Het kleinste geheimpje van Parijs - Russische kerk in Lecourbe


Mocht u iets willen ontdekken in Parijs dat echt (vrijwel) niemand kent leest u dan vooral verder. Totaal onbekend en volledig verborgen. Het is een prachtig voorbeeld van mensen die van over de hele wereld in Parijs komen wonen.

 

Het fraaie 15de arrondissement is van alle arrondissementen misschien wel het verst afgelegen van het toerisme. Als je daar woont, heb je het goed voor elkaar. Maar de gemiddelde toerist heeft er weinig te zoeken. 

Maar als je heel goed zoekt en je verlaat de gebaande paden dan wordt de avontuurlijke zoeker beloond met iets zeer charmants: een piepklein Russisch-orthodox kerkje. 


Natuurlijk heeft Parijs naast het Musée Branly-Jacques Chirac, in de schaduw van de Eiffeltoren, een moderne, grote Russisch-orthodoxe kerk. Zijn grote bollen op het dak glanzen altijd in de zon. Bijna iedereen denkt trouwens dat dat gebouw uit 2016 een moskee is. En dan help ik mijn gasten altijd uit die droom door te wijzen op de kruisen op de bollen. Poetin heeft schijnbaar 100 miljoen euro betaald om die kerk gerealiseerd te zien.

 

Maar ergens in het 15de arrondissement is er dus dat piepkleine kerkje. Het is eigenlijk meer een veredelde hut. Als je het niet weet, dan vind je het nooit. Het is gelegen aan 91, rue Lecourbe. Daar is een gevel zoals in de hele straat gevels staan. Niets bijzonders. Het grote verschil is wel dat je niet hoeft te bellen of geen geheime code nodig hebt om door de poort te komen. Zéér uitzonderlijk in Parijs. Als je dan de poort achter je dicht doet en je door het steegje loopt kom je uit op een binnenplaats. Langs de typische bochten zien we dan voor ons een fantastisch geheim! Veel bloemen en planten, en rechts een dorpshuis, zoals je die veel à la campagne tegenkomt. 

En aan de linkerkant… een fascinerend stukje Russische geschiedenis en cultuur in Parijs. Een klein gebouw met twee lichtblauwe bollen op het dak. De église Saint-Séraphin-de-Sarov. De Franse Revolutie met de burgeroorlog was al een chaos van jewelste, maar de Russische Revolutie was zo mogelijk nog rampzaliger. Vele Russen, die verjaagd werden van hun erf en niets ophadden met die gewelddadige bolsjewieken, vluchtten naar overal en nergens. Parijs is voor velen overal. Een toevluchtsoord voor romantische zielen die hevig verliefd zijn, maar ook voor bange vluchtelingen die weer tot zichzelf willen komen. En dus strandden vele Russen rond 1920 in de Seinestad. Terwijl in dezelfde tijd veel culturele expads zich verzamelden in de bars en restaurants van Montparnasse, klitten de gevluchte Russen samen in het 15de arrondissement. Op zoek naar werk. Die vonden ze in de fabrieken van Citroën en Peugeot die om de hoek stonden. 

Veel restaurants, cabarets, markten en andere winkels, waaronder apothekers, openden hun deuren met aanduidingen in het Cyrillisch. Om hun authentieke geloof te belijden mochten ze samenkomen in een klein oud gebouwtje, niet veel groter dan een hut. En dan werd er ook nog ruimte ingenomen door twee gigantische bomen. Dit kerkje werd ingewijd in 1933. Het vertrek biedt plaats aan amper 30 mensen. De hut is prachtig versierd vanbinnen met veel heiligenbeelden. En nog altijd die twee bomen die dwars door het dak groeien. En als het meezit geeft de trotse priester graag een woordje uitleg.

 

Dit is een verhaal waar u mee thuis kan komen. Want met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gaat NIEMAND van uw vrienden of kennissen hier al geweest zijn.

Vélodrome d’Hiver : de geschiedenis van een gebouw

 

1924

Hij had zelfs geprobeerd zijn haar hetzelfde te krijgen als Jean Ces. Als hij er later met een tedere glimlach aan terugdacht wist hij nog altijd niet waarom hij zich zo had verloren in deze Franse bokser. Toen leek het niet meer dan een grill, een kortstondige flirt. Maar als jongen was het hem menens: hij droeg de foto van Ces mee in zijn boekentas, naast zijn etui, agenda en schoolschriften. Hij zat net een jaar op het Collège. Het waren de Olympische Zomerspelen. Parijs was één groot pretpark van tientallen sporten. En hier in het fameuze Vélodrome d’Hiver, waar normaal de wielercoureurs rond zoefden, vochten de boksers uit wie de beste van het toernooi was. Zijn vader had hem meegenomen. Voor zover mogelijk maakte de immense hal een nog grotere indruk op hem dan de stoere, dansende mannen in de ring. Onuitwisbaar zou die indruk worden. In de schaduw van de Eiffeltoren, ook zo’n ongelofelijke verwezenlijking van de Fransen. Op de hele wereld bestond er geen stad zoals Parijs, daar was hij van overtuigd.

 

1942  

Het vreemdste was dat er geen aanwijsbare reden voor was. Het deed hem denken aan de boeken van Kafka, de schrijver uit Praag die hij zo graag las. Oké, misschien waren zij anders dan anderen, dat was zelfs zichtbaar gemaakt door die gele ster op hun jas. Maar deze stap had hij zich nooit kunnen voorstellen. Was dat naïef? Nee toch. Ze waren boven alles beschaafd en aangepast. Onderdeel van de samenleving, van het geciviliseerde Parijs. Hij was niet meer in dit gebouw geweest sinds die ene fameuze bokswedstrijd. 18 jaar daarvoor. Hij had nooit kunnen bevroeden dat hij hier terug zou keren onder deze bizarre, onwezenlijke omstandigheden. Zoveel dingen die hij zich als weldenkend mens niet kon voorstellen de laatste tijd. Wat was er aan de hand? Waar ging het heen? Zijn vrouw hield hij dicht bij zich. Zijn dochtertje van 6 en 2 kleinere zoontjes verloor hij geen moment uit het oog. Het was hartje zomer. Duizenden en duizenden mensen stonden, zaten, lagen opeengepakt. Samen met hun koffers. Zwaar bewaakt door de politie; het was hen menens. Enkele Quakers en mensen van het Rode Kruis deelden wat brood en water uit. Sanitaire voorzieningen waren er amper. De volgende dag zouden ze opgehaald worden, werd er beweerd. Anderen geloofden daar niets van. Hij zelf herinnerde zich het Vélodrome d’Hiver veel groter.

 

1959

Hij voelde het in zijn buik. Al dagen. De datum was met rasse schreden dichterbij gekomen. 12 mei. Hij had er lang over nagedacht: zou hij gaan? Iets in hem zei dat hij moest gaan. Hij was het verplicht aan zijn vrouw, zijn dochter en zijn 2 zoons. Dat hij hier alleen stond, daarvoor schoten woorden in alle talen tekort. Slechts 400 van de 13152 waren teruggekeerd. Een kunstenaar met een opvallende snor stond in het midden van de massa. Hij gebruikte grootse gebaren. Het leek hem menens. Alhoewel met Salvador Dali wist je het nooit zeker. Waar ging zijn ernst over in spel? Hij had een kleine Eiffeltoren bij zich. Die bracht hij tot ontploffing. De prins van het surrealisme noemde dat symbolisch voor het einde van het Vélodrome d’Hiver. De sporttempel van weleer was nooit meer hetzelfde geweest na de bevrijding. Hoe had men door kunnen gaan met sporten en Holiday On Ice in deze macabere hal? Het gebouw kon er zelf niets aan doen, maar het was voor altijd gebrandmerkt. Na zo veel jaren deed de bulldozer eindelijk zijn werk. 

 

1995

Onder en langs zijn keppeltje was geen haarsprietje meer te vinden. Zijn laatste grijze haren waren uitgevallen. De eeuw was bijna voorbij. Intussen behoorde hij qua ouderdom tot de sterksten. De plek waar hij nu was herinnerde in niets meer aan het Vélodrome d’Hiver dat hier ooit had gestaan. In het midden van een mensenmassa stond de nieuwe president van de republiek. Met zijn bekende intonatie maakte deze oud-burgemeester van Parijs zijn excuses. Het was hem menens. Het was de staat menens. Een plakkaat dat jaren later onthuld zou worden zei dat vanaf hier 2916 vrouwen waren weggevoerd om nooit terug te keren. Eén vrouw kende hij als geen ander. Hoe jong waren ze ooit geweest? 4115 kinderen waren nooit meer teruggekeerd. Drie daarvan had hij zelf verwekt. Nu, op deze zomermiddag, waren ze in hun afwezigheid meer dan ooit bij hem. 

Het circus is weer in de stad!

 

“Hooggeëerd publiek!” Waar hoor je dat nog tegenwoordig?

Circussen staan al decennialang - letterlijk en figuurlijk - op de tocht. De komst van televisie zorgde er al voor dat alle zeilen bijgezet moesten worden. Daar komt sinds enkele jaren de lobby van de dierenactivisten bovenop. En de covid-crisis zal ook geen goed hebben gedaan aan het circus.


Máár in Parijs hoor je iedere (normale) winter minimaal een keer per dag: “Hooggeëerd publiek!” (Maar dan in het Frans: “Madamonsieur!”) Op een vaste plek, aan de Rue Amelot, langs Boulevard du Temple, vlakbij Place de la République. Het is geen tent, maar een echt stenen gebouw, waarin het circus huist. De zaal is een ovale veelhoek met maar liefst 20 zijden en echte Corinthische zuilen in de hoeken. Er is geen centrale paal zoals bij een tent, waardoor je zicht niet belemmerd wordt. En het tocht er nooit! Vandaar de naam: Cirque d’Hiver (wintercircus). Dat is weer eens wat anders dan een Cirque du Soleil!


Cirque d’Hiver opende zijn deuren in 1852. Het was Napoleon III, het zwakke neefje van de kleine grote Bonaparte, die tijdens zijn keizerrijk zo veel mogelijk nieuwe gebouwen en bezienswaardigheden liet bouwen ter ere van zichzelf. Het Opéra Garnier was ook van hem. Net als Fontaine Saint-Michel. En dus ook dit circus.


Aan het einde van 19de eeuw vond Henri de Toulouse-Lautrec, de schilder die ook veel in bordelen en de Moulin Rouge te vinden was, zijn inspiratie in repetities en uitvoeringen in het Cirque d'Hiver. Zijn collega Georges Seurat schilderde een middagvoorstelling dat nog altijd te bezichtigen is in Musée d’Orsay. 


Pas vele jaren later, in 1934, kwam het circus in handen van de gebroeders Bouglione en hun erfgenamen. En dat is altijd zo gebleven. 2000 mensen kunnen er plaatsnemen. En die zitten er ook vrijwel altijd. Alle generaties worden naar het klassieke spektakel gezogen, maar vooral de kleine kinderen zijn oververtegenwoordigd. Alle klassieke acts passeren in de piste: de clowns, paarden, trapeze, leeuwen, acrobatiek, slangen… Ik weet nog dat ik enkele jaren geleden met een vriendin en haar nichtje van 4 in het wintercircus van Bouglione zat. Net zoals ik was het nichtje gefascineerd door slangen. Op een bepaald moment komt de slangenman met een forse boa constrictor langs de voorste zitplaatsen. Terwijl ik en die vriendin achteruitdeinzen buigt het nichtje naar voren en begint uitgebreid die enorme slang te strelen. En ze kijkt ons vervolgens breed lachend aan. Hoe vertellen we het haar bang aangelegde moeder? 


Overigens wordt Cirque d’Hiver Bouglione voor nog meer dingen dan alleen het circus gebruikt. In 1995 bijvoorbeeld hield de Parijse ontwerper Thierry Mugler een speciale modeshow in het circus om het 20-jarig bestaan ​​van zijn bedrijf te vieren. Acteurs en speciale gasten waren onder meer James Brown, Tippi Hedren (bekend van The Birds van Alfred Hitchcock) en veel van de topmodellen van de jaren ‘90, waaronder Naomi Campbell. 

 

Cirque d’Hiver is absoluut een leuk uitje om eens iets anders te doen in Parijs dat toch herkenbaar is. 

Verdwalen doe je alleen

Verdwalen doe je alleen. Het maakt niet uit waar je bent - als je met iemand bent.

Dat klopt zeker voor Parijs. Hoe leuk is het niet om in goed gezelschap rond te dwalen door de straten van Parijs totdat jullie niet meer weten waar je bent. Dat voelt met z’n tweeën toch heel anders aan dan alleen. Je hebt tenminste elkaar nog.

Die eerste regel is niet van mijzelf. Die is van Gijs Geurtsen. Als u van Nederlandstalige muziek houdt die onder de huid kruipt luistert u dán zeker eens naar Gijs Geurtsen: https://www.youtube.com/watch?v=WYMnYJASSw4


Terug naar Parijs. De metropool lijkt een stad gemaakt om in te verdwalen. Maakt niet uit waar je bent. En de mooiste geheimen van Parijs zijn vaak niet groter dan enkele straten. Anders waren ze vast bekender geweest. Zo’n mooi verborgen en gekoesterd geheim is de buurt Carrières d’Amérique. Carrière betekent steengroeve. Uit de steengroeven werden sinds de Middeleeuwen tot de jaren 1860 gips en molenstenen gedolven voor de aanleg van vele gebouwen in het centrum. Volgens de legende zouden molenstenen ook hebben bijgedragen aan de bouw van het Witte Huis in Washington, vandaar “Amérique.” Maar die mythe is uit de duim gezogen. Toch heeft de eigenaar van de steengroeven de naam zo gelaten.

De grotten werden gesloten in 1873. Grote veranderingen waren op komst. De gemeente onder leiding van baron Haussmann was druk bezig een enorm park aan te leggen: Parc des Buttes-Chaumonts. Ten oosten daarvan tegen de oostrand van het huidige Parijs werd een wijkje ingericht met een groep hele charmante – wat men noemt – villa’s. Deze villa’s zijn geen huizen, maar kleine straatjes, soms doorgangen (“passage”). En soms lopen ze dood (“impasse”). De groep villa’s vindt u terug rond rue de Mouzaïa. Deze straat kent aan weerzijden een patroon van uitstulpingen die haaks lopen op deze straat. Een soort visgraatpatroon. Je kunt hier eindeloos op en af lopen doorheen al deze villa’s. Deze pittoreske steegjes zijn vooral opgevuld met wat groter uitgevallen arbeidershuisjes. Sommige zien er zelfs enigszins luxueus uit. Vele huizen passen geruisloos in het decor van honderd jaar geleden. Tussen de huizen en het straatje is altijd een tuintje voorzien: een luxe en een zeldzaamheid binnen de Périphérique.

U zou het nu niet zeggen, maar de omgeving was eeuwenlang de vuilnisbelt van Parijs. En de abattoirs van la Villette stonden dicht genoeg om een onuitstaanbare stank te produceren. Dat is voorgoed verdwenen. De huizen zijn duurder geworden, ze zijn nu een statussymbool. In zo’n villa - de straat dus - lijk je erg beschermd te wonen. Als je er niet woont heb je er eigenlijk niets te zoeken. Dat is de charme ervan: het is er groen en rustig, prachtige antieke lantaarns langs de straatkant. Het lijkt een hele kleine gemeenschap van maximaal vijftig mensen in ongeveer 10 à 15 huizen. Maar schijn bedriegt: toen ik er was klaagde een buurtbewoonster over criminaliteit. Ook daar dus.


Voor wie echt een onbekend stukje Parijs wilt beleven en ontdekken en erin wilt verdwalen ligt Carrières d’Amérique open. Maar in Parijs schuilt meer. Parijs is een stad waar je niet alleen letterlijk verloren kunt lopen. Als u in het leven wilt verdwalen dan leent Parijs zich hier ook uitstekend voor. Ik nodig u uit om een tijdje in deze stad te komen wonen. Kom van het veilige wal en duik in het avontuur van het echte verdwalen. Even uit de comfort zone, even los van de aarde. U zult niet meer dezelfde zijn; een ervaring voor de rest van uw leven.


Informatie deels ontleend aan: Luc Santé, Het Andere Parijs.

Parijse vitamine

Ik voelde me uitgeput want het was het einde van het seizoen. Het was oktober en sinds begin juli had ik vrijwel iedere dag gewerkt. Ik was kapot. Ook op deze zondag. Die avond zou ik een vriend ontmoeten in Café de Flore, het café dat vooral zijn bekendheid geniet doordat in de jaren vijftig en zestig de grote schrijvers en denkers hier hun standplaats hadden. Namen zoals Jean Paul Sartre, Albert Camus en Simone de Beauvoir spreken nog altijd tot de verbeelding. Dat is het Parijs van een ander tijdperk, én een verhaal voor een andere gelegenheid. Die zondagavond zag ik dus een vriend in Café de Flore. Toen ik aan kwam lopen verwelkomde hij mij met de woorden: Je ziet er zo stralend uit! Terwijl ik afgepeigerd was. Hoe was dit nou mogelijk? Ik deel met u het medicijn.

Naast de grote boulevards en dito plaatsen, wemelt het in Parijs ook van de kleinere pleintjes die bijna allemaal pittoresk en gezellig aandoen. Een mooi voorbeeld daarvan is Place Dauphine op Île-de-la-Cité, het 'eilandje' zoals ik het in mijn volksmond noem. Place Dauphine is een driehoekig pleintje dat uitkomt op Pont Neuf. Prachtige gevels uit de zeventiende eeuw met daarvoor terrasjes om even bij te komen na een wandeling; en uiteraard in de middag wordt er volop petanque gespeeld. Place Dauphine is overal dichtbij: Louvre, le Marais, Notre Dame, Quartier Latin, Saint-Germain… 

Een ander pleintje dat mij altijd verrast, omdat het plotseling opdoemt, is Place Saint-Georges. Eigenlijk is het meer een rotonde. Een van de twaalfduizend in dit land met de meeste rotondes in Europa. Place Saint-Georges is gelegen in het klassevolle negende arrondissement, al een behoorlijk eind op weg naar Montmartre. Maar het is niet makkelijk terug te vinden. 

Maar ondanks deze mooie pleintjes is er een die voor mij bijzonder blijft: Place de Fürstemberg. Ik moet eigenlijk zeggen: Rue de Fürstemberg, want place de Fürstemberg bestaat niet, maar ik heb wel de neiging om dat te zeggen, omdat de straat vooral een plein is. (En dan kunnen we ook nog discussiëren of het Fürstemberg is of Fürstenberg. Volgens het atelier dat verderop in Rue de Jacob ligt mogen we Fürstenberg ook met een n schrijven.) Het pleintje met de schitterende bomen is gelegen naast de ‘nieuwe’ abdij van de Saint-Germain kerk. Het is te klein om het terug te vinden op een overzichtskaart van Parijs. Ik ken dit pleintje al jaren en het is gegroeid als mijn lieveling. In mijn dromen woon ik hier op een kamer op de derde verdieping. Een probleempje: Saint-Germain is het duurste deel van Parijs om te wonen. Maar… gelukkig is dromen in Parijs gratis. 

Op een oktoberavond, toen het weer vroeger donker werd, ontdekte ik iets dat ik vergeten was. Ik kwam daaraan met enkele gasten en ik werd ineens overweldigd door de schoonheid van de brandende lantaarns op Place de Fürstemberg. Ik werd spontaan weer verliefd op het plein! Het kostte mij moeite om me niet helemaal te laten gaan; ik moest nog een woordje uitleg geven over waar we waren. Maar ik wist niet hoe snel terug te keren in m’n eentje. En dus op die zondagavond, toen ik zo moe was, ben ik teruggegaan. Ik heb daar even gestaan, gewoon gestaan, gestaard in het kunstlicht, welk magnifiek effect de lantaarns hadden op dit pleintje. Maar ook het licht van de wonderschone etalages. De hele sfeer. Het was een geschikt moment om terug tot mezelf te komen. Het was vitamine, het gaf mij weer energie. 

Het zal niet helemaal uit de lucht gegrepen zijn en misschien zelfs waarachtig toen mijn vriend zei dat ik er zo stralend uitzag. Het kwam allemaal door Place de Fürstemberg. Altijd als ik in de buurt ben, neem ik even een omweg om een momentje te delen met Place de Fürstemberg.

 

De Parijse Muur 

Zoeken naar de oude stadsmuren van Parijs is een leuke bezigheid. Een wonderlijke ontdekkingstocht van puzzelstukjes die niet altijd in elkaar passen. Met wat behendigheid, creativiteit èn doorzettingsvermogen maak je een gebroken reconstructie. Het wordt dus “op jacht naar de muur”. Een heel leuk spel, weet ik uit ervaring. 

De Fransen spreken van een enceinte. Maar enceinte is net zo goed een vrouw die zwanger is. Dat lijkt vreemd op het eerste gezicht. Maar vaak, als je je fantasie de vrije loop laat gaan, krijgen verschillende betekenissen van een enkel woord toch een link. Denk bijvoorbeeld aan narcisme en de bloem narcis. Ook bij enceinte werkt het zo. Enceinte betekent zoiets als ‘omvang’, ‘omwalling’. Dan zie je in de ruime betekenis een omvangrijke buik van een zwangere vrouw en net zo goed de omwalling van een stad. Le mur d’enceinte is een stadsmuur.

Parijs heeft vijf van die gordels. Telkens een hele duidelijke scheiding tussen Parijs en de rest van de wereld. Maar ook zijn die enceintes een wonderlijke reis door de tijd. De meest recente omwalling dateert uit 1840, en daar ligt sinds de jaren 1950 de Périphérique, de beruchte snelweg rond Parijs, overheen. Officieel is alles wat buiten die rondweg ligt geen Parijs meer, maar banlieue. Dat zijn allemaal zelfstandige gemeenten met een eigen burgemeester. 

Een interessante omwalling is die van 1785: de muur van de belastingpachters (fermiers generaux). En wel om twee redenen. De stadsmuur, nu de denkbeeldige cirkel van metrolijnen 2 en 6, is de enige die niet gebouwd is om de stad te beschermen maar om tol te heffen voor alle producten die de stad binnenkwamen. Bovendien vinden we op vier verschillende plaatsen in de stad nog altijd torens van die muur terug: Rotonde de la Villette bij het bassin, twee hoge zuilen naast Place de la Nation, de rontonde bij de ingang van Parc Monceau, en een paviljoen bij Denfert-Rochereau. 

Maar, vreemd genoeg, komen we die eerste muur uit 1200 nog het meeste tegen. Hoewel deze enceinte de neiging heeft om verstoppertje met ons te spelen. Zo is hij hier duidelijk zichtbaar en vervolgens lost ie weer op in het straatbeeld. Stukjes muur van Philippe II August zijn te vinden in Le Marais en in Quartier Latin. En ook in Saint-Germain-des-Prés. Tenminste, als je goed zoekt. 

Ik had alleen vage aanwijzingen. Ik wist ongeveer waar de muur liep, daar waar in de Middeleeuwen Parijs ophield. De enorme abdij van Saint-Germain lag duidelijk buiten de stad; het was een dorpje op zichzelf. En dus ging ik op zoek in rue Mazarine. Alles wat ik deed was een denkbeeldige muur proberen te volgen! Af en toe liet hij zich zien, als een gigantische uitgerekte anaconda die zich heeft genesteld onder het water. En af en toe zie je een stuk slangenlichaam boven de oppervlakte uitsteken.

Ik moest diep graven, afdalen op een wel heel vreemde plek. De enceinte Philippe August werd beschermd door een glazen wand. De muur was omgeven door enorme partijen beton uit de twintigste eeuw. Een lichte dieselgeur vulde de ruimte. Auto’s stonden in het gelid geparkeerd. Ik bleek in een ondergrondse autoparking te staan! Een authentiek stukje geschiedenis van Parijs, dat ooit de stad beschermde tegen vijanden en barbaren, was zoveel eeuwen later tegen wil en dank onderdeel geworden van een 20ste eeuwse parkeergarage! De geschiedenis kruipt daar waar het niet gaan kan.