Merci, Les Blues! 

Ongeveer deze week had Nederland het EK 2020 moeten winnen. Of België. Of Frankrijk. Ze hadden alle drie een kans gehad. In plaats daarvan was het deze week twee jaar geleden dat het volgende werd waar gemaakt: “Lijkt 2018 niet een beetje op 1998?”

Overal aan de muren van Parijs was deze slogan al wekenlang te lezen. Het was reclame dat verwees naar de grote triomfen van het Franse voetbalelftal tijdens het wereldkampioenschap in eigen land aan het einde van de vorige eeuw. In 2018 zou “Les Blues” weer kans maken. En in tegenstelling tot de Nederlanders hielden de Fransen zich wel aan hun woord. (Ik herinner me dat het Oranje in de afgelopen dertig jaar vooral vaak net niet lukte.)

De finale van dat kampioenschap wilde ik niet missen, want het was exact dertig jaar geleden dat er nog iets te vieren was geweest. Ik herinner me een zaterdagmiddag in juni 1988. Nu, dertig jaar later, keek ik de finale in de stad. Die wedstrijd was een formaliteit: vier twee tegen Kroatië. Dat is het voordeel om een groot land te zijn. 

Daarna was het feest in de stad. De wedstrijd hadden we vlak bij de Champs-Élysées gezien. Het is traditie om ‘monter les Champs-Élysées’. Dat wil zeggen: je loopt en masse richting Arc de Triomphe, want dat is het hoogste punt van de lange avenue. De Champs is bijna twee kilometer lang dus dat duurt wel even. Wij kwamen via Rue la Boetie de Champs op, dat is al vrij ver omhoog. Even na zevenen was het al gezellig druk. Maar binnen een half uur werd het voller en voller. Het lijkt onvermijdelijk dat jongeren van deze uitzonderlijke omstandigheden gebruik maken om stennis te schoppen. Dat gebeurde helaas ook. 

Arc de Triomphe is in west en ik woonde in oost. Lopend kost je dat anderhalf tot twee uur. Uit voorzorg waren de metro’s gesloten die avond. Dus gingen we lopen. Dat kostte ons de rest van de avond. De sfeer in de stad was uitbundig. Place d’Étoile, waar de Arc de Triomphe op staat, werd Place Deux Étoiles gedoopt. Dit naar aanleiding van de tweede ster op het shirt na twee gewonnen wereldkampioenschappen. En iedereen danste, zong en scandeerde vrolijk: “Merci, les Blues, merci, les Blues!” Het is het liefkoosnaampje voor Franse equipes vanwege het blauwe tenue, zoals in België de Rode Duivels hun naam ontlenen aan het rode shirt. En ieder Nederlands elftal dankzij de shirtkleur in de volksmond Oranje wordt genoemd.

Halverwege de route gingen we eten bij een Italiaans restaurant in Rue de Montmartre. Van pure vreugde kwam de chef uit zijn keuken om op straat tussen de tafeltjes een serenade te brengen. Weer een uurtje of twee later hadden we eindelijk Place de la Bastille bereikt. We kwamen in de juiste richting. Het was inmiddels middernacht, tijd voor een ijsje. De shift van een jonge medewerker was afgelopen dus hij kon zich in het feestgedruis begeven. Ik hoor hem nog vol ongeloof zeggen: “Nous sommes les champions du monde!”

De volgende dagen deed ik tours op de fiets. Overal in de stad lagen de straten bezaaid met glas. Groen glas. Een Amsterdamse bierbrouwer laat overal zijn sporen achter. Onuitwisbare marketing. Dat heeft mij die zomer acht lekke banden gekost. Merci, Les Blues!