg van een prachtig park. Aan de noordoostkant van de stad was Parijs in 1860 immens uitgebreid door dorpen zoals Charonne, Ménilmontant, Belleville en Montmartre in te lijven. Voor al deze nieuwe inwoners moesten geschikte faciliteiten geschapen worden. “Butte” betekent simpelweg “heuvel” of “bult”; “chaumont” of “chauve-mont” betekent “kale heuvel”. De kaalheid van deze omgeving stond voor de dorre grond die was veroorzaakt door de chemische activiteiten in de eeuwen daarvoor. Vegetatie was volledig verdwenen. Een maanlandschap. Daar hebben ze voorgoed verandering in gebracht. Vruchtbare aarde werd er aangevoerd, duizenden arbeiders herschiepen de grond, groeven een meer, legden lanen aan. Explosieven kwamen eraan te pas om de oude steengroeve te hervormen tot een pittoreske berg van vijftig meter hoog met kliffen en een binnengrot. Een heuse waterval, een cascade, spoot dankzij hydraulische pompen water uit de Ourcq-rivier meters hoog de lucht in. Het kon allemaal niet op. De verbeelding was aan de macht, Parc des Buttes-Chaumont werd een grote fantasiecreatie. 

Als u daar rondloopt zult u het met uw eigen ogen kunnen zien. En er is geen spoor, geen grassprietje, kiezelsteentje of zandkorrel die ook maar in de verste verte doet herinneren aan het bedenkelijke verleden van deze plek. Af en toe twijfelen we er misschien aan, maar als je denkt aan het verleden van deze plek, dan kunnen we niets anders concluderen dan: nooit hebben we in betere tijden geleefd dan de onze.

 

Informatie deels ontleend aan: Luc Santé, Het Andere Parijs.

La Zone


Als er één plek is waar ik héél graag een tour zou willen organiseren dan is het wel in La Zone. Dat is niet uit ramptoerisme, maar uit pure, oprechte fascinatie. Er zijn weinig plekken in Parijs geweest zoals la Zone: woest, grillig, levendig, authentiek... 

Echter die tour zal er nooit komen. Er is namelijk een beletsel. La Zone bestaat niet meer. Vincent van Gogh heeft er nog rondgelopen en de plek vereeuwigd op zijn schilderij Aan de rand van Parijs, toen hij bij zijn broer in Montmartre woonde. Er is nog meer overgebleven: oude grijze foto’s. In 2018 heb ik een kleine overzichtstentoonstelling gezien in een veredelde bouwkeet in de banlieue. Die locatie zei alles: het is een verdrongen stukje Parijs. Geen grassprietje of kassei herinnert er nog aan. Deze getto van 100 jaar geleden is onder de huidige Périphérique naar de vergetelheid afgedaald. 

La Zone was werkelijk een niemandsland, vergelijkbaar met het maanlandschap tussen de linies van de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog. In de jaren 1840 werd een begin gemaakt met een nieuwe verstevigde omwalling van Parijs (Enciente Thiers). Daarbij werd verordonneerd dat een strook van 250 meter, een bufferzone, onbebouwd moest blijven. Zo zou de vijand makkelijker te beschieten zijn. (Dat bleek een illusie toen de Duitsers in 1870 probleemloos Parijs belegerden.)

Die strook van 250 meter om de stad begon een eigen leven te leiden. Die strook werd ook wel La Zone genoemd. Aanvankelijk niet veel meer dan een fantasieloos gebied vol leegte. Een soort toendra, af en toe een armzalig boompje, een kreupel paard of magere kippen. In de verte de eerste fabrieken van de Industriële Revolutie. De ruimte werd ingenomen door mensen die de grote stad waren ontvlucht. Om welke reden dan ook. Dat kon zijn om de gevaarlijke koetsen te vermijden of de politie met zijn regels en boetes. Je was pas echt vrij in de Zone. Maar nog veel vaker werd La Zone een perfect onderduikadres voor plaatselijke criminelen, de zogenaamde apache. En zo werd de Zone een mistig gebied vol met dubieuze figuren en ploeterende paupers.

De meest voorkomende beroepssoort was de chiffoniers, de voddenrapers. Wat deden die precies? Ze raapten vodden (oud papier, versleten textiel…) van de straat, brachten die bij elkaar in balen. Dit beroep kon eerbaar zijn, maar er waren vele collega’s van bedenkelijk allooi die een grijpstuiver bij elkaar ritselden. Toen de prefect meneer Poubelle in 1884 ervoor zorgde dat het vuilnis en dus ook papier voortaan door de gemeente werd afgehaald, haalde dat een streep door de rekening van de chiffoniers. Buiten dat poubelle het Franse woord voor vuilnisbak werd, zorgde deze maatregel er ook voor dat de chiffoniers en de lompenboeren hun handel voortzetten op markten buiten de stad. Ofwel: in La Zone.  

De huizen in de Zone waren huifkarren en krotten van hout of blik. Wat je tegenwoordig in achterbuurten van Afrikaanse miljoenensteden ziet. De Zone was een soort bidonville, waar geen riolering was en bittere armoede heerste. Als je in de Zone opgroeide kon je het wel vergeten. Het woord 'ambitie' had hier geen bestaansrecht. Het woord kwam simpelweg niet in je hoofd op. Als kind was je toekomst al bij voorbaat verdampt. De Zone was, zoals Aristide Bruant, de beroemde chansonnier uit Le Chat Noir, ooit zong een veld ‘waar de oogst er een was van gebroken flessen en porseleinscherven.’ 

Over vedetten van Montmartre gesproken: in de jaren 1920 kwam je ook La Goulue tegen in de Zone. Zij was ooit de zo gevierde sterdanseres van de Moulin Rouge. Haar jonge sterrendom heeft ze nooit kunnen verzilveren. In Montmartre is de scheidslijn tussen vedette en armoede altijd al zeer dun geweest. Goulue is ook te zien in de prachtige documentaire La Zone van Georges Lacombe, een getuigenis van dat schemergebied aan het begin van de 20ste eeuw.

Die bitterzoete nostalgie is verdwenen. Nog voor de Tweede Wereldoorlog walsten de bulldozers La Zone plat. En in de jaren ’50 kwam daar de gigantische rondweg om Parijs overheen. De Péripherique heeft alle sporen van de Zone weggevaagd. Wat overblijft zijn bewegende zwartwitbeelden die ervoor zorgen dat die periode niet eens zo gek ver van ons lijkt af te staan. We zien mensen die we ooit konden aanraken, omdat ze qua leeftijd onze grootouders hadden kunnen zijn. 

La Zone is opgeruimd, maar de nieuwe getto’s staan enkele tientallen meters verderop in de Parijse voorsteden. Torenflats die in de decennia na de Tweede Wereldoorlog bij bosjes zijn gebouwd vol met mensen die hun wortels uit andere delen van de wereld hebben. De volgende periode, de volgende generatie, een volgende Zone…

 

Informatie deels ontleend aan: Luc Santé, Het Andere Parijs.

 

Op zoek naar het oudste huis van Parijs 


Pas geleden schreef een vaste lezer ons: “Paris Promenade, wat is het oudste huis van Parijs?” Leuke vraag! Dat pluizen wij graag voor je uit… 

 

Nummer 3: Jarenlang heeft men gedacht dat hier het oudste huis van Parijs stond: in 3, Rue Volta, vlakbij Rue Turbigo in Le Marais. Het vakwerkhuis zou dateren uit 1300. In 1979 kwam men erachter dat het toch jonger was, zo’n 350 jaar jonger! Op oude kadasterkaarten bleek dat tot 1644 op deze plek de tuin van de buren lag. Het vermeende ‘oudste’ huis van Parijs was ineens nog meer half zo oud. 

 

Nummer 2: Op zoek naar een ouder huis… Nummer 2 op de lijst is een huis dat door zijn uiterlijk gemakkelijk kan worden gezien als het oudste huis van Parijs: nummers 11 en 13 in Rue François Miron, ook in le Marais. Die uitstekende balken in de gevel verraden dat dit gebouw er ook al in de Middeleeuwen stond. Uit de 15de eeuw. De schuine gevel ziet er goed onderhouden uit - door de restauratiewerken van eind jaren ’60. 

Je kan er niet spontaan binnenlopen om een kijkje te nemen. Maar dat kan wel even verderop: op nummers 44-46: la maison d’Ourscamp. Dit gebouw is zo’n 100 jaar jonger dan nummers 11/13. In dit gebouw is de stichting Paris Historique gevestigd, een heemkundige organisatie. Ze zijn bezig, stapje voor stapje - want het geld stroomt niet als water binnen – het pand te restaureren. Ik herinner me dat ze enkele jaren geleden met de kelder bezig waren. Veelal jonge studenten. Dus als ze geopend zijn, kan je een kijkje gaan nemen en ben je getuige van prachtige restauratiewerken van een 16de-eeuws gebouw. 

  

Nummer 1: la Maison Flamel in 51, Rue de Montmorency. Aan het randje van Le Marais. Alweer Le Marais! Waarom altijd Le Marais? Waarom zijn zoveel van de oudste huizen daar gevestigd? De reden is eenvoudig: Le Marais werd gespaard toen baron Haussmann Parijs in de 19de eeuw ging bulldozeren om er de grote, brede boulevards aan te leggen. Daarom vind je in Le Marais nog veel kleine, oude huisjes in veel kleine, oude straatjes. 

Niet alleen door zijn hoge leeftijd is la Maison Flamel bijzonder, maar ook door zijn verhaal. Nicolas Flamel (1340-1418) heeft een plaats verworven in de annalen van de Parijse geschiedenis ondanks dat hij niet van adel was of een geestelijke. Hij was een gewone burgerman, met een buitengewone fascinatie. Hij wist een fortuin te vergaren tijdens zijn leven doordat hij weduwnaar was van een rijke vrouw, Pernelle. Hij kopieerde en schreef manuscripten voor rijke opdrachtgevers en verdiende daar blijkbaar goed zijn brood mee. Hij bezat ook verschillende panden in de binnenstad van Parijs. Ook toen al een goede investering. 

Een van zijn huizen was dus la Maison Flamel, gelegen aan 51, Rue de Montmorency. Hij woonde er niet zelf. Op de begane grond was een winkel gevestigd (tegenwoordig een restaurant “Auberge de Nicolas Flamel”). De verdiepingen waren voorbehouden aan armen om er onderdak te vinden. Als tegenprestatie werd van hen verwacht dat ze iedere ochtend en iedere avond zouden bidden tot God. Een soort liefdadigheid dus. Dat is nog altijd te lezen op de gevel van het huis (vrij vertaald): “Wij, mannen en vrouwen, arbeiders levend in het portiek van dit huis, gebouwd in 1407, worden bij wet opgedragen om iedere dag Onze Vader en een Wees Gegroet, Maria te bidden tot God zodat hij bij zijn gratie de arme, sterfelijke zondaren zal vergeven. Amen.”

Buiten deze devotie was Flamel tegelijkertijd geïnteresseerd in het occulte. Hij eindigde uiteindelijk  zó welgesteld en maatschappelijk gerespecteerd dat tijdens zijn begrafenis de klokken van de prestigieuze église Saint-Jacques speciaal voor hem luidden (kerk op 10 minuten lopen). Maar net zo goed staat Nicolas Flamel genoteerd in het superdikke boek der alchemie.Onze vriend bedreef de controversiële pseudowetenschap om met de Steen der Wijzen gewone metalen om te zetten in goud. Zou dat ook hebben bijgedragen aan zijn rijkdom?

Hoe het ook zij, verschillende alchemistische traktaten worden aan Flamel toegeschreven, zoals Le Livre des figures hiéroglyphiques = "het boek van de hiërogliefen". Niemand kon die toen nog lezen. De werkelijke ontcijfering van hiërogliefen gebeurde vele eeuwen later, in 1822… ook in Parijs. Maar dat is een andere verhaal... voor in een andere blog.

Catacomben 


De oude begraafplaats van Parijs lag vroeger naast het huidige Forum des Halles, het grootste winkelcentrum van de stad. Om precies te zijn op de plek waar nu Fontaine des Innocents is, de fontein die helaas altijd droog staat. Enkele jaren voor de Franse Revolutie, tussen 1785 en 1787, begon men de botjes uit te graven van de mensen die daar op Cimetière des Innocents lagen. Middeleeuwse mensen van Parijs. Dat was om hygiënische redenen. De stank was niet te harden; een enkeling viel zelfs flauw tijdens de mis in de nabijgelegen Église des Saints-Innocents. Om over de rattenoverlast maar te zwijgen. De beenderen en schedels vervoerden ze in het holst van de nacht naar oude, ondergrondse steengroeven. Die botten brachten ze samen en stapelden ze op. Om die symmetrische muren nu te kunnen bezichtigen heeft u 2 dingen nodig: een sterke maag en veel geduld (als u in de zomer komt). 


Wat de catacomben - want daar heb ik het over - zo indrukwekkend maken is niet alleen de enorme hoeveelheid menselijke resten die daar liggen. Natuurlijk, het zijn maar liefst 6 miljoen mensen. Dat is bijna 3 keer zoveel individuen als dat er nu in de eigenlijke stad leven. Maar wat het werkelijk onalledaags maakt is dat al die botten (ossements in het Frans) gescheiden zijn. Alle schedels liggen bij elkaar en alle beenderen. Alle geraamten zijn gedepersonaliseerd. Er is met andere woorden niets meer van je over. Je lichaam ligt verspreid, jij ligt verspreid. Uit elkaar getrokken, zo u wilt. Als men op een gemiddeld kerkhof een graf uitgraaft komen ze een skelet tegen waarvan de beenderen perfect met elkaar in verhouding liggen. In dezelfde verhouding zoals u nu op bed zou liggen. Maar in de catacomben herken je niets meer van de verhoudingen van het menselijk lichaam. Wat men daar ziet is een onpersoonlijke massa bot uit de Middeleeuwen, terwijl je weet dat dat onze voorouders zijn geweest. Of liever: de voorouders van een deeltje van de huidige Parijzenaren (want 80% van de ‘Parijzenaren’ komt uit de provincie of andere landen).  


Is dat mensonterend? Dat zal niet de eerste zorg zijn geweest in 1787. Ze moesten van die menselijke resten af, omdat ze stank en ziekten veroorzaakten. De beenderen werden niet genummerd. De beste oplossing was dus om ze te stockeren in ondergrondse kamers en galerijen, gangpaden van 1,7 kilometer lang, 25 meter diep onder de grond, destijds gelegen ver buiten de stad. 


De catacomben liggen aan de rand van Montparnasse in het 14de arrondissement, niet ver van de Périphérique. De plek is makkelijk te herkennen, het is naast een immens standbeeld van een leeuw op het plein Denfert Rochereau. Als u daar in de zomermaanden passeert dan staat er steevast een lange rij die mooi in een boog om het pleintje heen cirkelt. Als u aansluit, houdt u dan wel in het achterhoofd dat u minimaal een half uur staat te wachten. Er wordt geduld van u gevraagd. 


Als u dan toch aan het wachten bent, kunt u net zo goed deze blog even lezen. Dan weet u meteen dat de catacomben een onderdeel zijn van een enorm ondergronds netwerk: 290 kilometers tunnel onder Parijs. Deze tunnels waren een onderdeel van de kalksteengroeve van Montrouge - de eerste banlieue gemeente ten zuiden van de catacomben. Met die kalksteen werden de mooie, lichtgekleurde appartementen van Parijs gebouwd. 


Eenmaal binnen daalt u af naar een andere wereld van ondergrondse gangen, holen, vertrekken. Galerijen vol met datgene wat wij ook allemaal al bezitten, maar bij ons zit er nog vlees omheen en leven in, en stroomt het bloed nog in hoge snelheid door de aderen. De catacomben zijn het voorgeborchte van wat ons allemaal te wachten staat. Dat is niet triest of somber, maar is gewoon een deel van het leven. In onze dwang de dood zoveel mogelijk uit ons leven te bannen zouden we dat bijna over het hoofd zien. Misschien nog een mooie reden om de catacomben te bezoeken.

 

Ps: prikkelt dat uw fantasie al, het kan zelfs nog spannender. Want tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het gangenstelsel van de catacomben ook gebruikt door het verzet en om in onder te duiken. En nog veel eerder verschool ook de beruchte dictator uit de Franse Revolutie, Robespierre, zich in de catacomben om aan zijn vijanden te ontkomen. Tevergeefs. Hij werd uiteindelijk opgepakt en overgeleverd aan de guillotine. Hij keerde wel weer terug in de catacomben, u raadt al in welke hoedanigheid. 

Omdat we ervaren en betrouwbaar zijn en ons 100% focus op het beste resultaat hebben we al met vele fantastische klanten mogen werken.

Von Choltitz: de man die Parijs redde (van de ondergang) 


In tegenstelling tot Londen en Berlijn is Parijs nooit gebombardeerd geweest in de Tweede Wereldoorlog. Hoe kwam dat? In de eerste plaats door Adolf Hitler, die onder de indruk was van de Franse stad. Zijn grootste triomf was de immense parade op de Champs-Élysées in juni 1940 toen hij een gaaf Parijs onder de voet had gelopen. Hij gebruikte de stad als maatstaf voor zijn eigen Germania, zoals Berlijn in de toekomst zou gaan heten. Deze gigantische uitbreiding zou de Seinestad diep in de schaduw moeten plaatsen. Vier jaar later, toen alles verloren leek voor het Derde Rijk, was Hitler niet meer zo genadig. Parijs moest plat, zo verordonneerde hij. Toch is de stad materieel vrijwel ongeschonden uit de oorlog gekomen. Hoe kan dat? Vooral één man was hiervoor verantwoordelijk: Dietrich von Choltitz, een generaal uit de Wehrmacht. 

Dietrich von Choltitz (geboren in 1894) had al een indrukwekkende carrière achter de rug toen hij gestationeerd werd in Parijs. Op 12-jarige leeftijd werd hij naar de cadettenschool gestuurd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht hij in de loopgraven. Hij was amper 20 jaar. In 1942 was Von Choltitz inmiddels opgeklommen tot generaal in het Duitse leger. Onder andere zijn deelname aan het bombardement van Rotterdam droeg bij aan zijn krijgshaftige reputatie. Hij liet ook zijn sporen na in Polen, de Krim, Italië en Frankrijk. Op 1 augustus 1944 kwam hij aan in Parijs. Von Choltitz nam zijn intrek in het chique hotel Meurice. En dat bleek cruciaal.  

Na de landing van de geallieerden op het strand van Normandië in juni 1944 spreidden de troepen zich gestaag uit over het vaste land. Ruim twee maanden later stonden ze in de Parijse buitenwijken. Hitlers leven van er één van alles of niets. En met dat niets in het vizier was het ‘na hem de zondvloed’. Alles en iedereen sleepte hij mee in zijn ondergang. En dus in die weifelende zomermaand werd Von Choltitz beschoten met tegenstrijdige bevelen en berichten. Dan moest Parijs weer tot de laatste man verdedigd worden, vervolgens moest de stad vernietigd worden. Uiteindelijk leek het verdict door te slaan naar dat laatste standpunt. Van inspraak was normaal geen sprake, maar Von Choltitz weigerde Hitlers order op te volgen. Niemand druiste tegen een bevel van de Führer in. Hoe kwam Von Choltitz tot die moedige standvastigheid? Wat was er gebeurd?  

Von Choltitz had vanuit hotel Meurice een prachtig uitzicht over de stad: voor hem Jardin de Tuileries, links het Louvre, daar tegenover aan de andere kant van de Seine het stationsgebouw van Orsay, en rechts in de verte de Eiffeltoren, toen ruim 50 jaar oud, nog altijd het toonbeeld van technologisch vernuft. Het was augustus, volop zomer in Parijs. Zoals zovelen voor hem en na hem werd Von Choltitz verliefd op Parijs. 

Dus toen die warrige bevelen uit Berlijn binnenkwamen, legde hij die naast zich neer. Von Choltitz had ook wel door dat de weerstand van de Wehrmacht per dag gebroken werd. Een kentering was ver te zoeken, de boel leek verloren. Het van tafel vegen van een wapenstilstand leidde alleen maar tot onnodig bloedvergieten. Als het een gevecht zou worden in de straten van Parijs zou dit een massacre worden. Von Choltitz wist wel beter. Hij was een beroepsmilitair, al 30 jaar lang dienaar van het leger, ongeacht onder welk regime hij diende. In die zin was hij geen nazi. Zijn memoires heet niet zonder reden: “Een soldaat onder soldaten”. Toen hij door geallieerden geïnterneerd was in Londen heeft hij openlijk afstand genomen van het naziregime: “We all share the guilt. We went along with everything, and we half-took the Nazis seriously, instead of saying "to Hell with you and your stupid nonsense". (…) I feel utterly ashamed of myself. Perhaps we bear even more guilt than these uneducated animals.” 

Op 23 augustus gaf Hitler het bevel om Parijs te vernietigen. En wat deed Von Choltitz? Hij tekende op 25 augustus de overgave van de stad. Met die handeling ging hij de geschiedenis in als de man die Parijs redde. 

Maar er was nóg een andere reden waarom hij zich overgaf. Die aap kwam pas echt uit de mouw ná de oorlog. Door zijn militaire acties was Von Choltitz in de ogen van de geallieerden een oorlogsmisdadiger. Hij werd weliswaar krijgsgevangen gezet, maar uiteindelijk nooit veroordeeld. Von Choltitz wist maar al te goed dat hij over voldoende moreel wisselgeld beschikte om hem buiten de gevangenis te houden. Door Hitlers commando’s te weigeren, had hij immers het prachtige Parijs gered van de ondergang! Een verzetsdaad van onschatbare waarde.

Bourse de Commerce 


Is 2021 het jaar van het nieuwe normaal, van het hervatte normaal, of het abnormaal? Kiest u maar. In Parijs is het - na lang wachten - het jaar van de heropeningen van een reeks prachtige monumentale gebouwen die hun zoveelste reïncarnatie ingaat. 

Dat geldt ook voor de Bourse de Commerce. Het ronde gebouw naast het winkelcentrum Forum des Halles kende doorheen de eeuwen vele verschillende functies. In de Middeleeuwen stond op deze plek een stadskasteel en een klooster voor een augustinessenorde. In 1572 liet koningin Catharina de Medici, die van die Italiaanse bankiersfamilie, hier een eigen kasteel bouwen, Hôtel de la Reine. Ze was het voormalige Tuilerieënpaleis beu.  


Pas veel later, in 1763, deed de handel zijn intrede. Het huidige cilindervormige gebouw werd in gebruik genomen als tarwehal. Omdat de beurs vlakbij de Seine lag kon de tarwe makkelijk vervoerd worden naar de aangemeerde boten. Het gebouw met een diameter van 122 meter bestond uit twee niveaus van concentrische galerijen rond een ronde binnenplaats. De galerijen bevatten verkoopruimtes van de verschillende handelaars en ruimtes voor de politie. Er waren gewichtscontroles, metingen en statistieken. Op de eerste verdieping vond je er grote zolders die overkoepeld waren door bakstenen gewelven en toegankelijk via twee prachtige wenteltrappen. Het gebouw was toen het toonbeeld van de moderne tijden. Die jaren duurden tot 1873, het nieuwe was intussen weer achterhaald. De handel in goederen ging weliswaar verder, maar in de 20ste eeuw kwam de nadruk steeds meer op de beurs te liggen. De plaatselijke Kamer van Koophandel kreeg in 1949 het gebouw in handen voor een symbolische frank. De beursverkoop stopte in 1998. De elektronische handel nam het over, het gebouw verloor zijn functie. 


En toen kwam eeuwenlange bedrijvigheid eindelijk tot rust.


Wat moet je dan met zo’n sierlijk gebouw dat nota bene omringd is door zo’n moderne, oer-commerciële omgeving? Inderdaad, er kwam een renovatie. Die kwam op gang door ene François Pinault. Pinault is een Franse miljardair. Naast eigenaar van de luxeproductengroep Kering, veilinghuis Christie’s en wijndomein Château Latour, beheert hij ook meer dan 10.000 kunstwerken. Het is niet zo dat hij ruimte tekort kwam om z’n schilderijen op te hangen. Bepaald niet, want een ander deel van de collectie is al sinds 2016 te bezichtigen in Palazzo Grassi in Venetië. En nu, sinds mei 2021, ook in hartje Parijs. De architecten Tadao Ando, Pierre-Antoine Gatier, Lucie Niney en Thibault Marca hebben een huzarenstukje afgeleverd met de verbouwingswerken. Jarenlang was de ronde bus ingepakt, maar nu is het gebouw weer voor iedereen toegankelijk. François Pinault zegt er zelf over: “Het zal een plek zijn die openstaat als ontmoetingsplaats tussen kunstenaars, zoals in Venetië, en de meest uiteenlopende doelgroepen, vooral degenen die meestal veraf staan van kunst.” 


De kunst zal verspreid hangen en staan over 5 verdiepingen, van de studio gelegen op niveau -2 tot en met de 3e verdieping. Voor de openingstentoonstelling is een selectie gemaakt met werken van Sherman, Found, Fisher, Lavier en zelfs Stingel. Ze zijn te vinden in 7 galerijen aan de rand van de rotonde. 


Voor kunstliefhebbers een nieuwe artistieke ontdekkingstocht. Voor de liefhebbers van Parijse schoonheid de moeite waard om een kijkje te nemen. Want ook het gebouw zelf is de moeite waard. Makkelijk te bereiken met de metro en RER, want Bourse de Commerce is bijna letterlijk boven het grootste metrostation van de stad: Les Halles. 

Vélodrome d’Hiver : de geschiedenis van een gebouw

 

1924

Hij had zelfs geprobeerd zijn haar hetzelfde te krijgen als Jean Ces. Als hij er later met een tedere glimlach aan terugdacht wist hij nog altijd niet waarom hij zich zo had verloren in deze Franse bokser. Toen leek het niet meer dan een grill, een kortstondige flirt. Maar als jongen was het hem menens: hij droeg de foto van Ces mee in zijn boekentas, naast zijn etui, agenda en schoolschriften. Hij zat net een jaar op het Collège. Het waren de Olympische Zomerspelen. Parijs was één groot pretpark van tientallen sporten. En hier in het fameuze Vélodrome d’Hiver, waar normaal de wielercoureurs rond zoefden, vochten de boksers uit wie de beste van het toernooi was. Zijn vader had hem meegenomen. Voor zover mogelijk maakte de immense hal een nog grotere indruk op hem dan de stoere, dansende mannen in de ring. Onuitwisbaar zou die indruk worden. In de schaduw van de Eiffeltoren, ook zo’n ongelofelijke verwezenlijking van de Fransen. Op de hele wereld bestond er geen stad zoals Parijs, daar was hij van overtuigd.

 

1942  

Het vreemdste was dat er geen aanwijsbare reden voor was. Het deed hem denken aan de boeken van Kafka, de schrijver uit Praag die hij zo graag las. Oké, misschien waren zij anders dan anderen, dat was zelfs zichtbaar gemaakt door die gele ster op hun jas. Maar deze stap had hij zich nooit kunnen voorstellen. Was dat naïef? Nee toch. Ze waren boven alles beschaafd en aangepast. Onderdeel van de samenleving, van het geciviliseerde Parijs. Hij was niet meer in dit gebouw geweest sinds die ene fameuze bokswedstrijd. 18 jaar daarvoor. Hij had nooit kunnen bevroeden dat hij hier terug zou keren onder deze bizarre, onwezenlijke omstandigheden. Zoveel dingen die hij zich als weldenkend mens niet kon voorstellen de laatste tijd. Wat was er aan de hand? Waar ging het heen? Zijn vrouw hield hij dicht bij zich. Zijn dochtertje van 6 en 2 kleinere zoontjes verloor hij geen moment uit het oog. Het was hartje zomer. Duizenden en duizenden mensen stonden, zaten, lagen opeengepakt. Samen met hun koffers. Zwaar bewaakt door de politie; het was hen menens. Enkele Quakers en mensen van het Rode Kruis deelden wat brood en water uit. Sanitaire voorzieningen waren er amper. De volgende dag zouden ze opgehaald worden, werd er beweerd. Anderen geloofden daar niets van. Hij zelf herinnerde zich het Vélodrome d’Hiver veel groter.

 

1959

Hij voelde het in zijn buik. Al dagen. De datum was met rasse schreden dichterbij gekomen. 12 mei. Hij had er lang over nagedacht: zou hij gaan? Iets in hem zei dat hij moest gaan. Hij was het verplicht aan zijn vrouw, zijn dochter en zijn 2 zoons. Dat hij hier alleen stond, daarvoor schoten woorden in alle talen tekort. Slechts 400 van de 13152 waren teruggekeerd. Een kunstenaar met een opvallende snor stond in het midden van de massa. Hij gebruikte grootse gebaren. Het leek hem menens. Alhoewel met Salvador Dali wist je het nooit zeker. Waar ging zijn ernst over in spel? Hij had een kleine Eiffeltoren bij zich. Die bracht hij tot ontploffing. De prins van het surrealisme noemde dat symbolisch voor het einde van het Vélodrome d’Hiver. De sporttempel van weleer was nooit meer hetzelfde geweest na de bevrijding. Hoe had men door kunnen gaan met sporten en Holiday On Ice in deze macabere hal? Het gebouw kon er zelf niets aan doen, maar het was voor altijd gebrandmerkt. Na zo veel jaren deed de bulldozer eindelijk zijn werk. 

 

1995

Onder en langs zijn keppeltje was geen haarsprietje meer te vinden. Zijn laatste grijze haren waren uitgevallen. De eeuw was bijna voorbij. Intussen behoorde hij qua ouderdom tot de sterksten. De plek waar hij nu was herinnerde in niets meer aan het Vélodrome d’Hiver dat hier ooit had gestaan. In het midden van een mensenmassa stond de nieuwe president van de republiek. Met zijn bekende intonatie maakte deze oud-burgemeester van Parijs zijn excuses. Het was hem menens. Het was de staat menens. Een plakkaat dat jaren later onthuld zou worden zei dat vanaf hier 2916 vrouwen waren weggevoerd om nooit terug te keren. Eén vrouw kende hij als geen ander. Hoe jong waren ze ooit geweest? 4115 kinderen waren nooit meer teruggekeerd. Drie daarvan had hij zelf verwekt. Nu, op deze zomermiddag, waren ze in hun afwezigheid meer dan ooit bij hem. 

In de gevangenis, uit de gevangenis (Sarkozy)

De gevangenis heet La Santé. Ooit zaten hier 2000 mensen vast. Op de binnenplaats van de penitentiaire instelling uit 1867 stond lange tijd een guillotine, die tot begin jaren 1970 is gebruikt. Deze gevangenis op de grens van het 13de en 14de arrondissement, pal naast het fraaie Butte aux Cailles, is de laatste binnen de Périphérique van Parijs. Alle andere inrichtingen, waarvan 2 de grootste van Europa zijn, vind je terug in de banlieue. Uiteenlopende bewoners zijn tijdelijke passanten geweest in deze gevangenis, waaronder de militair Alfred Dreyfuss, dichter Guillaume Apollinaire en Heinekenontvoerder Willem Holleeder. De één al langer dan de ander. Er is onlangs een nieuwe bewoner overgebracht naar La Santé. Zijn naam? Nicolas Sarkozy. 


Voor het eerst sinds 1945 zit er een oud-leider van Frankrijk in de gevangenis. De vorige was maarschalk Philippe Petain, de held van Verdun in de Eerste Wereldoorlog. In de Tweede Wereldoorlog collaboreerde hij met de bezetter en was hij leider van Vichy Frankrijk. Hij werd ter dood veroordeeld. Dat verdict werd ternauwernood omgezet in levenslang. Hij was immers al 90 jaar oud.


Nu zit (of eigenlijk: zat) er een andere leider ‘te brommen’ om een hele andere reden. Sarkozy werd niet hartelijk ontvangen door medegevangenen. Ze hielden hem wakker door hem de hele nacht door allerlei verwensingen toe te schreeuwen. Op sociale media gaan hier filmpjes van rond. En dat terwijl hij in een vip-gedeelte van de gevangenis zit. Dat is weliswaar onvergelijkbaar met het geprivilegieerde 16de arrondissement waar hij woont, maar toch… Hij kreeg 2 keer per week bezoek, dagelijks mocht hij op de binnenplaats een luchtje scheppen, samen met 3 beveiligers. Hij beschikte over een eigen badkamer en een eigen kookplaats. Hij nam 2 boeken mee, waaronder De Graaf van Monte Christo van Alexandre Dumas. Dat avonturenboek gaat over iemand die onterecht veroordeeld is, een slachtoffer van politieke spelletjes. Daarin spiegelt Sarkozy zich. De kans dat hij, net als in dit boek, gaat ontsnappen lijkt me vrij klein.


De reden dat Sarkozy gestraft wordt is niet zoals bij Petain landverraad. De oorzaak moet eerder in de richting van corruptie gezocht worden. In 2005 bracht Sarkozy in de functie van minister van Binnenlandse Zaken een bezoek aan Libië. Daar ontmoette hij Khadaffi. Sarkozy vroeg hem financiële steun voor zijn presidentscampagne van 2007. In ruil voor steekpenningen zou de Franse leider Khadaffi verdedigen. Hij was verantwoordelijk voor 2 aanvallen op Europese vliegtuigen. Pikant detail: bij de aanslag waren ook Franse burgers te betreuren. Toen Sarkozy in 2007 de verkiezingen won was Khadaffi de eerste buitenlandse gast die werd ontvangen in het Élysée. 


Die zaak met Khadaffi zat in de doofpot. Totdat Sarkozy een foutje beging. In 2011 was er een opstand in Libië. Sarkozy gaf geen steun aan Khadaffi. Dat was tegen het zere been van de dictator en de deal is op straat komen te liggen. Zijn zoon getuigde op de televisie dat ze 50 miljoen euro aan Sarkozy hadden overgemaakt. De Franse president hield zich niet aan zijn woord en dat is hem duur komen te staan.


Momenteel loopt er in Frankrijk de discussie over dit proces. Die zou politiek gemotiveerd zijn. Wie zegt dat? Sarkozy zelf natuurlijk (en zijn vrouw Carla Bruni). Maar ook Marine Le Pen – die zelf is veroordeeld (voor een transactie van Europees geld in partijkas). 20 tot 40% van de Fransen vindt dat de rechters in Frankrijk politiek gekleurd zijn. De verontwaardiging onder de bevolking neemt toe. Van de 6000 rechters zijn er 900 bedreigd. Ook onderzoeksrechters in Sarkozy’s zaak zijn met de dood bedreigd.


Aantijgingen aan het adres van Franse presidenten zijn altijd aan de orde van de dag geweest. Jacques Chirac bijvoorbeeld verdeelde onder zijn naaste adviseurs Parijs’ ontroerend goed dat niet op de markt stond. De president heeft heel veel macht in Frankrijk, hij staat boven de partijen. De president doet zelf het buitenlandse beleid en hij kan op ieder gewenst moment de premier vervangen. Is dat een weeffout in de grondwet van de 5de Republiek, die door Charles de Gaulle is opgezet? De vorm is belangrijker dan de inhoud in Frankrijk. Dat wat er nu gebeurt met Sarkozy is een smet op een blazoen van de Republiek. Maar misschien ook een consequentie van het systeem.


Tot slot: nog een klein ironisch feitje: Sarkozy heeft ten tijde van zijn eigen presidentschap een wet ingevoerd waarbij men voortaan niet meer de straf of hoger beroep in vrijheid mocht afwachten, maar in de gevangenis. Hij heeft dus de bedenkelijke eer gehad om van zijn eigen wet te mogen proeven.

 

Informatie ontleend aan : Nieuwsweekend, 25102025

Charles de Gaulle, een politicus van nu

Sinds de dreiging uit Oost-Europa worden we dagelijks overspoeld met analyses over hoe onze toekomst eruit gaat zien. En hoe angstig we zouden moeten zijn voor ons dagelijkse leven. Moeten we hier in Frankrijk minder bang zijn? Het land is immers een kernmacht. Frankrijks president Emmanuel Macron maakt zich opnieuw sterk om boven Europa een soort afweerparaplu te hebben (zoals de Amerikanen het Star Wars-project hadden ten tijde van Ronald Reagan in de jaren 80). Dan kan ons ‘niets’ gebeuren. Desnoods mag heel Europa onder dat schild. 


Macron bepleit al sinds zijn aantrede als president in 2017 voor een veilig Europa. En Frankrijk zou hierin een belangrijke rol kunnen spelen. In de afgelopen jaren kreeg hij nauwelijks weerklank uit andere Europese landen. Maar sinds enkele weken - lees: sinds Trump in het Witte Huis zit - is hier danig verandering in gekomen. Eén persoon bij uitstek is een inspiratie voor Macron. Dat is zijn voorganger Charles de Gaulle. In Macrons politiek programma, Revolutie, is de Gaulle een leidend figuur. Macron ziet hem als een lichtend voorbeeld aangaande de positionering van Frankrijk. De Gaulle zag Frankrijk altijd als een soevereine republiek. Een gedachte die Macron ook omarmt. Frankrijk moet zelfbewust en onafhankelijk in de wereld staan, èn in Europa. Macron ziet zichzelf graag als visionair - net als De Gaulle.


De Gaulle kwam uit de Tweede Wereldoorlog als een soort vader des vaderlands. Frankrijk was deels bezet geweest en een deel collaboreerde met nazi-Duitsland (Vichy Frankrijk). Generaal De Gaulle week uit naar Londen en vanuit de Engelse hoofdstad heeft hij het andere Frankrijk op de politieke kaart gezet. Bij de bevrijding van Frankrijk groeide hij uit tot het gezicht van het vrije, zelfstandige, onafhankelijke, zelfbewuste Frankrijk. Die houding is de basis van zijn politieke carrière geworden. Zeker toen hij in de jaren 50 terugkwam als president van het land. Hij hamerde op een Franse Renaissance van een zelfbewust, onafhankelijk Frankrijk. De Gaulle zelf belichaamde die Renaissance. 


Dat gold ook voor de voortrekkersrol van Frankrijk in Europa. Frankrijk was in de jaren ‘50 één van de 6 oorspronkelijk landen van de latere Europese Unie. Samen met Duitsland was Frankrijk een bepalende factor en dat straalde De Gaulle ook uit. Dat werd hem niet altijd in dank afgenomen. Bij dat zelfbewustzijn hoorde een kernmacht. De Gaulle had heel vroeg in de gaten wat de potentie was van een atoommacht. Hij had vooruitstrevende ideeën en na de Tweede Wereldoorlog kwamen die terug in zijn visie over atoombewapening. Eind jaren ‘50 kreeg dat weer een impuls. Die impuls werd gedragen door het idee van Frankrijk op eigen kracht. Bovendien wantrouwde De Gaulle Amerika. Tijdens de oorlog had hij een bijzondere slechte band met president Roosevelt gehad. De Engelse premier Winston Churchill moest regelmatig bijspringen tussen die 2. Door deze onzekere situatie hamerde hij altijd op de autonomie van Frankrijk.


De Gaulle zag heel snel in dat je niet over dat soort wapens openlijk hoort te spreken. Het zijn zogenaamde unspeakable weapons. De Gaulle begreep al snel dat als hij er enkele heeft dat dat Frankrijk als een autonome staat zou beschermen. Al is het maar een afschrikmechanisme, dat was genoeg. Hij hoefde er geen duizenden te hebben, enkele honderden waren al voldoende voor hem. De Gaulle was in zijn tijd een visionair èn een realist tegelijkertijd.


Het is deze renaissance-gedachte die Macron leent van Charles De Gaulle. Het bewustzijn van de autonomie. Op een vergelijkbare manier wil Macron Frankrijk in die toekomst projecteren zoals De Gaulle dat deed na de Tweede Wereldoorlog. Met panache, met moed. Daarin is Charles de Gaulle een blijvende invloed op de Franse politiek èn veiligheid in de 21ste eeuw. Of het ook deze keer voldoende is… we zullen het zien.

 

Deze analyse komt niet uit mijn eigen mouw, maar is geciteerd uit het programma OVT: Charles de Gaulle’s vooruitziende blik - Charles de Gaulle’s vooruitziende blik - VPRO