Architectuur : Art Déco en Modernisme - Palais de Chaillot
Op een minder bekend landschapsschilderij van Vincent van Gogh, dat hij maakte toen hij zich bij zijn broer in Montmartre vestigde, zie je in de verte een stompje. Dat stompje zou nu een hogere driehoek-achtige toren zijn. Die toren was in die periode 1886-1888 in aanbouw. Wat we op dat schilderij zien is een paleis gebouwd voor de wereldtentoonstelling van 1878: Palais du Trocadéro.
Dat klassiek uitziende gebouw, een soort paleis, moest enkele generaties later het veld ruimen voor moderne architectuur. Een stijl die in de jaren 1930 helemaal in zwang was: Streamline Design, een variant op Art Déco.
Parijs organiseerde in 1937, onder de dreiging en malaise op het continent, opnieuw een wereldtentoonstelling. De laatste tot op heden. De sierlijke architectuur uit de 19de eeuw had plaatsgemaakt voor de minimalistische vormen van het interbellum. Het gebouw dat, naast Palais de Tokyo de meeste aandacht trok was Palais de Chaillot. Strakke, geometrische vormen kenmerken het gebouw. De kleur van het gebouw lijkt op de Haussmanniaanse steen, gebroken wit.
Het Palais de Chaillot bestaat uit 2 aparte delen met een esplanade ertussen. De architecten van het gebouw, Louis-Hippolyte Boileau, Jacques Carlu en Léon Azéma, wilden de originele vleugels van het Palais de Trocadéro in de nieuwbouw waarborgen. De grote centrale hal en de twee torens van het Palais du Trocadéro werden daarentegen neergehaald en gesloopt. Wat overbleef heet sindsdien de Esplanade du Trocadéro, het mooiste uitkijkpunt op de Eiffeltoren aan de overkant van de Seine.
3 jaar na de oorlog, het ‘paleis’ was amper 10 tien jaar oud, werden op 10 december in dit gebouw de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ondertekend door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Misschien herinner je je het gebouw ook nog wel van de openingsavond van de Olympische Spelen 2024. In het decor van Palais de Chaillot zong Celine Dion deze avond de legendarische status in. Even later was het Emmanuel Macron die het sportfestijn hier officieel voor open verklaarde. Onder Palais de Chaillot ligt een vijver met fonteinen. Die waren tijdens de Spelen afgedekt, omdat de organisatie hier een fanzone had geïnstalleerd. Voor de Vlamingen: Palais de Chaillot fungeerde als achtergrond voor wielercoureur Remco Evenepoel toen hij zijn fiets optilde na de winst op de wegwedstrijd.
Ook het is de moeite waard om de gebouwen binnen te gaan. Met de Eiffeltoren in je rug vind je in de linkervleugel het Musée de l’Homme, een etnologisch museum. Alles over de mens. Ik herinner me nog een tentoonstelling over de menselijke eetconsumptie en -tradities; van jagen en verzamelen tot supermarkten en McDonalds. In de andere vleugel kunnen we de Cité de l'Architecture et du Patrimoine vinden. Het architectonische verhaal van de Romaanse stijl tot aan de megalomane plannen uit de 20ste eeuw, inclusief grote architectonische schatten uit de Middeleeuwse periode, is zeker de moeite waard. Want je krijgt ook nog één van de mooiste uitzichten op de Eiffeltoren. En daar raakt iedereen, hoe volwassen, gestudeerd en intellectueel we ook mogen zijn, vertederd van en haalt zijn of haar mobiel voor de dag voor een foto. En dat is de magie van Parijs.
Architectuur: Sacre Cœur – byzantijnse stijl
De Sacre Coeur staat ook wel bekend als ‘die witte kerk’. Dat komt – uiteraard – door de kleur van het gebouw. Dat heeft weer alles te maken met de bijzonder steensoort.
De steen die voor de constructie is gekozen, is niet de traditionele "Parijse steen" (een beige, geelachtige Lutetische kalksteen), maar een lacustriene kalksteen (een extreem fijnkorrelig wit gesteente) uit de steengroeven van Château-Landon en Souppes-sur-Loing.
Deze kalksteen werd door architect Paul Abadie gekozen vanwege zijn zachtheid en zelfreinigende eigenschappen bij contact met water. Travertijn is kalksteen en produceert bij regen een wit kalklaagje aan de buitenkant, waardoor de basiliek zeer wit van kleur blijft, ondanks het vuil en het roet van de stad. Het bewijs hiervan zie je op twee plekken als je voor de basiliek staat. Onder de bruine, roestige ramen zie je plekken van dezelfde kleur op de witte steen. En in het midden zie je 2 standbeelden staan in een turquoise kleur. Diezelfde groenblauwe tint loopt uit op de witte buitenstenen.
Over de opvallende beelden gesproken: het beeld links toont de Heilige Lodewijk IX, koning in de 13de eeuw, die zijn zwaard in de ene hand en de kroon van Christus in de andere hand houdt (dit beeld verving dat van Sint Joris in 1891), en de doornenkroon. Rechts van hem zien we Jeanne d'Arc (dit beeld verving dat van Sint Martinus in 1925). De Maagd van Orleans leidde tot een controverse, omdat men de boerin vechtend met een zwaard wilde afbeelden. De Monumentencommissie stond erop dat ze in een harnas werd getoond, zoals gebruikelijk was. Dankzij deze 2 figuren werd Sacre Coeur nog meer een nationaal symbool.
Aan de achterkant vinden we de campanile, een immense vierkante toren die in 1914 werd voltooid en dienstdoet als klokkentoren. Hierin hangt de grootste klok van Frankrijk. Deze klok, genaamd La Savoyarde, werd in 1895 in Annecy gegoten door de gieterij van de gebroeders Paccard. Hij heeft een diameter van 3 meter en weegt 18.835 kg. Als nationalistisch symbool dat herinnert aan de annexatie van Savoye, werd de klok door de 4 bisdommen van Savoye aan de basiliek geschonken en arriveerde op 16 oktober 1895 op de heuvel, een Parijse
gebeurtenis.
De eclectische stijl van het gebouw, gekozen door de Franse architect Paul Abadie, is geïnspireerd op de romaanse en byzantijnse architectuur. Denk daarbij aan de kathedraal
Saint-Front in Périgueux, de Hagia Sophia in Istanbul en de Basiliek van San Marco in Venetië. Abadie was vooral gespecialiseerd in kerken in neostijlen en werkte veel samen met Viollet-le-Duc, die in de 19de eeuw de Notre Dame restaureerde. Abadie maakte het begin van de bouw weliswaar mee, maar overleed in 1884 – decennia voordat de bouw van de basiliek werd afgerond.
Indirect hebben we de Sacre Coeur te danken aan de Duitsers. Zij vielen in september 1870 Frankrijk aan. Bij de Frans-Duitse oorlog vielen 58.000 doden. Ter herdenking van deze slachtoffers besloten de Franse katholieken een grote basiliek op de Montmartre te laten plaatsen. Eerst zou voor de bouwkosten een nationale inzameling worden gehouden. Er zijn volkslegenden die vertellen dat de prostituées van Montmartre substantieel hebben bijgedragen aan de bouw van de basiliek. Later besloot het Franse parlement dat het project een staatsaangelegenheid moest worden, door de staat betaald. De eerste steen werd in 1875 gelegd, de bouw duurde tot 1914. De totale bouwkosten bedroegen 40 miljoen Franse frank. Pas na de Eerste Wereldoorlog, op 16 oktober 1919, werd de kerk ingewijd. Zij werd gewijd aan het Heilige Hart van Jezus.
Lavirotte : de mooiste gevel van Parijs ?
Eerlijk is eerlijk, het begon in Brussel. Met Victor Horta. Samen met de Belgische hoofdstad èn Wenen was Parijs het centrum van de Art Nouveau-beweging.
Eén van de absoluut mooiste exemplaren van de Judgenstil in Parijs is het huis van Lavirotte. Dat vind je niet terug in het flamboyante 16de arrondissement, rijk aan vele Art Nouveau-residenties. Nee, Lavirotte staat in Avenue Rapp, in de schaduw van de Eiffeltoren.
Het gebouw werd in 1900 ontworpen door architect Jules Lavirotte voor de keramist Alexandre Bigot. Lavirotte gebruikte verschillende innovaties bij de constructie van het gebouw. Sommige muren werden gebouwd met een vroege vorm van gewapend beton. De bakstenen waren hol; nadat ze waren geplaatst, werden er metalen draden of staven doorheen getrokken om ze vast te zetten en vervolgens werden ze gevuld met beton. Daarnaast bouwde Lavirotte de muren in twee lagen met een luchtspouw ertussen, om een effectievere geluidsisolatie te verkrijgen.
En dan de gevel ! Bigot kon zich helemaal uitleven op de keramische decoraties. Beeldhouwers Théobald-Joseph Sporrer, Firmin Michelet, Alfred Jean Halou en Jean-Baptiste Larrivé vereeuwigden hun inspiratie in de sculpturen. De prachtige gevel won in 1901 zelfs een prestigieuze wedstrijd, de Concours de façades de la ville de Paris. Deze competitie was in het leven geroepen om Parijse architecten aan te moedigen afstand te nemen van het overheersende model van Georges-Eugène Haussmann. De volgende generatie vond dit te eentonig. Bij de toekenning van de prijs aan Lavirotte verklaarde de jury: “Het geheel van de gevel, dat een zeer aangenaam effect teweegbrengt, draagt zeker bij aan de verfraaiing van de statige boulevard waar het gebouw is gebouwd.” Lavirotte won de prijs nóg twee keer, onder andere voor het Ceramic Hotel in 1905.
De gevel van de begane grond en de eerste verdieping is relatief eenvoudig gedecoreerd in vergelijking met de bovenverdiepingen. Het middelpunt is de extravagante deuropening, omlijst met beelden van Adam en Eva, een vrouwenhoofd (naar verluidt van Lavirottes vrouw, de schilderes Jane de Montchenu) en plantaardige motieven. De deuren zijn versierd met smeedijzeren hagedissen. De ramen van de begane grond zijn rijk gebeeldhouwd. De bovenverdiepingen zijn volledig bekleed met geglazuurde en gekleurde keramische tegels, met weelderige sculpturale decoraties, bestaande uit plantaardige en dierlijke thema's, waaronder 2 stierenhoofden. Verder zien we gebogen ramen, kronkelende smeedijzeren balustrades en pittoreske balkons.
Sommige waarnemers beweren veel erotische elementen in de gevel te hebben ontdekt, waaronder Adam en Eva, en een veelheid aan fallische symbolen. Zoals de gebeeldhouwde ijzeren hagedissen op de deuren - Parijs jargon voor het mannelijke geslachtsdeel. En wat denk je van de vorm van de voordeur die volgens sommigen de vorm van een vrouwelijk geslachtsdeel heeft.
Het Lavirotte-gebouw werd in 1964 aangewezen als historisch monument.
Architectuur: Eiffeltoren
Zakenman en ingenieur Gustave Eiffel had intussen al verschillende bruggen van staal gebouwd. Het nieuwste van het nieuwste materiaal. Hij had daarmee zoveel vertrouwen vergaard dat hij zich opmaakte voor een ambitieus plan: de hoogste toren ter wereld. Hij was er klaar voor. Hij wel, maar de overheid zag het als een heikel project. Daarom investeerde Eiffel zelf 80% en de gemeente Parijs de overige 20%. Daarmee zou Eiffel eigenaar worden van zijn eigen toren. Het zou een bijzonder lucratieve investering blijken.
Als ontwerpers trok hij ingenieurs Maurice Koechlin en Émile Nouguier aan. 26 maanden hadden ze nodig om een 300 meter hoge toren te bouwen. Iets meer dan 2 jaar. Begin 1889 was hij klaar. 100 jaar na de Franse Revolutie. De toren was het pronkstuk op de Exposition Universelle. De wereldtentoonstelling was intussen de 4de in zijn soort die werd gehouden in Parijs. De Eiffeltoren werd het toonbeeld van het land dat nog altijd wilde meetellen na de smadelijke nederlaag tegen Duitsland in 1870. Met zijn koloniën en grondstoffen sprak Frankrijk een woordje mee op het wereldtoneel. Dat zouden ze hier laten zien. Naast de Eiffeltoren was er een veld volgebouwd met paviljoenen en machinekamers, waar een groot deel van de wereld zichzelf promootte. 2 miljoen bezoekers kwamen er op af. Een gigantisch succes.
Toch besliste de gemeente na afloop om de toren neer te halen. Ze was immers bedoeld als een tijdelijke attractie. Ook criticasters waren niet mals en stuurden een petitie om dat gedrocht uit de skyline te krijgen. Onder andere de handtekening van de gevierde architect Charles Garnier, die van de Opéra, stond onder deze noodbrief. Eén van de redenen voor de kritiek was het materiaal. Ijzer was geen edelmetaal; de oude Grieken en Romeinen hadden dat nooit gebruikt. In de traditionele 19de eeuw telde dat zwaar. Dat was allemaal buiten Gustave Eiffel gerekend. Hij was eigenaar was zijn eigen constructie en dus ging hij in verzet. Hij betrok ostentatief een appartementje in zijn eigen toren. In de nok! Minstens 1700 treden omhoog. Nog altijd vind je op de top een replica van zijn hutje met een pop die meneer Eiffel moet voorstellen. (Vandaag de dag is de Eiffeltoren in het bezit van de gemeente Parijs.)
De Eiffeltoren was bedoeld voor de expo van 1889, eigenlijk één seizoen en was gebouwd voor maximaal enkele jaren. We zijn nu 137 jaar verder. Zij staat er nog altijd. Hoe lang nog? Want technisch lijkt de toren wel aan haar limiet te komen. Enkele jaren geleden verscheen een vernietigend rapport. De Eiffeltoren is van top tot teen roest. In 2024 kon de toren rekenen op een cosmetische opknapbeurt voor de Olympische Spelen. Die kostte 60 miljoen euro! Maar dat is niet voldoende voor de komende generaties. “Als Gustave Eiffel deze plek zou bezoeken, zou hij een hartaanval krijgen”, aldus een manager van het bestuur. Zoals meestal is onderhoud intensiever en duurder dan de realisatie. Eiffel heeft ook in zijn nalatenschap meegegeven dat verven essentieel is. Minstens om de 7 jaar. “Verf is het essentiële ingrediënt voor de bescherming van een metalen constructie en de zorg waarmee dit gebeurt, is de enige garantie voor de levensduur ervan”, schreef hij destijds.
In 2010 werd in een rapport geschreven dat er een volledig nieuw onderhoudsbeleid moet komen dat gericht is op het testen van de verouderende metalen structuur. 4 jaar later werden er scheuren en roest vastgesteld, en in 2016 ontdekte autoriteiten 884 gebreken, waaronder 68 die een risico zouden vormen voor “de duurzaamheid” van de structuur.
In 2026 is men begonnen met een grootschalige restauratie. Hopelijk duurzaam genoeg voor de rest van de eeuw.
Architectuur: Opéra Garnier
Een van de pronkjuwelen van Parijs is Opéra Garnier. Je zou kunnen zeggen dat dit gebouw, gebouwd tussen 1862 en 1874, het Belle Epoque inluidde. De Opéra, waar vooral ballet wordt opgevoerd, is genoemd naar de architect, Charles Garnier. Hij liet 170 andere kandidaten, waaronder gedoodverfde namen als Violet Le Duc en Henri Parent, achter zich.
Garnier was geïnspireerd door Michelangelo's benadering van de Sint-Pieter in Rome. Zeer symmetrisch – typisch voor de Parijse benadering. Met een oppervlakte van 12.000 m² was Opéra Garnier tot 1970 de grootste in zijn soort. Het enorme auditorium biedt plaats aan ongeveer 2.000 toeschouwers.
In welke stijl was dit pronkstuk opgetrokken? Eugenie, de laatste keizerin van Frankrijk, vroeg zich dat ook af: “Wat is deze stijl? Het heeft geen stijl!... Het is noch Grieks, noch Lodewijk XIVe, zelfs niet Lodewijk XVIe.” Nee,” zei de jonge architect, “deze stijlen hebben hun tijd gehad. Het is… Napoleon III stijl.’ Deze stijl was eclectisch, een allegaartje van het beste wat de architectuur te bieden had. Geen meter bleef onbenut.
En wat denk je van de kleuren? Binnen kende het gebouw een grote chromatische diversiteit. Garnier ging fel tekeer tegen de monochrome appartementen van Haussmann die allemaal beige, gelig, wittig zagen. Het fameuze trappenhuis bestond uit wit marmer (treden), groen Zweeds marmer en 128 balusters in antiek rood marmer.
Ook de Grote Foyer is het vermelden waard. Het ontwerp van deze zaal was geïnspireerd op de galerijen van de 16e-eeuwse Franse renaissancekastelen (het Château de Fontainebleau) en de 17e-eeuwse kastelen (de Apollogalerij in het Louvre, de Spiegelzaal in Versailles). Een gewelfd plafond, beschilderd door Paul Baudry, beeldt de belangrijkste fasen uit de geschiedenis van muziek, komedie en tragedie af en verkent verschillende aspecten van hun specifieke thema's.
Tot in de 19e eeuw waren de foyers vooral het territorium van de heren. Dames ontvingen hun gasten in hun eigen loges. Op de dag van de opening van het Palais Garnier wilde de koningin van Spanje de galerij van de grote foyer bewonderen. Dat was not done. Toch deed ze het. Toen het taboe eenmaal was doorbroken, werd ze onmiddellijk gevolgd door haar directe gevolg, en vervolgens door andere dames uit de high society van die tijd.
Ook een bezoekje aan het auditorium is de moeite waard. De ruimte bestaat uit talloze anekdotes. Zoals de loge met een bronzen plaquette en de tekst "Spook van de Opera-loge". Dit is beroemde loge nr. 5.
En er is het beroemde verhaal van het plafond. De oorspronkelijke panelen toonden de typische zware schilderingen van eind 19de eeuw van Jules-Eugène Lenepveu (De Muzen en de Uren van de Dag en de Nacht). Op een avond in februari 1960 woonde Minister van Cultuur André Malraux de Opera van Parijs bij voor Daphnis et Chloé, een ballet van Ravel. De decors en kostuums waren van de hand van kunstenaar Marc Chagall. Voor Malraux was het moeilijk zijn aandacht bij het stuk te houden. Dus hij begon, je kent dat wel, een beetje om zich geen te kijken. Toen hij rechts en links had gekeken viel zijn oog ineens op het plafond. Wat hij daar zag was een doorn in het oog. Ineens had hij een idee zoals dat in vroegere strips met een brandende gloeilamp werd aangeduid. In de pauze snelde de minister Malraux naar zijn vriend Marc Chagall: “Ik heb een opdracht voor jou!” En zo geschiedde. Chagall was zo genereus om de nieuwe panelen gratis te beschilderen – als cadeau aan het land dat hem decennia daarvoor gastvrij had ontvangen nadat hij uit Rusland was gevlucht.
Het mooie is dat die nieuwe panelen onder de oude zijn geschoven. Dus de originele schilderingen van Lenepveu bestaan nog altijd boven die van Chagall. En daar is sinds enkele jaren een rechtzaak over aan de gang, aangespannen door de erfgenamen van de 19de-eeuwse schilder. Zij willen de oorspronkelijk schildering weer zichtbaar hebben. Hoe lang zal het beroemde werk met de lichte toets van Chagall nog te zien zijn? Wacht niet te lang om te komen bezoeken.
Architectuur: Panthéon (classicisme)
De koning was ziek. Heel erg ziek. Op sterven na dood. Lodewijk XV bad tot de heilige Geneviève en beloofde dat als hij zou genezen hij een kerk voor Sainte Geneviève zou laten bouwen. En zo geschiedde.
In 1757 begon men met de bouw. Dat was geen sinecure. Architect Jacques-Germain de Soufflot was ermee belast, en dat mag je gerust letterlijk nemen. Het project was omgeven met tegenslagen. Geldgebrek, verzakkende funderingen en scheurende muren eisten veel geduld en extra financieringen. En dan overleedSoufflot ook nog voordat het gebouw af was. Zijn directe medewerker Guillaume Rondelet rondde de opdracht af. Enorm vertraagd. Toen het gebouw in 1791 gerealiseerd was leek al het werk voor niets. Lodewijk XV had het bedoeld als kerk ter ere van de heilige Geneviève. Maar intussen was de Franse Revolutie uitgebroken en die waren fel gekant tegen de Kerk. Het gebouw kreeg een andere doel. De Constituerende Vergadering van de Revolutie liet de kerk omdopen tot ‘Tempel van de Faam’, daar waar hun grote helden moesten worden geëerd en begraven.
Wat is er zo bijzonder aan de architectuur van het Panthéon?
Het Panthéon is het belangrijkste bouwwerk van zijn tijd. Het gebouw was het startsein van het romantische Neoclassicisme in Frankrijk, waarbij de makers de grootsheid van het oude Rome in het vizier hadden. Panthéon werd ook wel gezien als ‘het eerste voorbeeld van volmaakte architectuur.’ De gigantische koepel kent zijn gelijken met vergelijkbare halve bollen als die van de St. Pieter in Rome, de St. Paul in Londen en de Dôme des Invalides een beetje verder in Parijs. Het gebouw bestond uit een Grieks kruis dat geïnspireerd was op het Renaissance-ideaal. Het dragend element waren niet meer de wanden, maar de zuilen. Het Panthéon is zelfs voorzien van gewapend beton; de voorkant, de porticus, bestaat uit maar liefst 20 zuilen.
De 83 meter hoge koepel wordt gedragen door 4 pilaren op het punt waar het dwarsschip en het schip samenkomen. Die zijn sierlijk gedecoreerd met taferelen uit de rijke Franse geschiedenis. Andere sculpturen, rond de pilaren op de kruising, verheerlijken diverse gebeurtenissen en personen die gelinkt zijn met de waarden uit de Verlichting. Denk hierbij aan de fundamenten voor de nieuwe natie, zoals de vrijheid van meningsuiting, belichaamd door de filosoof Diderot en de Encyclopedisten.
Tot slot, de koepel lijkt verdacht veel op de Saint Paul’s Cathedral in Londen. Ere wie ere toekomst, het Parijse Panthéon is gemodelleerd naar zijn Londense evenknie die al snel 100 jaar ouder is.
En dan heb ik het nog niet eens gehad over al die bekende mensen die in de crypte bijgezet zijn. Daar hebben we het een volgende keer over...
Deels ontleend aan: Geschiedenis van de architectuur. Van de oudheid tot heden.
Spiegelende architectuur : Madeleine + Palais de Bourbon
Als katholiek jongetje in de geseculariseerde jaren ‘80 ben ik allesbehalve bijbelvast. Het is me nooit duidelijk geworden of Maria Magdelena de hoer uit het nieuwe testament was of niet. Misschien wordt zij verward met Maria van Bethanië. Hoe dan ook, Magdalena vertalen we in het Frans naar Madeleine. Er is een belangrijke kerk naar haar vernoemd. (En een cakeje.) De kerk heet église Madeleine. Eén van de belangrijkste voorbeelden van neoclassicistische architectuur.
Claude-Nicolas Ledoux was de architectonische paus van deze stijl die bekend staat om haar eenvoudige, geometrische vormen, regelmatige patronen, die toch expressief zijn. In het Frans wordt dat ook wel parlant genoemd, de zelf sprekende architectuur. Hij ontwierp ook hele nieuwe steden, die zo rond en geometrisch waren als de ronde bomen in de tuinen van Versailles. De maakbaarheid van de werkelijkheid. Typisch Frans. Het tijdperk kennen wij vooral van de pruiken, kniebroeken en hoepeljurken. Ledoux werd hofarchitect en zijn carrière duurde voort tot de Franse Revolutie. Ik vraag me af waar ik die naam, Ledoux, toch van ken. Van de vermaledijde belastingmuur die Parijs omringde tussen 1785 en 1860. Ook dat is zijn werk.
Deze Ledoux-stijl vinden we terug in de 52 Korinthische zuilen van ieder 20 meter hoog om de Madeleine kerk. Hiermee lijkt het gebouw op een Griekse tempel. Het teruggrijpen op de klassieke oudheid is typisch voor de 18de eeuw. In navolging van de Verlichting en het rationalisme heerste de formalistische stijl. Deze omgeving in Parijs - het 8ste en het 2de arrondissement - staat er vol mee. Denk aan Palais Royal, la Bourse (Palais Brongniart) en de Bank van Frankrijk.
De eerste steen van de nieuwe kerk, speciaal voor Magdelena, werd gelegd op 3 april 1764. Maar er kwam een kink in de kabel tijdens de Franse Revolutie. Napoleon wilde er een tempel installeren ter ere van zijn soldaten. Ook daar kwam een streep door. Uiteindelijk werd de bouw voortgezet en was in pas 1842 af. 3 jaar later werd het de parochie voor de superrijken die in de omgeving van Honoré woonden, waaronder de president in het Élysée.
Het fronton boven de zuilen is van Henri Lemaire en toont het laatste oordeel. Die voorgevel van de kerk spiegelt zich vrijwel volledig aan het gebouw aan de andere kant van de as. De Madeleinekerk grenst aan Place de la Concorde. Dit plein is het hart van een kruis, zoals die in de meeste kerken hangt. De lange poot is de Champs-Élysées in de richting van het Louvre en daarop kruist een ‘lat’ van Rue Royal tot aan de andere kant van de Seine. En daar staat een net iets ouder gebouw dat de Madeleinekerk perfect spiegelt: Palais Bourbon. De onweerstaanbare symmetrie is Parijs op z’n best. En allesbehalve toeval.
Dit gebouw - genoemd naar de dochter van Lodewijk XIV, de hertogin van Bourbon, voor wie het gebouw bedoeld was - is nóg meer neoclassicistisch dan de église Madeleine aan de overkant. Niet minder dan 4 architecten hebben er aan bijgedragen. Voor de liefhebbers: Giardini begon met de bouw in 1722, Lassurance zette de bouw voort na het afhaken van eerstgenoemde en Aubert en Gabriel voltooiden het paleis in 1728.
Na die eindeloos chaotische periode van de Franse Revolutie werd in 1798 de functie van het gebouw voorgoed bepaald: Assemblée Nationale. Palais Bourbon werd het politiek belangrijkste gebouw van het hele land. Nederlanders vertalen het als de “Tweede Kamer van Frankrijk”.
Als een tweeling kijken de Madeleinekerk en Palais Bourbon elkaar aan. Als je voor de obelisk op Place de la Concorde staat, kun je ze allebei bewonderen. Je staat dan aan de voet van de Champs Élysées. Een pirouette zorgt voor een panoramafoto. Dat is zeer indrukwekkend.
Architectuur uit de Renaissance: het Louvre
Als mensen mij vragen hoe lang men erover gedaan heeft om het Louvre te bouwen kan ik niets anders antwoorden dan dat het gebouw organisch is gegroeid door de eeuwen heen.
Dat ligt als volgt. In de 13de eeuw hield Parijs op aan de westkant waar nu het Louvre ligt. De koning – Philips II Auguste – ging op kruistocht en hij wilde zijn volk beschermen. Vandaar dat hij een muur om de stad liet bouwen. De voornaamste vijand kwam van de westkant. Dat waren de Engelsen. Dus die kant van de stadsgrens moest extra bewaakt worden. Vandaar dat de koning hier een fort liet bouwen. Dat was de eerste incarnatie van het Louvre.
Dat fort hield langer stand. Omdat op het eiland het leven van de koning, door aanhoudende weerstand van de stedelingen niet altijd gegarandeerd kon worden, was hij aan de buitenkant veiliger dan op Île de la Cité. Daarom gingen vanaf Karel V, dan hebben we het over halverwege de 14de eeuw, de koningen in het Louvre wonen. Het fort werd wat verfraaid in gotische stijl. Het leek toen nog het meeste op wat je kan noemen een Disney paleis. Dat bleef zo tot de Renaissance. Toen braken er andere tijden aan.
De voornaamste Renaissance koning in Frankrijk was François I. Hij ging altijd mooi gekleed, hij had zijn Italienische Reise gemaakt. In dit land had hij Leonardo da Vinci ontmoet, nodigde de homo universalis uit in Parijs en dus in zijn woning, het Louvre. Leonardo had ook een kleinood bij zich: een schilderijtje waar hij mee bezig was. Dat was een burgervrouwtje uit Italië, La Giocondo. Hij wilde dit graag snel afwerken, maar de geïnteresseerde koning nam (te) veel van zijn tijd in beslag. Uiteindelijk zou Mona Lisa in Parijs blijven.
Het was een opvolger van François I later in de 16de eeuw, Henry II, die echt architecturale hervormingen doorvoerde. Het oudste nu nog bestaande deel van het Louvre dateert uit deze periode. En dan met name één zaal, Salle de Caryatides. Dit deel is halverwege het gebouw, naast de corridor tussen de 2 pleinen van het Louvre. In deze zaal uit 1550 liet Lodewijk XIV Molière voor het eerst optreden, er werden Renaissance feesten gehouden, maar lag ook koning Henry IV hier opgebaard na zijn dood. In deze zaal vind je nu onder andere de jachtgodin Diana en de hermafrodiet terug, evenals de 4 kariatiden en Les Trois Grâces.
Henry IV heeft een aanzienlijke toevoeging laten bouwen, namelijk de Grande Galerie. Ooit bedoeld als vluchtroute om snel in veiligheid te komen. Die lange corridor grensde aan het Tuileriespaleis van Catherine de Medici, de vrouw van Henry II. In de loop van de eeuwen kwam deze gang meer en meer met Renaissancekunst vol te hangen. Maar zowel in de tijd van Henry IV (begin 16de eeuw) als zelfs in de 19de eeuw (denk aan Napoleon III en keizerin Eugenie) moesten royals rennen voor hun leven. Bijvoorbeeld toen de Duitsers in 1870 Parijs omsingelden. Met andere woorden, flanerend langs de Italiaanse Renaissance onderweg naar de Mona Lisa, loop je eigenlijk door een gang waar vele hevige dramatische taferelen zich hebben afgespeeld. Mensen van naam en faam, macht en allure hebben hier in veel te dure kostuums gerend voor hun leven.
Terug naar Lodewijk XIV: hij bouwde het deel om het huidige Cour Carré, de bebouwing rond het gesloten plein. Dan hebben we het over halverwege de 17de eeuw. Terwijl hij volop bezig was met het Paleis van Versailles en de exorbitante tuin eromheen, had hij in het Louvre ook nog projectje: Salle d’Apollon. Over buitensporigheid gesproken. Prachtige zaal vol met goud, marmer, portretten, sterrenbeelden etc. Dat is die zaal waar de halve wereld sinds de diefstal op geconcentreerd is.
De Seinezijde van het Louvre was dus in de 17de eeuw al kant en klaar. Maar de andere kant, langs Rue de Rivoli is uit de 19de eeuw. Napoleon Bonaparte en zijn neefjes Napoleon III zijn hier verantwoordelijk voor. Dit deel, de Richelieu-zijde is dus maar liefst méér dan 200 jaar na de Denon-vleugel gebouwd, maar is perfect symmetrisch! Dat vind ik indrukwekkend. De vleugels lijken als tweelingen op elkaar, alsof ze op dezelfde dag zijn vervaardigd. Omdat de oorspronkelijke 16de en 17de eeuwse architectuur gerespecteerd is, ademt het Louvre de stijl van de Renaissance uit, zowel van binnen als van buiten. Dat geldt ook nog eens voor een belangrijk deel van de collectie.
Architectuur: gotische overvloed
Uiteraard is het niet in één middag gebeurd. Vaak gaan die dingen gepaard met serendipiteit: je fixeert je op iets en ondertussen vind je onbedoeld iets anders uit dat klassiek wordt. Zo moet het ook abt Suger van Saint-Denis zijn vergaan.
De eerste bisschop van Parijs, Dionysius, werd door de heidenen rond 250 ter dood veroordeeld. Hij kreeg zijn laatste rustplaats in een kapelletje in Saint-Denis, een nederzetting naar hem genoemd. Die kapel groeide uit tot een basiliek. Koning Dagobert (603-639) stichtte rond die kleine basiliek een abdij, die zich vooral in de 12de eeuw onderscheidde. Toen leefde in de abdij een ambitieuze abt, Suger, die anders wilde bouwen dan voordien. Vanaf het moment dat hij in het ambt trad begon hij aan uitvoerige verbouwingen aan de abdij van Saint-Denis. Resultaat: een nieuw koor in de jaren 1140-1144.
Uit zijn visionaire architectuur ontstond een bouwstijl die Franse stijl werd genoemd. In de kern bouwde die voort op de Romaanse architectuur en dreef die op de spits. Het schip bleef bestaan en het koor werd groter. De verticale gebouwen – bouwen naar de hemel – behielden hun soliditeit dankzij de spitse (kruis)ribgewelven. De muren werden dunner, maar bleven stevig staan door een hulpmiddel dat uitgroeide tot een typisch element van de gotiek: steunberen. Voor Suger stonden al deze technische details niet op zichzelf, maar hadden ze een precieuze symbolische en mystieke betekenis. De zuilen zag hij bijvoorbeeld als apostelen en profeten, die het christendom dragen, terwijl de sluitsteen, die de top van een boog of gewelf afsluit, in zijn ogen naar Jezus verwijst.
Maar de belangrijkste decoratie was natuurlijk terug te vinden in de ruiten: de vermaarde glas-in-lood-ramen. Omdat men destijds nog geen grote glasoppervlakken kon produceren, werden de vensteropeningen gedicht met kleine stukjes glas die waren gevat in loodstrippen (glas-in-lood). Met gekleurde of gebrandschilderde stukjes glas werden grote voorstellingen gemaakt die meestal krachtige, plechtige kleuren hadden, maar waardoor het kerkinterieur niet helder verlicht werd. Vaak waren bijbeltaferelen afgebeeld op de kleine mozaïeken al dan niet vermengd met een legitimatie van de uitzonderlijke (Franse) koningen. Overigens was het interieur van de kerken in de Middeleeuwen zelf ook heel kleurrijk, waardoor die een fantastische eenheid vormde met de ramen.
De basiliek van Saint-Denis was de eerste ter wereld in zijn soort. De verbouwing wekte heel veel bewondering en de stijl zou de hele wereld overgaan. Eerst Frankrijk, België, Nederland en Duitsland. Maar ook Spanje kent varianten. Zelfs in Amerika krioelt het van de neo-stijlen – veelal uit de 19de eeuw. Het is eigen aan mensen dat de ene generatie de voorgangers eens lekker het graf instampt en zelf de wereld wil veranderen. Dat deed de Renaissancemens ook. Zij moesten niets hebben van hun directe voorgangers, zij bewonderden daarentegen de oudheid. Daarom noemden ze vanaf 1688 de periode voor hen: Middeleeuwen (medium aevum). De sierlijke Franse stijl werd bespot en heette voortaan Gotiek. Volgens architect Giorgio Vasari en zijn collega’s was deze bouwstijl volkomen smakeloos en barbaars. Een typische primitieve Noord-Europese dwaling, die van de door de renaissancekunstenaars zo bewonderde Romeinse vormentaal afleidde. De naam is dus als scheldwoord bedoeld: de Goten golden immers als de aanstichters van de val van het Romeinse Rijk.
Na het succes van de basiliek van Saint-Denis werd midden in de stad Parijs, op het eiland, een soortgelijk gebouw uit de grond gestampt. Men begon in 1163; in 1345 was de Notre Dame volledig afgerond. Men had er bijna 200 jaar aan gewerkt. Dat wil zeggen, langer dan een mensenleven. De bouwvakkers bouwden dus aan een pronkstuk zonder zelf ooit het resultaat te kunnen zien; dan moet je wel een rotsvast geloof hebben gehad. Of je voelde gewoon de plicht om aan je dagdagelijkse brood te voldoen. Alhoewel ik me de trots van dit reusachtige bouwsel wel kan voorstellen. En alsof dat niet genoeg was rees er op 5 minuten afstand nog een ander meesterstuk: het magnifieke Saint Chapelle. In dezelfde stijl. Deze kapel was gebouwd om de relikwieën van Christus op te bergen op een heilige plek. Tegenwoordig staan mensen vooral in de rij om de vitraux muren bestaande uit 15 gigantische ramen te bewonderen, het ultieme toonbeeld van de Gotiek.
Deels ontleend aan: Jan Gympel, Geschiedenis van de architectuur van de oudheid tot heden.
St. Germain en St. Pierre (romaans)
Toen de Romeinen werden verjaagd door de Germaanse stammen, verdween ook grotendeels hun cultuur. Vernietiging gaat nu eenmaal sneller en gemakkelijker dan iets opbouwen. Wat kregen we voor in de plaats? Chaos! Alles stortte in: de economie, de veiligheid, de rechtspraak, de beschaving… het recht van de sterkste regeerde. Overal was moeras en bossen, het landschap was ruig, landbouw was schaars en primitief. We spreken altijd over de duistere Middeleeuwen. Voor de periode tot aan het jaar 1000 kun je dit label inderdaad wel gebruiken. In die periode van neergang zette de kerstening door over het hele Europese continent. Met de verspreiding van het Christendom (Sint Gregorius van Tours, Willibrordus, Bonifatius, Saint Patrick in Ierland…) ontstonden de eerste kapellen die al snel uitgroeiden tot kerken en abdijen.
Volkeren en gebieden verenigden zich meer en meer in rijken onder een koning of keizer. De bekendste is Charlemagne, ofwel Karel de Grote. Zijn standplaats, voor zover de koningen die hadden in de Middeleeuwen, was Aken, maar ook in Parijs kom je verschillende sporen van hem tegen, zoals het robuuste standbeeld op de parvis voor de Notre Dame. Zijn dynastie, de Karolingers, en een eeuw later de Ottonen in Duitsland brachten grotere en grotere kerken, burchten en kastelen voort. Hun stijl ontwikkelde zich tot de romaanse architectuur. Ook in Parijs vinden we dit genre terug.
De term romaans wordt pas gebruikt sinds 1820. De Franse kunsthistoricus Charles de Gerville kwam ermee aanzetten, omdat hij vond dat in de architectuur overeenkomsten te ontdekken waren met de gebouwen van het oude Rome (zoals die te zien zijn in het huidige Italië, Zuid-Frankrijk en Spanje). Voor die tijd, 1820, sprak men van voor-gotisch, Byzantijns of rondbogenstijl. Romaans vindt zijn invloed uit de Karolingische, de Ottoonse, de Romeinse en de Byzantijnse bouwstijl.
In de praktijk betekent dit: dikke muren en kleine ramen. Het is vaak donker in Romaanse kerken. Een mooi voorbeeld daarvan vind je in de oudste kerk van Parijs: église Saint-Germain. Deze kerk is gebouwd in de 11de en 12de eeuw (en is daarmee ongeveer 200 jaar ouder dan de beroemde Notre Dame). De Heilige Germanus was bisschop in de 6de eeuw (overleden in 576 na Christus) en is hier begraven. In diezelfde tijd besloot men een kapel te bouwen, daarop een kerk en in de volle Middeleeuwen een heel klooster eromheen. Daar vond je onder andere de belangrijkste bibliotheek in West-Europa. Dit was echt een religieus en intellectueel bolwerk, dat verschillende malen slachtoffer werd van de agressie van de Vikingen. Het meest authentieke deel van de overgebleven kerk is rechts na de ingang. Daar vind je echt het zuivere romaanse deel: heel sober met kleine ruiten en hoge stenen muren. Indrukwekkend door zijn soberheid.
Maar er is nog een andere kerk die helemaal teruggrijpt naar de Romaanse stijl. Die vinden we op een hele populaire plek, maar minstens 99% van de mensen loopt eraan voorbij, op weg naar de Sacre Coeur basiliek. Ik heb het over église Saint-Pierre, op de top van Butte Montmartre. Een oase van rust in de toeristenstorm rond de schilders.
De huidige kerk steunt op het geraamte van een Merovingische basiliek, gewijd aan Saint-Denis. De zuilen waren zelfs ouder en zijn overblijfselen van een oude Romeinse tempel. Zij hadden hier op deze heuvel, waar de Sacre Coeur nu staat, een tempel gebouwd ter ere van Mercurius, de god van de handel. De meeste zichtbare delen van de Saint-Pierre (Sint-Pieter) kerk dateren van 1147. De begraafplaats naast de kerk, de Cimetière du Calvaire, is het hoogste punt van Parijs: 130,5 meter hoog en enkel op 2 november, Allerzielen, geopend.
Stad van alle tijden : Arènes de Lutece
De eilanden in de Seine (toen nog anders van vorm dan tegenwoordig) en het huidige Quartier Latin was ongeveer de omtrek van Lutetia. In het frans: Lutèce. Als je regelmatig Astrix en Obelisk leest zal je de naam herkennen. De naam Parijs stamt oorspronkelijk van de Keltische stam Parisii, die sinds de 3de eeuw vóór Christus dit stukje aarde rond de Seine bewoonde. De Parisii dolven het onderspit toen Julius Caesar de Gallische stammen in de pan hakte. Na deze zuivering met meer dan een miljoen doden in enkele jaren, namen de Romeinen de macht over. Ze zorgden niet alleen voor een nietsontziende uitroeiing in Gallië, ze gaven de stad van de Parisii ook een andere naam. “Lutetia” zou verwijzen naar het Keltische woord voor moeras.
Lutitia was een Romeins centrum, misschien niet zo groot als Lyon en zeker niet zo indrukwekkend als Rome, het toenmalige centrum van de wereld. Lutetia was geen politieke hoofdstad, maar toch was er genoeg economische bedrijvigheid om de stad te laten groeien tot een aantal van 8000 inwoners. 2 restanten uit deze tijd zijn nog altijd te bezichtigen. Dat zijn de termen in het museum van Cluny (aan de kruising van boulevard Saint-Germain en boulevard Saint-Michel) en de oude arena (Arènes de Lutèce).
Het amfitheater werd gebouwd aan het einde van de 1ste eeuw na Christus en is daarmee het oudste nog bestaande gebouw in Parijs. Het ontwerp week af van de bekende Romeinse amfitheaters. De tribunes omringden ruim de helft van de arena, terwijl er aan een zijde een lang podium van 41 meter was aangelegd. Kennelijk was dit ontwerp een Gallisch model, want het kwam meer voor in dit gebied. Maar die in Lutetia was hoogstwaarschijnlijk de grootste in zijn soort. In de arena werden theatervoorstellingen en gladiatorengevechten gehouden. Op de tribunes konden 15.000 toeschouwers plaatsnemen. Een groot zeil diende, net als in het Colosseum in Rome, als afweer tegen de zon. Er waren ook speciale stallen voor de roofdieren die werden ingezet tijdens venatio’s, zogenaamde gevechten van mens tegen dier of dieren onderling.
In de 3de eeuw kwam er de klad in. Het Romeinse Rijk begon metaalmoeheid te vertonen: het rijk verbrokkelde, verzwakte, de Germaanse volkeren zagen hun kans schoon. In 212 gaven de Romeinen de oorspronkelijke naam terug: Lutetia Parisiorum. Daaruit ontstond de huidige naam Parijs. De linkeroever, van oudsher het centrum van de stad, werd verlaten en de andere kant van de Seine nam voortaan het voortouw.
In 280 werd Lutetia Parisiorum geplunderd door de barbaarse stammen. Stenen van het amfitheater werden gebruikt om het eilandje in de Seine te beschermen. De arena zelf raakte in onbruik en kreeg in de Middeleeuwen zelfs de functie van begraafplaats. En uiteindelijk, met de komst van de beroemde stadsmuur van Philippe August, verdween de arena in 1210 onder de aardoppervlakte. Zo gaat dat met de geschiedenis, die is laagje op laagje opgestapeld - als een lasagne. Vandaar dat archeologen als ze gaan graven zoveel terugvinden, meters diep in de grond.
En toen kwam het moment in 1869 dat de gemeente bezig was met een tramremise. Ze moesten graven en ze kwamen, inderdaad, die oude arena tegen. De antenne van de historisch bewuste schrijver Victor Hugo ging onmiddellijk af. Hij richtte met anderen La société des Amis des Arènes op, een stichting ter behoud van de arena. En hij schreef in de zomer van 1883 een brief aan de gemeente: “Het is onmogelijk dat Parijs, de stad van de toekomst, het levende bewijs van zijn rijke verleden zomaar zou opgeven. Het verleden brengt namelijk de toekomst. De arena's zijn het oude kenmerk van de grote stad. Ze zijn een uniek monument. Bewaar ze ten koste van alles.” En zo geschiedde.