Vergeet nooit even omhoog te kijken in Parijs 

 

Voor de zoveelste verjaardag in mijn leven kreeg ik een rondleiding cadeau door de Opéra Garnier. Een gebouw dat niet alleen om de kunsten bekend staat, maar ook om geroddel.

We schrijven de jaren 1870. De stad was net herstellende van de verloren oorlog tegen Duitsland en de daaropvolgende commune-opstand. Na enkele jaren ging het weer sky high in Parijs. Als je wiegje in de juiste familie had gelegen, dan hoefde het je aan niets te ontbreken. De periode van deze voorspoed, het Belle Epoque, bleef tot de Eerste Wereldoorlog duren. Die welvaart zie je nog altijd tussen de Opéra en Place de Vendôme. Dit is het Parijs van de bals en de wals, de koetsen en de hoepeljurken, de sierlijke snorren en exorbitante bakkebaarden, van juwelen en luxeartikelen, van goud en marmer. 

Dit alles komt terug in het operahuis van de jonge architect Charles Garnier. Er waren vele loges en fauteuils rond de grote statige trap naar de eerste verdieping. Sommige toeschouwers kwamen extra vroeg om zich te vergapen aan de hoge heren met hun maîtresses. En welke vrouw bracht alwéér een andere minnaar mee naar de opera? Het geroddel was niet van de lucht. Shownieuws of Privé zouden hun vingers erbij hebben afgelikt. En natuurlijk waren er ook gasten die expres te laat kwamen. Zo waren ze verzekerd van alle aandacht die hun ego nodig had. 

De centrale operazaal is betrekkelijk klein, hoewel met toch nog zo’n 2000 rode pluche stoelen. Mocht de voorstelling slaapverwekkend zijn dan kan je nog altijd omhoogkijken. En wat je dan ziet is prachtig… In 1964 werd de originele schildering van ene Jules Eugène Lenepveu vervangen door de lichte tinten van Marc Chagall. Kleurrijk en speels. Chagall had de opdracht gekregen van cultuurminister André Malraux, tevens een vriend van de kunstenaar. De vele liefhebbers van Chagall halen er nog altijd hun hart op.  


Maar eerlijk is eerlijk: om die schilderingen van Chagall te bezichtigen moet je wel entree betalen. Daarom beveel ik nog graag een ander etablissement aan. Kleiner van stuk, maar met een prachtig plafond die de meeste mensen missen als ze het niet weten. Ik heb het over patisserie Stohrer in Rue Montorgueil. Stohrer was een kok die meekwam uit Polen toen de nieuwe koningin zich rond 1715 met haar hofhouding installeerde in Versailles. 15 jaar later zei Stohrer haar dat hij graag zijn eigen patisserie opende in het culinaire hart van Parijs. Vlakbij Forum des Halles, de voedselschuur van de stad. 


Bijna 300 jaar later bestaat de winkel van Stohrer nog steeds. En die is nog altijd beeldschoon. De etalages van het smalle winkeltje nodigen uit om een stapje in een andere wereld te zetten. Een wereld vol lekkernijen. Het personeel is weliswaar een tikkeltje hautain. Maar ja… het is Parijs, zullen we maar zeggen. De winkel zelf weersta je absoluut niet. Watertandend kijk je om je heen: canalé bordelais: een Frans gebakje gemaakt van eieren, suiker, melk, boter met rum en vanille. Sinaasappel omhuld door pure chocolade, macarons in alle kleuren en smaken, en hun specialiteit Baba au Rhum: een savarin (luchtig gebakje) gedrenkt in een rumsiroop. Naast de zoete overvloed vindt u er ook heerlijk zalmtaarten en andere hartige delicatessen. 


Je komt ogen tekort. En daardoor staat vrijwel niemand erbij stil om ook eens omhoog te kijken. Want daar is de prachtige plafondschildering te zien. Niet zo oud als de winkel zelf, maar wel daterend uit 1869. Inderdaad, uit de periode toen de Opéra Garnier nog volop in de steigers stond. 

 

Allebei onvoorwaardelijke aanraders als u over een tijdje onze stad weer komt bezoeken.